Artikel 4.7

Wat doet de Woo-contactpersoon?

Op 1 mei aanstaande treedt de Woo in werking. Met ingang van deze datum zijn bestuursorganen ook verplicht om op grond van artikel 4.7 van de Woo een of meerdere contactpersonen aan te wijzen die vragen kunnen beantwoorden over de beschikbaarheid van publieke informatie. Over de manier waarop bestuursorganen deze nieuwe functie moeten invullen, is veel open gelaten door de wetgever.

Wat ging er aan vooraf?
In het oorspronkelijke wetsvoorstel van de Woo was een documentenregister opgenomen. Verzoekers zou het daarmee makkelijker worden gemaakt om inzicht te krijgen in wat er allemaal aan documenten aanwezig is bij een bestuursorgaan. Een verzoek zou dan ook specifieker kunnen zijn. Dit moest het voor bestuursorganen ook makkelijker maken om verzoeken af te handelen. Het documentenregister is fel bekritiseerd, onder andere door de VNG, omdat er nog veel over onduidelijk was voor de praktijk. In deze column was Cornelis van der Sluis ook duidelijk geen voorstander. Dit wordt ook nog eens besproken in dit uitgebreidere artikel. Naar aanleiding van de kritiek is het documentregister geschrapt. Als wisselgeld is daarop de Woo-contactpersoon in het leven geroepen (zie o.a. ook dit artikel hierover).

Formeel volgens de wet
Zoals gezegd volgt uit artikel 4.7 dat elk bestuursorgaan een of meerdere Woo-contactpersonen aanwijst. Deze functionaris moet vragen beantwoorden over de beschikbaarheid van publieke informatie. Hoewel deze handeling informeel overkomt, is de noodzaak van het ‘aanwijzen door  het bestuursorgaan’ erg formeel juridisch. Te meer nu – met de publiekrechtelijke grondslag in de wet – de wetgever ogenschijnlijk gewoon een bestuursorgaan in het leven heeft geroepen!

Informeel volgens de toelichting
Zo formeel is het evenwel niet bedoeld, zo kan uit de toelichting worden opgemaakt. De Woo-contactpersoon moet het bestuursorgaan op een laagdrempelige en klantvriendelijke wijze bereikbaar maken en antwoorden geven over de beschikbaarheid van publieke informatie. Een ‘simpel’ loket dus voor de informatie-zoekende externe.

Of toch ook wat formeler dan gedacht?
Toch gaat het wat verder. Want de toelichting ziet ook een mogelijkheid dat de Woo-contactpersoon informatie verstrekt, als het om een eenvoudig verzoek gaat waarbij geen uitzonderingsgronden van toepassing zijn en derde-belanghebbenden geen rol spelen. Dat vraagt dus wel kennis van de contactpersoon van de Woo – over de uitzonderingen – en een beoordelingsvermogen (of sprake is van belanghebbenden).

Als het gesprek met een Woo-contactpersoon ertoe leidt dat een groot aantal documenten wordt opgevraagd, dan zal de contactpersoon het verzoek moeten doorzetten naar de personen die normaal gesproken de Woo-verzoeken afhandelen.

Dit alles vraagt dus de nodige kennis van de contactpersoon over de uitzonderingen van hoofdstuk 5 en het bepalen van wie een belanghebbende is. En als het gaat om verstrekken van documenten dan lijkt dat toch verdacht veel op een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat.

Zet hem/haar in de spotlight!
Overigens verplicht artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e bestuursorganen op termijn om de bereikbaarheid bekend te maken van het bestuursorgaan. Ook moet duidelijk worden gemaakt op welke wijze een verzoek om informatie kan worden ingediend. Het ligt voor de hand hierbij zeker ook de contactgegevens van de Woo-contactperso(o)n(en) duidelijk te vermelden.

Kortom
Of het dejuridiserend effect van de Woo-contactpersoon dat de initiatiefnemers voor ogen hadden dus gerealiseerd wordt is de vraag. In elk geval niet direct door het ‘instellen’ van de functie en de plicht tot het aanwijzen van de persoon. Wel mogelijk wat betreft de invulling. Want dat de overheid een mens van ‘vlees en bloed’ wordt, is in de praktijk van het afdoen van verzoeken vaak nuttig gebleken.

Wel zal worden verwacht dat de contactpersoon goed op de hoogte is van de informatie die het bestuursorgaan in haar bezit heeft en dus ook een actieve voorlichtingsfunctie vervult. Het idee is dat de verwachte benodigde capaciteit 0,2, 0,4, en 1,0 Fte zal zijn voor respectievelijk kleine, middelgrote en grote bestuursorganen. Of dat juist zal blijken te zijn, mede vanwege het mogelijk (toch ook) moeten gaan besluiten op verzoeken, kan worden betwijfeld.