GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeenstem’: Wob-misbruik; buiten behandeling laten verzoek lijkt een optie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 februari 2016

  1. De hier opgenomen uitspraak is (samen met een uitspraak op dezelfde dag waarbij B&W van de gemeente Geldrop-Mierlo was betrokken, ECLI:NL:RVS:2016:397) baanbrekend te noemen voor de overheidspraktijk voor de wijze waarop met (vermeend) Wob-misbruik kan worden omgegaan. De Afdeling lijkt het immers mogelijk te achten dat een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) bij misbruik van recht buiten behandeling kan blijven.
  2. Niet nieuw is dat een burger misbruik kan maken van zijn bevoegdheid om bij de overheid aanvragen en verzoeken in te dienen. In civiele zaken kan misbruik van bevoegdheid leiden tot een verbod of een beperking van de mogelijkheid om aanvragen en verzoeken in te dienen nu dergelijk misbruik als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt (zie bijv. Hof Den Haag 28 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:75, AB 2014/197, m.nt. R. Stijnen, Gst. 2014/59, m.nt. C.N. van der Sluis en M.A.J. West, r.o. 2.3). Bekend is ook dat in bestuursrechtelijke zaken misbruik van recht kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van degene die bezwaar of beroep tegen een bepaald besluit heeft ingesteld (zie de vele jurisprudentie maar onder andere ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, AB 2015/93, m.nt. E.C. Pietermaat, JB 2014/246, m.nt. J. Korzelius en Y.E. Schuurmans, Gst. 2014/124, m.nt. C.N. van der Sluis en M.A.J. West, en ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3587). Op grond van bepaalde gedragingen in het voortraject – veelal tijdens de behandeling van het verzoek om informatie en de procedures die daarop volgen, soms gecombineerd met het businessmodel van de gemachtigde – komt de Afdeling dan veelal tot de conclusie dat:
    “[gemachtigde] de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft gebruikt met kennelijk geen ander doel dan ten laste van de overheid geldsommen te incasseren en dat hij die bevoegdheid derhalve heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven zodanig, dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Derhalve heeft hij misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dit beroep niet los kan worden gezien van het doel waarmee [gemachtigde] de Wob heeft gebruikt. Deze handelwijze moet aan [wederpartij] worden toegerekend, aangezien [gemachtigde] de betrokken handelingen namens [wederpartij] heeft verricht en [wederpartij] hem daartoe heeft gemachtigd. De rechtbank heeft niet onderkend dat het beroep van [wederpartij] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar alsmede zijn beroep tegen het besluit (…) misbruik van recht inhouden en dat deze beroepen reeds daarom niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard.”
    Overigens kennen we inmiddels ook de strafrechtelijke im- pact van Wob-misbruik, het kan leiden tot een veroordeling vanwege valsheid in geschrifte (Rb. Rotterdam 2 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1568).
  3. Zoals al meerdere keren (zie onder andere de naschriften onder Gst. 2014/124, Gst. 2016/126, Gst. 2016/127 en Gst. 2016/128) opgemerkt op deze plaats, is de enkele stel- ling dat sprake is van misbruik van bevoegdheid niet toereikend. Degene die zulks stelt, zal een dossier moeten kunnen overleggen dat het hiervoor opgenomen citaat daadwerkelijk ondersteunt. Drie elementen lijken van belang voor het ‘dossier’. Ten eerste moet inhoudelijk aanleiding zijn om van misbruik te spreken. Dat volgt bijvoorbeeld uit onbekendheid van de gemachtigde met de reden waarom de informatie wordt gevraagd en het doen van het verzoek bij vele bestuursorganen (ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118, AB 2016/34, m.nt. P.J. Stolk, JB 2015/190, Gst. 2015/127, m.nt. dzz.), of het niet kunnen duiden van het verband tussen het vermeende doel en het verzoek zelf (vgl. Rb. Limburg 2 februari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:821). Voor de duidelijkheid, het aantal verzoeken is niet doorslaggevend (ABRvS 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2997, AB 2015/409, m.nt. P.J. Stolk, Gst. 2015/126, m.nt. dzz.). Ten tweede vormt een financiële component een duidelijke aanleiding in de jurisprudentie om misbruik aan te nemen of niet. Zo is sprake van misbruik in geval de verzoeker het voorstel doet om de afhandeling van het verzoek af te kopen (ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2311) of de vergoeding van de gemachtigde afhankelijk is van de proceskostenvergoeding (voornoemde uitspraak van 7 oktober 2015). Ten derde vormt de aard van de verzoeker en/of diens gemachtigde een belangrijke indicator. Buiten het zojuist genoemde businessmodel van de gemachtigde, is een factor van betekenis dat sprake is van een repeat player (zie Rb. Limburg 2 februari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:821), zeker als deze ook de andere wettelijke mogelijkheden kent om informatie te vergaren (ABRvS 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2995, Gst. 2015/128, m.nt. dzz.). Het enkele feit dat iemand bezwaar maakt en niet even belt, is evenwel onvoldoende (ABRvS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:527).
  4. Voornoemde drie elementen laten zien dat een aanzienlijk aantal componenten om van misbruik te durven spreken, zich pas laten vaststellen gaandeweg het proces. De opstelling van de verzoeker of zijn gemachtigde – het verkeerd adresseren of niet reageren op berichten vanuit het bestuursorgaan – blijkt pas gedurende de rit. Mede gelet daarop was tot 17 februari 2016 niet duidelijk of het mogelijk was aanvragen – zoals verzoeken op grond van de Wob – bij voorbaat buiten behandeling te laten, ogenschijnlijk op grond van artikel 4:5 Awb.
  5. Het indienen van een Wob-verzoek is het doen van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 lid 1 Awb. Hieruit volgt dat, in aanvulling op de WOB, ook de Awb eisen stelt en een kader geeft. De wet stelt eisen aan een aanvraag, het leidt tot een besluit waartegen in de regel bezwaar en beroep openstaat én het kan betekenen dat de aanvraag onder bepaalde omstandigheden buiten behandeling wordt gelaten. Dat laatste is hier voor nu van belang. Artikel 4:5 Awb geeft een aantal mogelijkheden tot buiten behandeling laten van een aanvraag voor een beschikking. Dit is mogelijk indien (a.) de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of (b.) de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of (c.) de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. De aanvrager moet altijd de gelegenheid hebben gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
  6. In eerdere jurisprudentie was al verkend of deze drie mogelijkheden ook de weg bieden voor het buiten behandeling laten van een Wob-verzoek. De Rechtbank Oost-Brabant meende dat dit niet kon (Rb. Oost-Brabant 26 april 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3250, AB 2013/323, m.nt. R. Stijnen, JB 2013/179, m.nt. T.J. Poppema en M.C.T.M. Sonderegger, Gst. 2013/87, m.nt. dzz.). Ook was de Rechtbank Rotterdam meer recent nog deze mening toegedaan (Rb Rotterdam, 16 december 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9885). Die laatste uitspraak stond vervolgens centraal in de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015 (ABRvS 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3833). Hierin leek de Afdeling de Rechtbank Rotterdam te volgen, al maakte de Afdeling in die uitspraak duidelijk dat de bevoegdheid voor het indienen van een Wob-verzoek – en dus niet alleen het voeren van een procedure naar aanleiding van een dergelijk verzoek – kan worden misbruikt. Vreemd genoeg besprak de Afdeling dus niet de uiteenzetting van de Rechtbank Rotterdam over het al dan niet buiten behandeling kunnen laten, zodat nog openbleef of misbruik van recht nu dat gevolg zou kunnen hebben.
  7. Ook in civiele procedures over Wob-misbruik werd deze heersende opvatting van de bestuursrechters – buiten behandeling stellen is een brug te ver – als uitgangspunt genomen. Zo stelde het Hof Arnhem-Leeuwarden op 3 november 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:8257) nog: “In bestuursrechtelijke zaken aanvaardt ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat er sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid, waaraan de Afdeling in concrete situaties wel de consequentie verbindt dat een partij niet ontvankelijk is in het tegen een bepaald besluit ingesteld hoger beroep (vgl. ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129)”. In de literatuur (vgl. onder meer het artikel van T. Barkhuysen in NJB 2014/1675 en van A. Hopman in de Gst. 2013/133) en in de vele commentaren en annotaties die zijn verschenen naar aanleiding van voormelde uitspraken wordt eveneens aangenomen dat het mogelijk is om binnen het bestuurs- recht misbruik te maken van een bevoegdheid. De Centrale Raad van Beroep is, anders dan de Afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, van oordeel dat het wettelijk systeem zich verzet tegen het (buiten de in artikel 4:5 Awb genoemde gevallen) buiten behandeling laten van een aan- vraag of bezwaarschrift (vgl. onder meer de uitspraak van 1 maart 2010 (AB 2010/100, r.o. 4.6). Over de vraag of artikel 3:13 BW toepassing vindt in het bestuursrecht laat de Centrale Raad zich in deze en andere vergelijkbare uitspraken verder niet expliciet uit. Vreemd aan deze overweging is dat het Hof lijkt te veronderstellen dat de Afdeling al – in aanvulling op de in art. 4:5 Awb genoemde gevallen – bui- ten behandeling stellen mogelijk achtte. Mij is geen eerdere uitspraak bekend dan de hier opgenomen uitspraak. In deze uitspraak wordt immers de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (niet gepubliceerd) vernietigd. De rechtbank had de beroepen tegen de ongegrondverklaringen van de bezwaren tegen de besluiten tot buiten behandeling stelling gegrond verklaard en gaf daarmee de gemeentebesturen de opdracht alsnog op de verzoeken om informatie te beslissen. De redenen om hier misbruik aan te nemen zijn uiteengezet in de overwegingen 3.1 tot en met 3.3. De Afdeling bespreekt het businessmodel: gemachtigde is partner van (voert een gezamenlijke huishouding met) verzoeker en drijft een juridisch adviesbureau, de kosten voor juridische bijstand zijn afhankelijk van de proceskostenvergoedingen, de financiële belangen zijn niet te scheiden. Daarnaast acht zij het aantal en de aard van benaderde bestuursorganen (alle gemeenten behalve in Limburg) van belang. Ook de aard en het doel van het verzoek (de onwetendheid van de reden van het verzoek om deze informatie, vaagheid van het verzoek zelf, onduidelijke verhouding tot een gesteld doel) en de opstelling van verzoeker (geen gehoor geven aan oproeping en niet laten vertegenwoordigen) leggen tot slot gewicht in de schaal.
  8. Overigens blijft onduidelijk op welke grondslag de Afdeling het buiten behandeling laten nu mogelijk acht. Ogenschijnlijk lijkt artikel 4:5 Awb geen mogelijkheid te bieden om vanwege misbruik een aanvraag buiten behandeling te laten. Wellicht dat het te lezen valt in de a-categorie (niet voldaan aan enig wettelijk voorschrift), maar dat is toch meer bedoeld voor het niet voldoen aan wettelijke indieningsvereisten (niet gebruiken van een formulier als in artikel 4:4 Awb bijvoorbeeld). In zoverre heeft de Afde- ling dus wellicht bewust niet expliciet willen bespreken op welke grond buiten behandeling kan worden gelaten en introduceert zij, buitenwettelijk, de aanvullende grond van artikel 3:13 juncto 3:15 BW. Hoewel m.i. praktisch en nuttig, lijkt het eerder aangewezen dit specifiek te regelen voor het bestuursrecht door een d-categorie te introduceren waaruit volgt dat de aanvraag ook buiten behandeling kan worden gelaten indien het bestuursorgaan aannemelijk maakt dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Artikel 4.6 van de Wet open overheid (Kamerstukken II 2013/14, 33328, nr. 8) (de anti- misbruikbepaling daarin) vult dit nog aan met de zinsnede “of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft”. Dat lijkt me onnodig nu een verzoek om informatie over iets anders dan een bestuurlijke aangelegenheid al niet onder de WOB valt. Voor een meer generieke regeling pleit de mij niet ondenkbare situatie dat misbruik van recht ook in andere gevallen zou moeten kunnen leiden tot het buiten behandeling laten van een aanvraag.
  9. Is daarmee alles duidelijk en makkelijk geworden? Nou nee, de noodzaak van een goed en overtuigend dossier om misbruik van bevoegdheid aan te tonen blijft noodzakelijk. Sommige elementen zoals hiervoor genoemd kunnen bij binnenkomst van een verzoek al worden vastgesteld. Veel elementen behoeven evenwel het nodige onderzoek (doel van het verzoek, businessmodel, hoeveelheid aangeschreven bestuursorganen), wat de beslistermijn van vier weken (te verdagen met nog eens vier weken) onverlet laat. Daarnaast zijn er elementen die zich pas na het in behandeling nemen en besluiten laten vaststellen (proceshouding en moedwillig aansturen op termijnoverschrijding). Het blijft dus zoeken naar voldoende feiten om tijdig een dossier rond te hebben om het besluit te kunnen onderbouwen waarmee een Wob-verzoek buiten behandeling kan worden gelaten wegens misbruik van bevoegdheid. Zoals al gememoreerd, de jurisprudentie laat ook zien dat het enkel maken van bezwaar onvoldoende is voor het stellen van misbruik en dus het buiten behandeling laten (ABRvS 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:527). Ook de ongefundeerde stelling dat een verzoek niet precies genoeg is, maakt een besluit tot buiten behandeling stellen rijp voor vernietiging (ABRvS 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:659).

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft het college een verzoek van om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur buiten behandeling gelaten. Het college heeft ter zitting van de Afdeling betoogd dat [wederpartij] en [directeur], die samen een huishouding voeren, een constructie hebben opgezet om via de Rechtspraktijk over door [wederpartij] ingediende Wob-verzoeken te procederen en daarmee inkomsten te genereren. Volgens het college komt deze werkwijze neer op misbruik van recht. Uit het voorgaande volgt dat [weder- partij] en [directeur] de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Derhalve hebben zij misbruik van een wettelijke bevoegdheid gemaakt. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep bij de rechtbank in te stellen, nu dat beroep niet kan worden los gezien van het doel waarmee zij de Wob hebben gebruikt. De rechtbank had hierin aanleiding moeten zien het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 mei 2015 in zaak nr. 14/4404 in het geding tussen: [wederpartij]
en
het college.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) buiten behandeling gelaten.
Bij besluit van 11 november 2014 heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2014 vernietigd, bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt en het college veroordeeld in de bij [weder- partij] in beroep opgekomen proceskosten. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 14 juli 2015 heeft het college opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar beslist, het besluit van 30 juni 2014 ingetrokken en informatie openbaar gemaakt.
[wederpartij] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 december 2015, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Th.H.J.H. Broekman, mr. M.P.H. Gofers en mr. A.P.J.L. Keijzers, is verschenen. Als door de Afdeling opgeroepen getuige is verschenen en gehoord [directeur], directeur van [Rechtspraktijk), gevestigd te [plaats].

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid behoeft de verzoeker bij zijn verzoek geen belang te stellen.
    Ingevolge artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
    Ingevolge het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ingevolge artikel 15 vindt artikel 13 buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
  2. Bij brief van 28 mei 2014 heeft [wederpartij] het college op grond van de Wob verzocht om stukken over de aanstelling of benoeming van de burgemeester en de gemeentesecretaris of de algemeen directeur alsmede eventuele wijzigingsbesluiten. Voorts heeft zij verzocht om de akten of besluiten van aanstelling of benoeming van alle opsporingsambtenaren, met een maximum van drie, die aan de gemeente zijn verbonden of ten behoeve van de gemeen- te werken, hun actuele akten van opsporingsbevoegdheid en hun akten of besluiten van beëdiging.
  3. Het college heeft ter zitting van de Afdeling betoogd dat [wederpartij] en [directeur], die samen een huishouding voeren, een constructie hebben opgezet om via de Rechtspraktijk over door [wederpartij] ingediende Wob-verzoeken te procederen en daarmee inkomsten te genereren. Volgens het college komt deze werkwijze neer op misbruik van recht.
    1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014 in zaken nrs. 201311752/1/A3 en 201400648/1/A3), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn ge- geven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
      Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 februari 2015 in zaken nrs. 201309592/1/A3 en 201309596/1/A3), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
    2. Het voor [wederpartij] ingediende bezwaarschrift, beroepschrift en hogerberoepsschrift zijn namens de Rechtspraktijk ondertekend door een bij de Rechtspraktijk werkzame jurist. [directeur] is directeur van de Rechts- praktijk. De Rechtspraktijk maakt deel uit van de [vennootschap], waarvan [directeur], zoals hij ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd, enig aandeelhouder is.
      [directeur] heeft verder verklaard dat hij en [wederpartij] partners zijn en een gezamenlijke huishouding voeren en dat [wederpartij], voordat zij kinderen met hem kreeg, als jurist bij de Rechtspraktijk heeft gewerkt. Voorts heeft hij verklaard dat zij Wob-verzoeken, alle luidend zoals in 2 weergegeven, heeft ingediend bij de besturen van alle ge- meenten in Nederland, behalve bij die van de gemeenten in Limburg, en dat hij haar met de Wob-verzoeken heeft geholpen en haar heeft geadviseerd.
      In de Wob-verzoeken worden stukken over de aanstelling of benoeming van de burgemeester en de gemeentesecretaris gevraagd. [directeur] heeft verklaard dat hij niet weet waarom om deze stukken is gevraagd. Ten aanzien van de gevraagde stukken over de opsporingsambtenaren heeft [directeur] verklaard dat [wederpartij] deze wil gebruiken voor het opzetten van een eigen rechtspraktijk op het gebied van gemeentelijke boetes. Volgens hem is het voor een dergelijke praktijk waardevol om te weten of gemeentelijke opsporingsambtenaren deugdelijk zijn aangesteld en beëdigd.
      [wederpartij] heeft de Rechtspraktijk en haar medewerkers bij schriftelijke machtiging van 4 juni 2014 gemachtigd om haar te vertegenwoordigen en alle handelingen te verrichten om besluiten op haar Wob-verzoeken in rechte te bestrijden, waartoe volgens deze machtiging behoort het aanwenden van rechtsmiddelen, het opkomen tegen het uitblijven van besluiten en het bestrijden van onjuiste of uitgebleven besluiten op bezwaar, onjuiste of uitgebleven beslissingen over proceskostenvergoedingen en onjuiste of uitgebleven dwangsombesluiten. Tevens strekt deze machtiging tot het voor haar aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten en dwangsommen. In haar nadere stuk van 4 december 2015 heeft [wederpartij] te kennen gegeven dat zij met de Rechtspraktijk heeft afgesproken dat de hoogte van de kosten van de haar verleende rechtsbijstand op hetzelfde bedrag wordt gesteld als dat van eventuele proceskostenvergoedingen die het college haar is verschuldigd. [directeur] heeft ten aanzien van de door [wederpartij] verschuldigde griffierechten verklaard dat deze door de Rechtspraktijk worden voorgeschoten, dat hij niet weet wat de Rechtspraktijk zou doen bij verlies van een zaak en dat daarover geen afspraak is gemaakt.
    3. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het geheel aan feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigt dat het door het college gestelde misbruik van recht zich voordoet. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend.
      De Afdeling overweegt hiertoe allereerst dat [wederpartij] is opgeroepen om in persoon ter zitting te verschijnen. Zij heeft aan deze oproeping geen gehoor gegeven en heeft zich evenmin laten vertegenwoordigen. Aldus is de Afdeling verhinderd om haar vragen omtrent de mogelijk misbruik opleverende omstandigheden te stellen. De Afdeling beschikt dus alleen over de antwoorden die [directeur] ter zitting heeft gegeven.Uit hetgeen in 3.2 is weergegeven, leidt de Afdeling af dat in het onderhavige geval de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen is gebruikt met kennelijk geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren. Voor zover het gaat om proceskosten, geschiedt dit doordat over de besluiten naar aanleiding van de Wob-verzoeken via de rechtspraktijk van [directeur], de partner van [wederpartij], wordt geprocedeerd, waarbij weliswaar een derde namens de rechtspraktijk processtukken tekent, maar de stukken zelf worden opgesteld met inhoudelijke betrokkenheid van [directeur].
      Bij de waardering van de in 3.2 weergegeven feiten en omstandigheden acht de Afdeling in het bijzonder van belang dat [directeur] heeft verklaard dat hij niet weet waarom om de stukken met betrekking tot de burgemeester en de gemeentesecretaris is gevraagd. Ten aanzien van de stuk- ken over opsporingsambtenaren acht de Afdeling niet aannemelijk dat juist de door [wederpartij] gevraagde gegevens benodigd zouden zijn voor een rechtspraktijk van [wederpartij] die nog niet bestaat.
      Verder valt op dat geen verzoeken zijn ingediend bij gemeentebesturen in de provincie Limburg, terwijl [wederpartij] en [directeur] in deze provincie wonen en [Rechtspraktijk] hier is gevestigd. [directeur] heeft hiervoor ter zitting geen bevredigende verklaring gegeven.
      Ook is van belang dat de formulering van de Wob-verzoeken vaag is. Onduidelijk is bijvoorbeeld wat wordt bedoeld met “stukken over de aanstelling of benoeming van de burgemeester” en “stukken over de aanstelling of benoeming van de gemeentesecretaris”. De vaagheid van de verzoeken doet afbreuk aan het gestelde doel ervan en maakt de op de ver- zoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures.
      Ten slotte is van belang dat bij het indienen van en procederen over Wob-verzoeken op de hier aan de orde zijnde ma- nier, de financiële belangen van [wederpartij], [directeur] en de Rechtspraktijk niet zijn te onderscheiden. Deze samenloop van financiële belangen blijkt uit de door [wederpartij] gegeven machtiging, de gemaakte afspraak over de kosten van rechtsbijstand, het ontbreken van een afspraak over betaling van griffierechten en de omstandigheid dat [wederpartij] en [directeur] samenwonende partners zijn.
    4. Uit het voorgaande volgt dat [wederpartij] en [directeur] de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Derhalve hebben zij misbruik van een wettelijke bevoegdheid gemaakt. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep bij de rechtbank in te stellen, nu dat beroep niet kan worden losgezien van het doel waarmee zij de Wob hebben gebruikt. De rechtbank had hierin aanleiding moeten zien het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
      Het betoog slaagt.
  4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
  5. Bij besluit van 14 juli 2015 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen, zodat het reeds daarom dient te worden vernietigd.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 mei 2015 in zaak nr. 14/4404;
III. verklaart het beroep in die zaak niet-ontvankelijk;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten van 14 juli 2015, kenmerk 2015.12178.