Mediaforum

Van der Sluis in ‘Mediaforum’: Openbaarheid van overheidsinformatie; misbruik van alle kanten?!

Tijdens het goed bekeken Correspondents’ Dinner (10 februari 2016), maakte de minister-president een grap over de door de minister van Veiligheid en Justitie gehanteerde lakstift. Ook op internet verschenen de nodige ludieke berichten over het zwart gelakte menu van het diner of een Wob-verzoek van één van de tafelgasten van de minister-president.1 Eén van de tekenen dat transparantie van overheidsinformatie in het algemeen en de Wet openbaarheid van bestuur in het bijzonder in de belangstelling staan. Buiten het lakgedrag van een minister of andere bestuursorganen – wat door een enkeling als Wob-misbruik wordt bestempeld2 – komt vooral ook het Wob-misbruik door de verzoekende partij veelvuldig in het nieuws. De Dordtse veelschrijver krijgt de nodige aandacht3 en ook de verzoeker wiens kennelijke drijfveer financieel gewin is. Het leidt tot een stroom aan jurisprudentie en een roep om wetgeving. Dat laatste niet alleen door belangenorganisaties als de VNG4, maar ook zelfs al door de rechter5.

Met een tweetal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 februari 20166 is het m.i de vraag of die wetgeving, die al in het vooruitzicht wordt gesteld door het wetsvoorstel Wet open overheid7 (WOO) of het wetsvoorstel Voorkoming misbruik Wet openbaarheid van bestuur8, nodig is.

Met de WOO moet de Wet dwangsom (paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht) worden losgekoppeld van de Wob (art. 8.4 WOO9). Dit wordt ook beoogd met het wetsvoorstel Voorkoming misbruik Wob. Bij de behandeling van dit laatste voorstel, is van de zijde van de Kamer al de nodige kritiek gekomen over het nut en noodzaak en het doen laten lijden van de goedwillende Wob-verzoekers onder de kwaden.10 Bovendien wordt in de WOO een antimisbruikbepaling voorgesteld (art. 4.6 WOO11).

Zonder de Wet voorkoming misbruik en de andere onderdelen van de WOO tekort te willen doen, lijkt het veel betrokkenen vooral te doen om de twee voornoemde bepalingen, die ik kort bespreek. Hoewel het bijzonder blijft dat de overheid een kennelijke dreiging van een ‘boete’ nodig heeft om tijdig aan een wettelijke termijn te voldoen, heeft dit instrument wel zijn waarde bewezen. Ik wijs voor nu kort naar het onderzoek van Schueler e.a. uit 2013 naar de werking van onder andere dit instrument.12 Hieruit blijkt onder meer dat er een preventieve werking van uit gaat (termijnoverschrijdingen zijn duidelijker zichtbaar en kwantificeerbaar, mogelijke reputatieschade van persoon of organisatie versterkt de aandacht voor tijdigheid) en stellen de onderzoekers dat ongewenste neveneffecten – zoals misbruik van de dwangsom door het indienen van oneigenlijke Wob-verzoeken – aandacht verdienen, maar niet zodanig dat afschaffing ervan de uitkomst moet zijn.13 De preventieve werking is duidelijk merkbaar in de praktijk. Een meer negatieve werking – een gebrekkig besluit is ook tijdig – komt aan de andere kant ook wel voor.14 Het tweede, meer negatieve aspect is ook bekend en heeft dan ook geleid tot een stroom van jurisprudentie. Op 19 november 2014 gaf de Afdeling bestuursrechtspraak duidelijkheid hierover: artikel 3:13 in relatie met 3:15 van het BW heeft gevolgen voor de bestuursrechtelijke rechtsbetrekking die voortvloeit uit het recht om een Wob-verzoek te doen.15 Misbruik van recht kan blijken uit de wijze waarop Wob-verzoeken worden ingediend en kan tot gevolg hebben dat iemand niet-ontvankelijk is in een bestuursrechtelijke procedure (bezwaar en beroep).

Tot 17 februari jl. bleef evenwel onduidelijk wat dat misbruik van recht nu kon betekenen voor het wel of niet moeten behandelen van Wob-verzoeken. Misbruik kan immers pas worden vastgesteld na verloop van tijd – in beginsel bij een specifieke procedure – hetgeen betekent dat ieder verzoek op zichzelf moet worden beschouwd en behandeld, met alle bijkomende behandelkosten.16 Met voornoemde uitspraken over de werkwijze van het al veel genoemde VVD-raadslid Meerts 17 hoeft dat in principe niet meer. De Afdeling laat immers de besluiten tot buiten behandeling stelling in stand. De uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant (niet gepubliceerd) worden vernietigd. Bij misbruik – dat uit feiten en omstandigheden moet blijken – kan een Wob-verzoek dan ook buiten behandeling worden gelaten. Daarmee geven de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk Wetboek een aanvullende reden, bovenop de in artikel 4:5 Awb genoemde redenen (of ziet de Afdeling het als een invulling van de reden onder a?), om een aanvraag buiten behandeling te laten. Of wetgeving nog nodig is, is wat mij betreft de vraag. Het heeft wellicht de voorkeur dit rechtersrecht te codificeren. Te denken valt aan een aanvulling van artikel 4:5 van de Awb met een d-grond waaruit volgt dat bij misbruik van recht een aanvraag niet hoeft te worden behandeld. De Wob kan dan met rust worden gelaten. Dat wetje functioneert wat mij betreft immers naar behoren en niet valt uit te sluiten dat een antimisbruikbepaling in de Awb ook voor andere terreinen nuttig kan zijn.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *