Artikel 8.3

Artikel 8.3 Bezwaar bij niet tijdig beslissen

1. In afwijking van artikel 7:1, eerste lid, onderdeel f, van de Algemene wet bestuursrecht kan degene aan wie het recht is toegekend beroep bij de bestuursrechter in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van deze wet, alvorens beroep in te stellen bezwaar maken.
2. Het bezwaarschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Artikel 6:12, eerste en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
3. Artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de in het eerste lid van dat artikel bedoelde verplichting niet geldt gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. 4. De vergoeding van kosten op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijft achterwege, indien:
a. de indiener van het bezwaarschrift, gelet op de omvang van het verzoek, kennelijk onvoldoende heeft meegewerkt aan het bereiken van overeenstemming over een opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 4:15, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, of
b. het niet tijdig nemen van een besluit kennelijk het gevolg is van de wijze van indiening van het verzoek.

De complexiteit en omvang van het verzoek zijn relevant bij het vaststellen van misbruik als bedoeld in artikel 4.6 Wet open overheid[1] en hebben mogelijk gevolgen voor een proceskostenveroordeling of te gunnen termijn voor afhandeling (8.3 en 8.4 Wet open overheid).

Met de regeling van bezwaar (artikel 8.3) en beroep (artikel 8.4) bij niet tijdig beslissen, heeft de wetgever oog voor de noodzaak om wel iets te kunnen doen tegen vermeend misbruik door de overheid[2], inhoudende het niet overgaan tot besluitvorming naar aanleiding van verzoeken om informatie. In die regelingen is ook oog voor de mogelijke complexiteit van verzoeken die een rechtvaardiging kunnen zijn voor later besluiten.

Een voor de praktijk gemiste kans is dat niet expliciet de mogelijkheid wordt gecreëerd om tot fasering van een Wet open overheid-verzoek over te gaan naar aanleiding van het overleg zodat de juridische consequenties daar ook van konden worden geduid. In de Wob-praktijk volgt dit nogal eens op een verzoek dat veel documenten beslaat. Onduidelijk is in zo’n geval dan wel op welk moment niet tijdig zou worden beslist en het lijkt erop dat verzoeker de bij wet gegeven termijn sowieso prijsgeeft terwijl dat niet altijd zal zijn beoogd.

De regeling van artikel 8.4, eerste lid, Wet open overheid geeft de mogelijkheid voor het in 2010 al genoemde invoeren van een ‘redelijke termijn’ voor het afhandelen van het verzoek.[3] De rechter wordt immers de mogelijkheid geboden een termijn te stellen die afhankelijk is van de ‘omvang van het verzoek’. Hiermee lijkt vooral te zijn bedoeld, de omvang van de informatie waarom is verzocht. Dat zou ook meer juist zijn, mede gelet op de keuze voor die terminologie in artikel 4.4, tweede lid waarin de reden voor verlenging van de beslistermijn wordt gegeven. In zoverre kan – na beroep vanwege niet tijdig beslissen – invulling worden gegeven aan zogeheten gewone en omvangrijke verzoeken.[4]

In bezwaar en beroep kan de aard en inrichting van het verzoek van invloed zijn. Dit geldt niet alleen voor de beslistermijnen, maar ook voor de vergoeding van proceskosten. Deze vergoeding kan immers achterwege blijven indien bezwaarmaker kennelijk onvoldoende meegewerkt heeft bij een omvangrijk verzoek om te komen tot een opschorting van de beslistermijn (artikel 8.3, vierde lid, onder a, Wet open overheid).

Deze aspecten zijn overigens ook al geregeld in de Wob per 1 oktober 2016.[5]

[1] Zie verder over artikel 4.6 Van der Sluis (2016-1), par. 1.9 en Van der Sluis (2016-2), p. 254-255.
[2] Kamerstukken II 2015/16, 34300 VII, 38.
[3] Maas-Cooymans en Van der Sluis (2010), p. 105.
[4] Kamerstukken II 2008/09, 31751, 4, onder 5.
[5] Ingevolge de op 12 juli 2016 aangenomen wet ‘Wet voorkoming misbruik Wet openbaarheid van bestuur’ Stb. 2016, 301.

Artikel 8.3 regelt dat bij een beroep tegen niet tijdig beslissen de bestuursrechter kan besluiten een langere beslistermijn dan twee weken toe te kennen als de omvang van het verzoek daartoe aanleiding geeft en geen proceskostenvergoeding toe te kennen en het griffiegeld niet te vergoeden, als de indiener, gelet op de omvang van het verzoek, te weinig heeft meegewerkt aan overeenstemming over de verlenging van de beslistermijn. Voorgesteld wordt een vergelijkbare regeling te treffen voor het geval de termijnoverschrijding het gevolg is van de wijze waarop het verzoek is ingediend en waarbij in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht dat een verzoek om informatie als een zelfstandig Wob-verzoek wordt herkend. Het gaat dan bijvoorbeeld om verzoeken om informatie die zijn opgenomen in een ander bericht aan de overheid, zoals een sollicitatie of een offerte, of om verzoeken die sterk op elkaar lijken, waarbij de verschillen door het bestuursorgaan gemakkelijk over het hoofd worden gezien, zoals een verzoek dat in de ene versie betrekking heeft op gegevens uit 2010 en in de andere versie op gegevens uit 2011. Nu de dwangsom vervalt bij verzoeken op grond van deze wet, blijft de mogelijkheid bestaan dat, zoals dat ook gebeurde voorafgaand aan de invoering van de dwangsomregeling, gepoogd wordt een proceskostenvergoeding over te houden aan een gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen. Het bestuursorgaan kan niet zelf beoordelen dat sprake is van een verstopt verzoek, maar kan wel de bestuursrechter vragen om een langere beslistermijn of om het oordeel dat de termijnoverschrijding is te wijten aan het verstoppen van het verzoek. In deze nota van wijziging is deze regeling opgenomen in artikel 8.4, tweede en vierde lid.
Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in de artikelen 8.3 en 8.4 enige verbeteringen aan te brengen. De redactie van artikel 8.3, eerste lid, komt niet geheel overeen met die van artikel 8.4. In artikel 8.3 wordt de term «besluit» gebruikt en in artikel 8.4 de term «beschikking». In artikel 8.4 wordt expliciet vermeld dat de bepaling van toepassing is op beslissingen op bezwaar, in artikel 8.3 niet. Ter voorkoming van misverstanden wordt de redactie van artikel 8.3, eerste lid, afgestemd met die van artikel 8.4 en wordt de leesbaarheid vergroot. De artikelen 8.3 en 8.4 worden omgedraaid om zo beter aan te sluiten bij de volgorde van de artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht die in die artikelen worden behandeld. Aan het tweede derde lid van 8.4 (nieuw) wordt een verwijzing naar artikel 7:10, vierde lid, onderdelen a en b, van de Awb toegevoegd, omdat artikel 4:15 van de Awb in bezwaar niet van toepassing is. In die bepaling vervalt de voorwaarde dat de bestuursrechter een nieuwe termijn moet hebben gesteld, wil hij bevoegd zijn geen vergoeding vast te stellen voor de proceskosten en de griffiegelden. Ook in geval het bestuursorgaan na het instellen van het beroep inmiddels heeft besloten, kan aan de orde zijn dat de termijnoverschrijding te wijten is aan de omvang van het verzoek en het gebrek aan bereidheid van de verzoeker om een nadere beslistermijn af te spreken. Bovendien zou het opnemen van deze voorwaarde voor het bestuursorgaan een prikkel kunnen zijn om hangende een beroep wegens niet tijdig beslissen geen verzoeken meer af te doen.

Dit amendement beoogt om de bezwaarprocedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van de Wet open overheid, zoals die bestond voor de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, weer in te voeren voor besluiten op grond van de Wet open overheid. Dit in aanvulling op de weg van rechtstreeks beroep bij de rechter, die destijds bij de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen werd ingevoerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzoeker kan dus, bij niet tijdig beslissen van het bestuursorgaan, kiezen tussen het indienen van een bezwaarschrift of het instellen van rechtstreeks beroep bij de rechter. De reden voor het weer invoeren van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van de Wet open overheid, is dat rechtstreeks beroep een te hoge drempel kan zijn, en derhalve een laagdrempelig alternatief wenselijk wordt geacht. Daarnaast kan de mogelijkheid van rechtstreeks beroep het bestuursorgaan scherp houden. Het bestuursorgaan is immers de instantie die op het verzoek van indiener moet reageren.
Wetstechnisch is dit amendement vormgegeven door invoeging van een artikel 8.3a aan het wetsvoorstel.
In het tweede lid is, evenals in de oude situatie, bepaald dat het bezwaarschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is door het niet tijdig nemen van een besluit. Op bezwaarschriften zijn het eerste en vierde lid van artikel 6:12 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het indienen van bezwaar in deze gevallen niet aan een termijn is gebonden en dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.
In het derde lid is geregeld dat artikel 6:20 van de Awb van overeenkomstige toepassing is op bezwaar. Dat betekent ten eerste dat een bestuursorgaan, evenals in de oude situatie, verplicht blijft om in deze gevallen een besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op bezwaar geen belang meer heeft (art. 6:20, eerste lid). Tevens is, zoals ook voorheen gold, bepaald dat deze verplichting niet geldt gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. De indiener van het bezwaarschrift mag dan spoedig een beslissing op zijn bezwaar verwachten. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 6:20 bevatten aanvullende bepalingen over onder andere de mededeling van het besluit en de omvang van het besluit.
Het vierde lid is in lijn met het bepaalde in artikel 8.4 en is erop gericht eventueel misbruik te voorkomen van de bezwaarprocedure bij niet tijdig beslissen door enkel bezwaarschriften in te dienen met het oog op de inning van proceskosten. Voorkomen moet worden dat het bestuursorgaan te lichtvaardig tot de conclusie komt dat de indiener onvoldoende heeft meegewerkt bij omvangrijke verzoeken (onderdeel a) of dat de wijze van indiening debet was aan het niet tijdig beslissen (onderdeel b). Om die reden wordt in beide gevallen met het begrip «kennelijk» uitgedrukt dat het aannemelijk moet zijn dat sprake is van een van beide uitzonderingsgronden om geen proceskosten te vergoeden.

Artikel 8.3 komt overeen met artikel 15a Wob en is bij amendement aan het wetsvoorstel toegevoegd. De toelichting bij het amendement luidde als volgt: “Dit amendement beoogt om de bezwaarprocedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van de Wet open overheid, zoals die bestond voor de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, weer in te voeren voor besluiten op grond van de Wet open overheid. Dit in aanvulling op de weg van rechtstreeks beroep bij de rechter, die destijds bij de invoering van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen werd ingevoerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzoeker kan dus, bij niet tijdig beslissen van het bestuursorgaan, kiezen tussen het indienen van een bezwaarschrift of het instellen van rechtstreeks beroep bij de rechter. De reden voor het weer invoeren van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van de Wet open overheid, is dat rechtstreeks beroep een te hoge drempel kan zijn, en derhalve een laagdrempelig alternatief wenselijk wordt geacht. Daarnaast kan de mogelijkheid van rechtstreeks beroep het bestuursorgaan scherp houden. Het bestuursorgaan is immers de instantie die op het verzoek van indiener moet reageren.

Wetstechnisch is dit amendement vormgegeven door invoeging van een artikel 8.3a aan het wetsvoorstel. (Noot van de indieners: dit betreft als gevolg van vernummering het huidige artikel 8.3)

In het tweede lid is, evenals in de oude situatie, bepaald dat het bezwaarschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is door het niet tijdig nemen van een besluit. Op bezwaarschriften zijn het eerste en vierde lid van artikel 6:12 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat het indienen van bezwaar in deze gevallen niet aan een termijn is gebonden en dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend.

In het derde lid is geregeld dat artikel 6:20 van de Awb van overeenkomstige toepassing is op bezwaar. Dat betekent ten eerste dat een bestuursorgaan, evenals in de oude situatie, verplicht blijft om in deze gevallen een besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op bezwaar geen belang meer heeft (art. 6:20, eerste lid). Tevens is, zoals ook voorheen gold, bepaald dat deze verplichting niet geldt gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. De indiener van het bezwaarschrift mag dan spoedig een beslissing op zijn bezwaar verwachten. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 6:20 bevatten aanvullende bepalingen over onder andere de mededeling van het besluit en de omvang van het besluit.

Het vierde lid is in lijn met het bepaalde in artikel 8.4 en is erop gericht eventueel misbruik te voorkomen van de bezwaarprocedure bij niet tijdig beslissen door enkel bezwaarschriften in te dienen met het oog op de inning van proceskosten. Voorkomen moet worden dat het bestuursorgaan te lichtvaardig tot de conclusie komt dat de indiener onvoldoende heeft meegewerkt bij omvangrijke verzoeken (onderdeel a) of dat de wijze van indiening debet was aan het niet tijdig beslissen (onderdeel b). Om die reden wordt in beide gevallen met het begrip “kennelijk” uitgedrukt dat het aannemelijk moet zijn dat sprake is van een van beide uitzonderingsgronden om geen proceskosten te vergoeden.”[1]

[1] Kamerstukken II 2015/16, 33328, nr. 21 (amendement van de leden Oosenbrug en Fokke).