GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: Wmo-dossiers en de bijzondere regeling van het BW

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 november 2018

 

  1. Een om meerdere redenen voor de (gemeente-)praktijk relevante uitspraak die plaatsing en bespreking rechtvaardigt. In dit naschrift wordt de volgorde van de uitspraak aangehouden bij het bespreken van de relevante aspecten.
  2. Wob-verzoek?

  3. Een eerste onderwerp van bespreking is de vraag of het verzoek om informatie over toekenningen op grond van de Wmo zich kwalificeerde als een verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (‘Wob’). De rechtbank meende dat zij het primaire standpunt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag kon volgen. Dat resulteerde in een tussenstand, inhoudende dat geen sprake zou zijn van een Wob-verzoek. De redenering die hieraan ten grondslag lag, was dat verzoeker de gegevens heeft opgevraagd in het kader van zijn aanvragen en procedures om Wmo-voorzieningen. Dat maakte dat dus geen sprake zou zijn van een Wob-verzoek, het besluit op de aanvraag dus geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit zou opleveren en dus het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
  4. De Afdeling is snel klaar met deze redenering. Verzoeker stelt simpelweg dat de enige intentie was een Wob-verzoek te richten aan het college. Zijn doel was openbaarheid voor een ieder, zoals de Wob ook beoogt in de hand te werken. Bijkomend argument was dat het ook ging om informatie van anderen dan zijn eigen gegevens. De Afdeling acht dit overtuigend genoeg om van een Wob-verzoek te kunnen spreken.
  5. Hoewel in Wob-termen inderdaad een logische redenering van de Afdeling, is die – zeker ingegeven door alle misbruik-jurisprudentie – niet zo vanzelfsprekend. Inmiddels zijn immers uitspraken bekend waarbij kritischer wordt gekeken naar de (mogelijke) motieven van de verzoeker of de samenhang met andere procedures. De lijn die daaruit kan worden gedestilleerd is dat – net als in de hier opgenomen uitspraak – sprake moet zijn van de doelstelling van verzoeker om openbaarmaking voor eenieder (ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:848). Louter inzage in het eigen dossier Jeugdzorg maakt dus dat geen sprake is van een Wob-verzoek (ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:983) en ook het enkel stellen van vragen of het innemen van standpunten maakt dat de Wob niet van toepassing is (ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2111 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2716, AB 2018/341, m.nt. P.J. Stolk). Lastiger voor de praktijk wordt het als een Wob-verzoek volgt gedurende een andere (bestuursrechtelijke) procedure. De lijn daarbij lijkt vooralsnog te zijn dat een verzoek naar “op de zaak betrekking hebbende stukken” zich niet kwalificeert als een Wob-verzoek (zie hierover HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:245, AB2018/245, m.nt. P.A. Flutsch en de arresten van de HR van 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1371, ECLI:NL:HR:2018:1316 en ECLI:NL:HR:2018:1319). De weg van de Awb is dan leidend (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2431), al lijkt dat soms genuanceerd te liggen (ABRvS 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:589). Andere informatie dan de “op de zaak betrekking hebbende stukken” is wel op te vragen via de Wob (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2421, AB 2018/372, m.nt. P.J. Stolk).
  6. Wob of BW?

  7. Vervolgens wordt het verzoek ‘omgevormd’ tot een verzoek naar Wmo-dossiers en overige informatie. Die overige informatie zou niet bestaan en in zoverre kan het verzoek om die reden worden afgewezen. Dat die informatie er wel zou (moeten) zijn is niet (genoegzaam) gesteld en daarmee is de kous af.
  8. Wat het Wmo-dossier betreft wordt een onderscheid gemaakt naar een viertal soorten gegevens. De eerste die daarbij in het oog springt is de categorie “Sociaal medisch-adviezen en functioneringstabellen”. Wat deze informatie betreft, overweegt de Afdeling dat sprake is van een dossier, bedoeld in artikel 7:454 BW. Het gaat dan om een dossier met betrekking tot de behandeling van een patiënt dat de hulpverlener moet inrichten. In zo’n dossier zijn aantekeningen te vinden van gegevens over de gezondheid van de patiënt en de uitgevoerde verrichtingen van de hulpverlener en overige stukken die nodig zijn voor een goede hulpverlening. Over zo’n dossier en de daarin opgenomen informatie geeft artikel 7:457, eerste lid BW een geheimhoudingsplicht van de hulpverlener die, tenzij een bijzondere wet anders regelt, alleen komt te vervallen indien de patiënt toestemming geeft. Een dwingende regeling derhalve met een duidelijk omschreven omstandigheid wanneer geen geheimhouding zou kunnen volgen. Artikel 7:458 BW stelt vervolgens dat de toestemming van de patiënt niet is vereist als de informatie wordt gebruikt ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid. Ook hierbij dus een sluitende regeling waarbij geheimhouding het uitgangspunt is. Gelet hierop komt de Afdeling tot de standaardoverweging dat sprake is van een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter, die voorgaat op de Wob. Als de informatie toch via de Wob benaderbaar zou zijn, wordt afbreuk gedaan aan de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener. Niet de gronden van de Wob worden dus ten grondslag gelegd aan het niet verstrekken – dit had het college gedaan – maar enkel het gegeven dat ingevolge artikel 2 van de Wob, niet de Wob maar het BW een dwingend kader voor het weigeren van een verzoek om verstrekking van deze informatie kent.
  9. Geheel nieuw is deze zienswijze van de Afdeling niet. Eerder oordeelde zij aldus (ABRvS 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2958). In dat geval ging het om een Wob-verzoek van RTL nieuws aan het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot openbaarmaking van gegevens uit het Digitaal Dossier Jeugdgezondheidszorg. Ook dat was een dossier als bedoeld in artikel 7:454 BW (zie ook ABRvS 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1878).
  10. Beoordeling per zelfstandig onderdeel

  11. Over de andere drie soorten gegevens uit het Wmo-dosser – de aanvragen, oproepen en besluiten – heeft het college wel terecht gekeken naar de uitzonderingsgronden van de Wob. Daarbij heeft het echter voor de documenten in hun geheel verwezen naar artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob – wat suggereert dat sprake zou zijn van bijzondere persoonsgegevens – en subsidiair naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob – stellende dat de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen in het geding is.
  12. Hoewel niet valt uit te sluiten dat sprake is van dergelijke gegevens in de documenten, heeft het college volgens de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat deze stukken geheel bestaan uit dergelijke gegevens. Een algemene motivering aan de hand van enkele voorbeelden ter illustratie en de stelling dat van een Wmo-dossier sprake is, is niet toereikend. De Afdeling maakt vervolgens duidelijk op welke wijze een weigering op grond van de Wob tot openbaarmaking gemotiveerd kan worden. Enerzijds kan dit door een motivering “per documentonderdeel”. Een weer net iets andere aanduiding dan de eerdere ‘preciseringsjurisprudentie’ van begin 2018 waar gesproken wordt van het “zelfstandig onderdeel van een document” (ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:314, AB 2018/110, m.nt. P.J. Stolk, 2018/60, m.nt. C.N. van der Sluis, JB 2018/36, m.nt. M.R. Kruisselbrink en ABRvS 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:715, AB 2018/129, m.nt. P.J. Stolk), maar hetzelfde zal zijn bedoeld. Een andere mogelijkheid van motiveren is per categorie documenten waarom de Wob zich tegen geanonimiseerde verstrekking daarvan verzet (zie ook ABRvS 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8264). Dat lijkt toch weer net iets anders dan de ook geaccepteerde vorm van motiveren voor een geheel dossier dat ogenschijnlijk bestaat uit verschillende soorten documenten (ABRvS 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3431). Gegeven het feit dat het in dat geval ging om een rijksrechercheonderzoek en ook het noemen van het soort documenten al te veel inbreuk maakte op belangen die de Wob beoogt te beschermen, zal daar het verschil hebben gemaakt.
  13. Inzagerechten Wmo 2015

  14. Overigens gaat deze uitspraak niet over de vraag in hoeverre de Wmo 2015 en de daarin geregelde inzagerechten als bijzondere uitputtende regeling ten opzichte van de Wob heeft te gelden. Dat is logisch nu het verzoeker niet ging om zijn eigen gegevens, het verzoek ziet immers op gegevens van alle inwoners. Hoewel jurisprudentie over de verhouding tussen de regeling zoals opgenomen in de paragrafen 5.2 en 5.3 Wmo 2015 en de Wob niet bekend zijn, ligt het in de lijn der verwachting dat die regeling als bijzondere regeling hebben te gelden als het gaat om inzage verzoeker van betrokkene zelf. De parallel met de regeling uit de Jeugdwet is immers snel gemaakt en daar is wel jurisprudentie over bekend. De Afdeling stelde daarover vast dat de Jeugdwet, met artikel 7.3.10 een regeling vormt die voorgaat op de Wob (ABRvS 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:983, AB 2018/212, m.nt. W.S. Zorg, G.E. Creijghton-Sluyk, 2018/95, m.nt. C.N. van der Sluis en T.G.J. van Anrhem).

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om informatie over toekenningen op grond van de Wmo van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2017 gedeeltelijk afgewezen.

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2018 in zaak nr. 17/5748 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om informatie over toekenningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2017 gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 6 maart 2017 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D. van Duuren, is verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming in werking getreden en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing. Het wettelijk kader, waaronder het relevante artikel van de Wbp, is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.

Verzoek

2. Bij brief van 13 februari 2017 heeft [appellant] bij het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) een verzoek om informatie ingediend over toekenningen op grond van de Wmo, betreffende:

1) Gegevens van alle andere inwoners van de stad, vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2017, waaronder alle gespreksverslagen, besluiten, de inhoud van dossiers, per indeling onder welk kopje de zaken geboekt zijn aangaande de Wmo15.

2) Alle adviezen van de GGD en het aantal adviezen dat is gevraagd door de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten.

3) Gegevens over de reden van toekenning van verhuiskosten aan anderen en de motivering daarvan.

4) Gegevens over het aantal keren dat een airconditioning is toegekend.

5) Gegevens over het aantal keren dat een verhuiskostenvergoeding is toegekend inzake overlast van buren.

6) Gegevens over het aantal keren dat isolatiemateriaal is geplaatst, bijvoorbeeld op ramen of om het geluid van een cv-ketel tegen te houden.

7) Gegevens over de interne instructies over het zenden van gespreksverslagen aan burgers.

Besluitvorming college

3. Het college heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat het aantal verzoeken dat bij de GGD in het kader van de Wmo is aangevraagd over 2015 reeds openbaar is. Daarbij is een link verstuurd van de informatie. De aantallen aangevraagde adviezen in 2016 en januari 2017 zijn openbaargemaakt, omdat deze nog niet op internet waren gepubliceerd. Voor het overige is het verzoek afgewezen. Deze informatie bevat volgens het college informatie over de gezondheid van personen. Deze gegevens vallen onder de medische geheimhoudingsplicht, zoals bedoeld in artikel 457, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), en mogen daarom ook niet aan derden worden verstrekt. Reeds hierom verzetten de artikelen 10, eerste lid, aanhef en onder d, en 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob zich tegen openbaarmaking. Ook door het weglakken van persoonsgegevens wordt in strijd met de Wbp medische informatie openbaar gemaakt. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat in de gevraagde gegevens bijzondere kenmerken van personen staan die ook met het weglakken van persoonsgegevens zouden kunnen worden herleid tot personen. Informatie uit een Wmo-dossier bevat specifieke persoonlijke omstandigheden, waardoor dit zou kunnen worden herleid tot personen. Openbaarmaking van deze documenten leidt tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betreffende personen, die naar het oordeel van het college zwaarder weegt dan openbaarmaking voor een ieder. Voorts bestaan er geen documenten met betrekking tot het aantal vergoedingen voor verhuiskosten, airconditioning en isolatiemateriaal op grond van de Wmo, aangezien de beschikkingen niet volgens die categorieën zijn gelabeld. Ook een instructie over het zenden van gespreksverslagen aan burgers bestaat niet, aldus het college.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft het standpunt van het college in het verweerschrift gevolgd, dat het verzoek van [appellant] geen Wob-verzoek is. Uit het dossier volgt volgens de rechtbank dat [appellant] de gegevens heeft opgevraagd in het kader van zijn aanvragen en procedures om Wmo-voorzieningen. Nu het verzoek van [appellant] niet kan worden aangemerkt als een Wob-verzoek, is geen sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, zodat de reactie op dit verzoek geen besluit is in de zin van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het college had het bezwaar dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus de rechtbank.

Wob-verzoek

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn verzoek om informatie een Wob-verzoek is. Hij heeft de intentie gehad om een Wob-verzoek te doen en openbaarheid voor een ieder beoogd, zoals ook door de bezwaarschriftencommissie is vastgesteld.

5.1. [appellant] heeft een omvangrijk informatieverzoek bij het college ingediend dat hij als een Wob-verzoek heeft aangeduid. Verder heeft hij gesteld openbaarheid voor een ieder te beogen en richt het verzoek zich niet op hem betreffende gegevens.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] niet kan worden aangemerkt als een Wob-verzoek. Het bezwaar is dan ook ten onrechte door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

Conclusie hoger beroep en vervolg

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep beoordelen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.

7. [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens kan worden geweigerd omdat het om medische gegevens gaat. Het college kan met weglakking van de persoonsgegevens de Wmo-besluiten zodanig anonimiseren, dat deze gegevens niet zijn te herleiden tot personen en de persoonlijke levenssfeer niet in geding komt. Voor verstrekking komt in ieder geval in aanmerking het “besluit” en de passage “motivering”, aldus [appellant]. Dan kan door hem worden bezien wat is toegekend en waarom. Verder stelt hij dat de omstandigheid dat het college de dossiers niet heeft gelabeld volgens de door hem aangegeven categorieën, geen reden is om de gevraagde gegevens niet te verstrekken.

7.1. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de door het college overgelegde documenten overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft het Wob-verzoek terecht zo opgevat dat [appellant] heeft verzocht om informatie uit Wmo-dossiers. Onder verwijzing naar de overgelegde documenten heeft het college gesteld, hetgeen ter zitting van de Afdeling nog is toegelicht, dat een Wmo-dossier in beginsel is opgebouwd uit de volgende stukken:

A. een aanvraag voor een voorziening;

B. al dan niet een oproep voor een sociaal-medisch advies,

C. al dan niet een sociaal-medisch advies met als onderdeel “Rapportage arts” dat het verslag is van het gesprek tussen cliënt en arts, het gespreksverslag, en een door die arts ingevulde functioneringstabel Wmo;

D. een besluit inzake het toekennen van een voorziening.

Voor zover om meer dan die stukken is gevraagd, heeft het college genoegzaam onderbouwd dat gegevens over redenen en aantallen en een instructie over het zenden van gespreksverslagen aan burgers niet bestaan. [appellant] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Sociaal medisch-adviezen en functioneringstabellen (C)

7.2. Het sociaal medisch-advies en de functioneringstabel Wmo zijn aan te merken als een dossier, bedoeld in artikel 454 van Boek 7 van het BW. In artikel 457, eerste lid, van Boek 7 van het BW is vastgelegd dat de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener, behoudens in bij of krachtens de wet geregelde gevallen, alleen met toestemming van de patiënt kan worden opgeheven. Uit de laatste volzin van het eerste lid van dit artikel volgt dat de verstrekking van inlichtingen over de patiënt kan geschieden zonder in achtneming van de in de voorgaande volzinnen van dit artikellid bedoelde beperkingen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht. Daarbij moet volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling worden gedacht aan de voor artsen geldende verplichtingen tot het verstrekken van informatie aan derden krachtens de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken of de Quarantainewet (Kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, blz. 39).

Voorts volgt uit artikel 458 van Boek 7 van het BW dat, indien wordt voldaan aan de in dat artikel genoemde vereisten, zonder toestemming van de patiënt ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over de patiënt of inzage in de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt. Hierbij kan volgens de totstandkomingsgeschiedenis worden gedacht aan onderzoeken naar de oorzaken van ziekten, naar de kwaliteit van het medisch handelen of naar de effectiviteit van programma’s ter voorkoming van chronische ziekten (Kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, blz. 15). Verstrekking van medische gegevens voor onderzoek buiten het gebied van de volksgezondheid wordt niet bestreken door artikel 458 van Boek 7 van het BW. Daarvoor is dus steeds toestemming van de patiënt nodig.

Uit het vorenstaande volgt dat de artikelen 457 en 458 van Boek 7 van het BW een bijzondere openbaarmakingsregeling bevatten met een uitputtend karakter, die voorgaat op de Wob. Toepassing van de Wob zou afbreuk doen aan de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener. Het college heeft ten aanzien van de sociaal-medisch adviezen en functioneringstabellen ten onrechte de Wob van toepassing geacht. Het Wob-verzoek is in zoverre, zij het op onjuiste gronden, terecht afgewezen.

Het betoog faalt in zoverre.

Aanvragen (A), oproepen (B) en besluiten (D)

7.3. Zoals namens het college ter zitting van de Afdeling nader is toegelicht, is openbaarmaking van deze stukken integraal geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob neergelegde uitzondering voor bijzondere persoonsgegevens. Indien deze grond niet van toepassing zou zijn heeft het college zich beroepen op de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze stukken geheel bestaan uit gegevens als bedoeld in artikel 2 van de Wbp. Uit de door het college ter illustratie overgelegde voorbeelden volgt dit niet. Het standpunt van het college dat in zoverre reeds voldoende is dat de stukken onderdeel zijn van een Wmo-dossier, is daartoe niet toereikend. Ook heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de stukken geheel geweigerd konden worden in verband met de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het college dient per documentonderdeel, dan wel per categorie documenten te motiveren waarom de Wob zich tegen geanonimiseerde verstrekking daarvan verzet. Het college heeft in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb verzuimd aan de besluitvorming een deugdelijke motivering ten grondslag te leggen. Het besluit van 3 augustus 2017 is in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.

Het betoog slaagt in zoverre.

Conclusie beroep

8. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2017 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen, voor zover het aanvragen, oproepen en besluiten betreft. Het college dient in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Judiciële lus

9. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar van het college slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Proceskosten

10. Voor proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2018 in zaak nr. 17/5748;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 3 augustus 2017, kenmerk B.3.17.0806.001, voor zover het aanvragen, oproepen en besluiten betreft;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 421,00 (zegge: vierhonderdeenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.