Artikel 4.4

Artikel 4.4 Termijn

1. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
2. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen, indien de omvang of de gecompliceerdheid van de informatie een verlenging rechtvaardigt. Van de verdaging wordt voor de afloop van. de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.
3. Onverminderd artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, tot en met de dag waarop door de belanghebbende of belanghebbenden een zienswijze naar voren is gebracht of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Indien de opschorting, bedoeld in het derde lid, eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.
5. Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken, wordt de informatie verstrekt tegelijk met de bekendmaking van het besluit, tenzij naar verwachting een belanghebbende bezwaar daartegen heeft, in welk geval de informatie wordt verstrekt twee weken nadat de beslissing is bekendgemaakt. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat de voorzieningen-rechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken.
6. Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken die rechtstreeks betrekking heeft op een derde of die van een derde afkomstig is, deelt het bestuursorgaan dit besluit gelijktijdig mede aan deze derde.

Beslist moet worden binnen vier weken na ontvangst van het verzoek.[1] Nu de datum van ontvangst bepalend is voor de beslistermijn en de reikwijdte van het verzoek, is het aan te bevelen de datum van ontvangst te bevestigen. Bij voorkeur dient dit per ommegaande te gebeuren. Indien aan de orde kan een combinatie worden gemaakt met het bericht van verdaging .

Of ingeval dat het verzoek verzonden is aan een instelling, dienst of bedrijf de datum van ontvangst door die entiteit leidend is, is niet helemaal duidelijk. Het is vooral zaak voor het bestuursorgaan om de contacten goed te houden met instelling, dienst of bedrijf om het inpassen van de Wet open overheid-procedure goed te laten plaatsvinden zodat tijdig kan worden beslist.

De onder de Wob nog aanwezige complexiteit ingeval een verzoek (ook) betrekking heeft op milieu-informatie, lijkt met de regeling in artikel 4.4 Wet open overheid te zijn weggenomen. Anders dan onder de Wob gelden immers geen afwijkende termijnen indien het verzoek (mede) ziet op milieu-informatie. Een verdere bespreking lijkt dan ook niet nodig.

Toch zit hier een adder onder het gras. Het loslaten van het onderscheid werd immers in eerste instantie terecht verklaard door het feit dat de maximale termijn tussen het verzoek en verstrekking niet meer dan acht weken kon bedragen zodat de maximale termijn die volgt uit het Verdrag van Aarhus werd gerespecteerd.[2] Dat verdrag vormde de aanleiding voor de afwijkende regeling in de Wob. Hierbij werd bij de behandeling van de Wet open overheid evenwel uitgegaan van de volgende termijnen: twee weken voor het besluit (eerste lid), met mogelijk een verdaging van twee weken (tweede lid), aangevuld met twee weken voor een zienswijze (derde lid) en een uitgestelde verstrekking van twee weken (vijfde lid). Bij de wijziging van de termijn in het eerste lid naar vier weken zijn de gevolgen voor de juiste implementatie van het Verdrag van Aarhus niet besproken. De rechter zal zich dus mogelijk moeten uitlaten over de vraag hoe bij milieu-informatie – door een opeenstapeling van de termijnen – het niet binnen acht weken beslissen zich verhoudt tot het Verdrag van Aarhus. Een praktische oplossing is dat het bestuursorgaan het besluit opknipt[3] of de termijn voor het geven van een zienswijze (aanzienlijk) inkort. De in de toelichting genoemde termijn van twee weken is immers een in de praktijk gebruikelijke termijn. Dwingend uit de wet volgt het niet.

Anders dan onder de Wob kan de termijn niet met nog eens vier weken, maar slechts met twee weken worden verdaagd. Nieuw is ook de beperking van de reden waarom verdaagd kan worden. Artikel 4.4, tweede lid, Wet open overheid maakt immers duidelijk dat van verdaging enkel sprake kan zijn indien de omvang of gecompliceerdheid van de informatie dat rechtvaardigt.

Opvallend is dat de redactie van dit lid zich richt tot de informatie en niet zozeer het verzoek zelf. De complexiteit en omvang van het verzoek zijn wel relevant bij het vaststellen van misbruik als bedoeld in artikel 4.6 Wet open overheid[4] en hebben mogelijk gevolgen voor een proceskostenveroordeling of te gunnen termijn voor afhandeling (8.3 en 8.4 Wet open overheid). De toelichting geeft geen nadere duiding van dit onderscheid. Een verklaring kan ook moeilijk worden gegeven zodat het ervoor moet worden gehouden dat sprake is van een ‘slip of the pen’. Overigens is artikel 4.4, tweede lid, niet helemaal nieuw maar eerder een codificatie van de huidige praktijk.

Een veel gehoorde klacht van bestuursorganen is in dit verband het enorme tijdsbeslag dat de afhandeling van een verzoek om informatie legt op het bestuursorgaan. De Afdeling is zich daarvan bewust, maar de jurisprudentie van de Afdeling overziend, zullen bestuursorganen dat moeten accepteren en zullen zij hun organisatie daarop moeten aanpassen. De Woo maakt dit ook niet anders, maar geeft gelijk aan de Wob per 1 oktober 2016 wel een regeling waardoor de omvang relevant wordt voor de wijze van afdoening. In de Woo is expliciet geregeld dat in de besluitvormingsfase de omvang of complexiteit van de informatie tot een verdaging van twee weken kan leiden (artikel 4.4, tweede lid).

De leden drie en vier van artikel 4.4 Wet open overheid geven een regeling voor het betrekken van derden die bij een verzoek – vanwege de inhoud van de informatie die wordt opgevraagd – zijn betrokken. De in paragraaf 1 verkende beslistermijn wordt opgeschort voor de periode die deze belanghebbenden gegund krijgen om een zienswijze te geven. De periode stopt als van deze gelegenheid gebruik is gemaakt of indien deze gelegenheid ongebruikt is verstreken.

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 4:15, vierde lid, Awb bepaald dat de verzoeker wordt geïnformeerd over de beëindiging van de opschorting. Hiervan is sprake, als de derde belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen, op het moment dat de zienswijze door het bestuursorgaan is ontvangen, of, als de derde belanghebbende niet reageert, na ommekomst van de door het bestuursorgaan gestelde termijn om die zienswijze in te zenden. Met de informatie over het beëindigen van de opschorting weet de verzoeker wanneer op zijn verzoek moet zijn beslist.[5] Van een ingebrekestelling na afloop van die termijn is geen sprake meer. Wel is de kennis omtrent het einde van de beslistermijn relevant voor verzoeker nu hem dan de mogelijkheid van bezwaar of beroep bij niet tijdig beslissen openstaat (ingevolge artikel 8.3 en 8.4 Wet open overheid).

Nog altijd is in de praktijk merkbaar dat het niet eenvoudig wordt gevonden om te bepalen wanneer een belanghebbende ‘naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen openbaarmaking’. Bij besluiten tot openbaarmaking mag niet te snel worden aangenomen dat naar verwachting geen bedenkingen bestaan. Het bestuursorgaan dient zich in ieder geval te beseffen dat het ‘naar verwachting bedenkingen zal hebben’ niet gelijk is aan ‘er doet zich toch geen uitzonderingsgrond voor’. ‘Safety first’ is het devies, nu openbaarmaking zonder het kennen van de belanghebbenden onomkeerbare gevolgen heeft.[6]

Uiteraard laten de zienswijzen onverlet dat het uiteindelijk aan het bestuursorgaan is om te bepalen of informatie wel of niet verstrekt kan worden. Die belangenafweging tussen de uitzonderingsgronden van de Wet open overheid en het algemene belang van openbaarheid is exclusief voorbehouden aan het bestuursorgaan. Zienswijzen zijn wat dat betreft niet bepalend. Wel richtinggevend en dus dienstig. Niet zelden is de belanghebbende zelf het beste in staat aan te geven en toe te lichten waarom informatie concurrentiegevoelig is of wanneer hij benadeeld meent te worden door openbaarmaking.[7]

Nieuw is de regeling in artikel 4.4, vijfde lid, Wet open overheid voor het geval het bestuursorgaan informatie wil verstrekken maar de verwachting bestaat dat een belanghebbende bezwaar heeft (de uitgestelde verstrekking). Dat is nu geregeld in artikel 6, vijfde lid, Wob. Onder de Wet open overheid wordt nu wettelijk geregeld dat de openbaarmaking wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken.[8] Een nuttige aanvulling, nu onder de Wob hierin moet worden voorzien door de voorzieningenrechter of hierover overleg moet plaatsvinden met alle betrokkenen nadat het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn ingediend.

[1] Dat was in eerste instantie op twee weken gesteld, maar gewijzigd bij nota van wijziging, Kamerstukken II 2015/16, 33328, 20, p. 8.
[2] Kamerstukken II 2013/14, 33328, 9, p. 78.
[3] Deze optie werd al mogelijk geacht in 2010; Maas-Cooymans en Van der Sluis (2010), p. 106. Deze suggestie is nog niet onmogelijk gebleken in de praktijk, maar voor zover mij bekend ook nog niet indringend beoordeeld door een rechter.
[4] Zie verder over artikel 4.6 Van der Sluis (2016-1), par. 1.9 en Van der Sluis (2016-2), p. 254-255.
[5] Kamerstukken II 2008/09, 31751, 3, p. 3- 4 en Maas-Cooymans en Van der Sluis (2010), p. 105-106.
[6] Zie ook al Maas-Cooymans en Van der Sluis (2010), p. 106.
[7] Ter illustratie, zie ABRvS 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2779.
[8] Ingevoegd bij nota van wijziging naar aanleiding van een suggestie van de Raad voor de Rechtspraak in een notitie van 21 augustus 2014, Kamerstukken II 2014/15, 33328, 14, p. 34, 68.

Artikel 4.4 Termijn
1. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
2. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen, indien de omvang of de gecompliceerdheid van de informatie een verlenging rechtvaardigt. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.
3. Onverminderd artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop het bestuursorgaan de verzoeker meedeelt dat toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuurs-recht, tot en met de dag waarop door de belanghebbende of belanghebbenden een zienswijze naar voren is gebracht of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Indien de opschorting, bedoeld in het derde lid, eindigt, doet het bestuursorgaan daarvan zo spoedig mogelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de termijn binnen welke de beschikking alsnog moet worden gegeven.
5. Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken, wordt de informatie verstrekt tegelijk met de bekendmaking van het besluit, tenzij naar verwachting een belanghebbende bezwaar daartegen heeft, in welk geval de informatie wordt verstrekt twee weken nadat de beslissing is bekendgemaakt.
6. Indien het bestuursorgaan heeft besloten informatie te verstrekken die rechtstreeks betrekking heeft op een derde of die van een derde afkomstig is, doet het bestuursorgaan deze derde mededeling van het besluit.

De termijn voor het nemen van een besluit op een verzoek wordt twee weken, met de mogelijkheid tot verlenging met twee weken indien sprake is van een omvangrijk of gecompliceerd verzoek. Indien een verzoek te omvangrijk is om binnen de wettelijke termijn te behandelen, maken verzoeker en bestuursorgaan afspraken over een nieuwe beslistermijn die de wettelijke termijn opschort.

(…)

4.5.1 Termijnen en derdebelanghebbenden
Een veel voorkomend probleem is dat verzoeken om informatie niet binnen de wettelijke termijn worden afgehandeld. Zelfs nadat in 2009 de termijn was verlengd naar vier weken, met de mogelijkheid om nog eens vier weken te verdagen, wordt de termijn om een beslissing te nemen, regelmatig overschreden. Voor journalisten kan dit problematisch zijn omdat het voor hen niet altijd mogelijk is langere tijd bezig te zijn met hetzelfde onderwerp of omdat de nieuwswaarde van bepaalde informatie snel verminderd, bijvoorbeeld nadat de politieke besluitvorming over een bepaald onderwerp is afgerond. Voor burgers is het nadelig voor hun

Ook de Raad van State had kritiek op de verlenging van de termijn en vroeg zich af waar de noodzaak tot verlenging vandaan kwam. Daarbij verwees de Raad van State naar het rapport Beslistermijnen: waar blijft de tijd? van de Algemene Rekenkamer uit 2004 dat oordeelde dat de beslistermijn van twee weken, met de mogelijkheid om twee weken te verdagen «passend en realistisch» was.
Zeker als de informatiehuishouding van organen over de jaren heen verbetert, wordt het steeds makkelijker voor organen om de termijn van twee weken te halen. Er hoeft dan immers minder tijd te worden besteed aan het opzoeken van documenten en informatie.
De termijn om te beslissen op een verzoek wordt voor de meeste gevallen derhalve weer teruggebracht tot twee weken. Organen blijven daarbij de mogelijkheid houden om de termijn met twee weken te verdagen, indien dat noodzakelijk is vanwege de omvang van het verzoek of de complexiteit van de informatie. De verdaging moet schriftelijk en gemotiveerd worden medegedeeld aan de verzoeker. Het overgrote deel van de verzoeken kan binnen de termijn van twee maal twee weken worden afgehandeld. Het kan echter gebeuren dat verzoeken zo omvangrijk zijn dat zij niet binnen de wettelijke termijn kunnen worden afgedaan. In dat geval kunnen verzoeker en bestuursorgaan op grond van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht nadere afspraken maken over de behandeling van het verzoek, waarbij de wettelijke beslistermijn wordt opgeschort. In de praktijk worden bij omvangrijke verzoeken vaak dergelijke afspraken gemaakt. Het ligt op de weg van het bestuursorgaan om, binnen de wettelijke beslistermijn, het initiatief tot dergelijke afspraken te nemen. Het bestuursorgaan doet er ook verstandig aan als het dit overleg goed documenteert. Verzoekers zullen zich moeten realiseren dat het recht op informatie niet inhoudt dat een bestuursorgaan tot het onmogelijke is gehouden en zullen zich coöperatief moeten opstellen als zij een zodanig omvangrijk verzoek doen, dat dit niet in de wettelijke termijn kan worden afgehandeld.

(…)

Aandacht moet hier ook besteed worden aan de rol van derdebelanghebbenden op de procedure. Materieel worden de belangen van derden meegewogen in het al dan niet toepassing geven aan een uitzonderingsgrond voor de openbaarmaking van informatie. Procedureel worden derden beschermd doordat zij in staat worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen voordat een beslissing wordt genomen en doordat zij in bezwaar kunnen gaan tegen een beslissing. De formele rechtsbescherming van derden komt hier dan ook grotendeels overeen met hoe dat in de huidige Wob in samenspel met de Awb geregeld is.

Organen mogen de termijn om te beslissen opschorten om een belanghebbende in staat te stellen een zienswijze naar voren te brengen onder toepassing van artikel 4:8 Awb. Als het orgaan besluit informatie openbaar te maken en verwacht dat een derde daartegen bezwaar heeft, wordt de informatie verstrekt na twee weken na bekendmaking van het besluit. De belanghebbende kan dan tegen de beslissing bezwaar instellen en een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter vragen teneinde de uitvoering van het besluit op te schorten. Aan deze keuzes ligt de overweging ten grondslag dat het wenselijk is dat derdebelanghebbenden zowel voordat een beslissing wordt genomen, als daarna hun belangen kunnen verdedigen, maar dat dit niet ten koste mag gaan van de snelle afhandeling van een verzoek tot informatie.

(…)

De maximale termijn om te beslissen en te verstrekken na een verzoek is terug gebracht tot zes weken, teneinde de termijn van artikel 4, zevende lid, van het Verdrag van Aarhus niet te overschrijden.

(…)

In het eerste lid is de beslistermijn ten opzichte van de beslistermijn in de Wob met twee weken verkort tot twee weken. Daarmee is de beslistermijn weer gelijk aan de beslistermijn die gold vóór de inwerkingtreding van de Wet dwangsom. Voor de bevoegdheid tot verdaging in het tweede lid geldt hetzelfde. Als gevolg van deze verkortingen is de maximale termijn waarbinnen informatie moet worden verstrekt (de termijnen van het eerste, tweede, derde en vijfde lid bij elkaar opgeteld) acht weken. Nu acht weken de maximale termijn is waarbinnen milieu-informatie moet worden verstrekt op grond van het Verdrag van Aarhus, zijn de uitzonderingen voor milieu-informatie uit het zesde lid van artikel 6 van de Wob niet meer nodig.
Het vierde en vijfde lid zijn ongewijzigd ten opzichte van de regeling in de Wob.
In het zesde lid is bepaald dat een derde van het besluit om gegevens te verstrekken waarbij hij belanghebbende is, mededeling wordt gedaan. Hij heeft dan op grond van het vijfde lid twee weken om bezwaar te maken en een voorlopige voorziening tegen de verstrekking te vragen bij de bestuursrechter. Uit de redactie van dit lid volgt dat die mededeling ook wordt gedaan als de derde niet onder toepassing van artikel 4:8 Awb om een zienswijze is gevraagd (bijvoorbeeld omdat uit jurisprudentie duidelijk is dat de gevraagde informatie niet kan worden geweigerd. Dan kan het toch prettig zijn voor de derde dat hij weet dat de betreffende informatie wordt verstrekt. Overigens dient bij de verstrekking van persoonsgegevens deze verstrekking te worden geregistreerd, zodat toepassing gegeven kan worden aan de verantwoordingsplicht die een verantwoordelijke heeft op grond van artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens.

De beslistermijn wordt in de Woo verkort van vier weken met mogelijke verlenging met vier weken naar twee weken met mogelijke verlenging met twee weken (artikel 4.4).

In de bij de toelichting bij artikel 2.1 genoemde reactie van de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak wordt nog een suggestie gedaan tot verbetering van artikel 4.4. Met deze nota van wijziging wordt deze suggestie overgenomen. In het vijfde lid wordt toegevoegd dat de openbaarmaking achterwege blijft als de derdebelanghebbende een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, maar op dat verzoek nog niet is beslist. In het zesde lid wordt ter waarborging van de proces-belangen van de derdebelanghebbende de mededeling aan de belanghebbende aangemerkt als een bekendmaking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, die gelijktijdig met de bekendmaking aan de verzoeker moet worden verzonden.

Om tegemoet te komen aan de bezwaren uit de Kamer wordt in artikel 4.4, eerste lid, de termijn waarop in ieder geval op een verzoek om informatie moet zijn beslist, gesteld op vier weken in plaats van twee weken. Deze termijn kan voor het einde van die vier weken eenmaal worden verlengd met twee weken. Daarnaast blijft gelden dat bij omvangrijke verzoeken van de indiener wordt verwacht dat hij meewerkt aan opschorting van de beslistermijn als van het bestuursorgaan redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het verzoek binnen de wettelijke termijn kan worden behandeld. Zie hiervoor ook artikel 8.4 van het wetsvoorstel.
De initiatiefnemers spreken wel nadrukkelijk de verwachting uit dat in de praktijk deze termijn niet opgebruikt hoeft te worden indien bestuursorganen hun informatiehuishouding goed op orde hebben en reeds veel actief openbaar maken. Uitzonderingsgevallen daargelaten zouden verzoeken ruim binnen deze vier weken behandeld moeten kunnen worden.

Eerste lid en tweede lid

In het eerste lid is de beslistermijn opgenomen voor een verzoek om informatie. Deze termijn is gelijk gebleven aan de beslistermijn in de Wob. De bevoegdheid tot verdaging in het tweede lid is ten opzichte van de Wob met twee weken verkort tot twee weken. Een verdaging is alleen mogelijk als de beslistermijn nog niet is verstreken en moet schriftelijk worden gemotiveerd. Mogelijke verdagingsgronden zijn de omvang of de gecompliceerdheid van de gevraagde informatie.

Het overgrote deel van de verzoeken kan volgens de initiatiefnemers binnen de termijn worden afgehandeld. Uit een onderzoek uit 2010 blijkt dat de meeste Wob-verzoeken binnen tien werkdagen beantwoord worden.[1]

Het kan echter gebeuren dat verzoeken zo omvangrijk zijn dat zij niet binnen de wettelijke termijn kunnen worden afgedaan. In dat geval kunnen verzoeker en bestuursorgaan op grond van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel a, Awb nadere afspraken maken over de behandeling van het verzoek, waarbij de wettelijke beslistermijn wordt opgeschort. In de praktijk worden bij omvangrijke verzoeken vaak dergelijke afspraken gemaakt. Het ligt op de weg van het bestuursorgaan om, binnen de wettelijke beslistermijn, het initiatief tot dergelijke afspraken te nemen. Het bestuursorgaan doet er ook verstandig aan als het dit overleg goed documenteert. Verzoekers zullen zich moeten realiseren dat het recht op informatie niet inhoudt dat een bestuursorgaan tot het onmogelijke is gehouden en zullen zich coöperatief moeten opstellen als zij een zodanig omvangrijk of gecompliceerd verzoek doen, dat dit niet binnen de wettelijke termijn kan worden afgehandeld. De bestuursrechter kan aan het niet-meewerken aan de verlenging van de termijn het gevolg verbinden dat geen griffiegeld of geen proceskosten worden vergoed.

Ook de toepassing van artikel 4:15, eerste of tweede lid, onderdelen b of c, Awb kan de beslistermijn opschorten. Van de toepassing van het eerste lid is bijvoorbeeld sprake als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:5 Awb, juncto artikel 4.1, vijfde lid, Woo. Van de toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel c, Awb is sprake als het bestuursorgaan op grond van artikel 4.2, tweede lid, of artikel 2.3, tweede lid, Woo een document bij een derde vordert.

 

Derde, vierde en vijfde lid

Het derde, vierde en vijfde lid, eerste volzin, zijn ongewijzigd ten opzichte van de regeling in de Wob, zij het dat de opschorting in de Woo eindigt op de dag waarop door de belanghebbende of belanghebbenden een zienswijze naar voren is gebracht of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken en in de Wob een dag eerder.

Deze bepalingen zien op de rol van derdebelanghebbenden in de procedure. Materieel worden de belangen van derden meegewogen in het al dan niet toepassing geven aan een uitzonderingsgrond voor de openbaarmaking van informatie. Procedureel worden derden beschermd doordat zij in staat worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen voordat een beslissing wordt genomen en doordat zij in bezwaar kunnen gaan tegen een beslissing. De formele rechtsbescherming van derden komt hier dan ook grotendeels overeen met hoe dat in de Wob in samenspel met de Awb geregeld is.

 

Bestuursorganen mogen op grond van het derde lid de termijn om te beslissen opschorten om een belanghebbende in staat te stellen een zienswijze naar voren te brengen onder toepassing van artikel 4:8 Awb. Als het bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken en verwacht dat een derde daartegen bezwaar heeft, regelt het vijfde lid dat de informatie wordt verstrekt twee weken na bekendmaking van het besluit. De belanghebbende kan dan tegen de beslissing bezwaar maken en een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter vragen teneinde de uitvoering van het besluit op te schorten. Aan deze keuzes ligt de overweging ten grondslag dat het wenselijk is dat derdebelanghebbenden zowel voordat een beslissing wordt genomen, als daarna hun belangen kunnen verdedigen, maar dat dit niet ten koste mag gaan van de snelle afhandeling van een verzoek om informatie.

Ten opzichte van de Wob is in het vijfde lid toegevoegd dat de openbaarmaking wordt opgeschort als de derdebelanghebbende een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maar op dat verzoek nog niet is beslist.

Zesde lid

In het zesde lid is bepaald dat een besluit om informatie te verstrekken waarbij een derde belanghebbende is, aan deze derde wordt medegedeeld. Ter waarborging van de proces-belangen van de derdebelanghebbende moet de mededeling aan de derdebelanghebbende gelijktijdig met de bekendmaking aan de verzoeker worden verzonden. De derdebelanghebbende heeft op grond van het vijfde lid twee weken om (pro forma) bezwaar te maken en een voorlopige voorziening tegen de verstrekking te vragen bij de bestuursrechter. Uit de redactie van dit lid volgt dat die mededeling ook wordt gedaan als de derdebelanghebbende niet onder toepassing van artikel 4:8 Awb om een zienswijze is gevraagd (bijvoorbeeld omdat uit jurisprudentie duidelijk is dat de gevraagde informatie niet kan worden geweigerd). Dan kan het toch prettig zijn voor de derde dat hij weet dat de betreffende informatie wordt verstrekt. Als de mededeling aan de derde achterwege blijft, kan dit een grond zijn om de termijnoverschrijding bij een eventueel later bezwaar verschoonbaar te achten zodat het bezwaar toch ontvankelijk is.

[1] Bijlage bij Kamerstukken II, 32802, nr. 1, en het hierop gebaseerde onderzoek in bijlage bij Kamerstukken II, 33328, nr. 10.