Artikel 10

Artikel 10 (Weigeringsgronden)

De documenten worden per zelfstandig onderdeel beoordeeld waarbij, naast artikel 11, alleen de hier opgenomen weigeringsgronden een reden kunnen vormen voor het (gedeeltelijk) niet verstrekken van informatie. Lid 1 bevat absolute weigeringsgronden die, indien aan de orde, moeten leiden tot geheimhouding. De in lid 2 opgenomen gronden zijn relatieve weigeringsgronden. Is daarvan sprake, dan dient een afweging plaats te vinden tussen het algemene belang van openbaarheid en het belang dat in lid 2 staat genoemd. Dat de omstandigheden soms nopen tot meer openbaarheid vormt nog altijd een uitzondering. Soms kan het gegeven dat bepaalde informatie al openbaar is, de afweging zodanig maken dat informatie geheim mag blijven. Is sprake van milieu-informatie, dan gaan sommige weigeringsgronden niet op of worden absolute weigeringsgronden gerelativeerd. In de wetteksten zijn links opgenomen naar toelichtende uitspraken bij de specifieke weigeringsgronden.

  1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
    a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
    b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
    c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
    d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

  2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
    a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
    b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
    c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
    d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
    e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
    f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;
    g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

  3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

  4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

  5. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.

  6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

  7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
    a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
    b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.

  8. Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.