GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: Een overzichtsuitspraak inzake de toepassing van art. 8:29 Algemene wet bestuursrecht: een verzoek om beperkte kennisneming

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 juni 2020

1.

Een voor de praktijk belangrijke uitspraak waarmee de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzicht geeft van de toepassing van art. 8:29 Algemene wet bestuursrecht zoals zij die voorstaat. Dat artikel bevat een uitzondering op de informatieplicht uit art. 8:27 en 8:28 Awb. Op grond van art. 8:29 Awb kunnen partijen inlichtingen of het verstrekken van processtukken weigeren of de rechter verzoeken om beperkte kennisneming (alleen de rechter zelf neemt dan kennis van de processtukken, de andere procespartijen niet). De overzichtsuitspraak van de Afdeling ziet alleen op de beperkte kennisneming. De Afdeling gaat daarbij in op het toetsingskader bij verzoeken om beperkte kennisneming, wie dergelijke verzoeken kan indienen en waaraan een verzoek moet voldoen. Verder komt aan de orde wanneer al dan niet sprake is van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen. De uitspraak gaat niet over de weigering om verplicht in te zenden stukken te overleggen of onverplicht ingezonden stukken die vergezeld gaan van een verzoek om beperkte kennisneming. Dit naschrift bespreekt deze twee situaties dan ook evenmin. De uitspraak is een uiteenzetting van het wettelijk kader aan de hand van concrete voorbeelden uit de (recente) rechtspraak. Het is vooral recente rechtspraak waarnaar wordt verwezen, nu de Afdeling verzoeken om beperkte kennisneming kritischer is gaan beoordelen en ook overigens de beslissingen van de geheimhoudingskamer nog niet zo lang publiceert (zoals al eerder opgemerkt in een eerder naschrift bij ABRvS 15 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1177, Gst. 2019/136, m.nt. C.N. van der Sluis). Die meer kritische blik en het gegeven dat art. 8:29 Awb in nagenoeg alle bestuursrechtelijke procedures een rol kan of moet spelen, zal de Afdeling tot deze overzichtsuitspraak hebben gebracht. Zaak om dit overzicht nog eens te belichten in dit naschrift.

2.

De regeling van art. 8:29 Awb oogt wat complex en dat is hij ook wel, zo blijkt in de praktijk. Zo moet een partij die een beroep doet op deze bepaling (die moet leiden tot kennisnemen van stukken door de rechter en niet door de wederpartij) zich beroepen op gewichtige redenen. De motivering voor die gewichtige redenen is vergelijkbaar met de motivering waaruit volgt of sprake is van de WOB-gronden van art. 10 of 11. Die WOB wordt ook genoemd als mee te nemen aspect. Als bestuursorganen gebruik willen maken van deze regeling, dan is geen sprake van ‘gewichtige redenen’, als de WOB al zou verplichten tot het verstrekken van de informatie (lid 2). Verder vormt de WOB of enig ander wettelijk kader ogenschijnlijk geen rol bij de toets of sprake is van ‘gewichtige redenen’. Kortom, genoeg ruimte voor interpretatie en afweging van belangen waarbij bijzondere kaders – als de WOB of AVG – soms een rol lijken te spelen, maar niet altijd een doorslaggevende. De overzichtsuitspraak zoals hier opgenomen gaat hier concreet op in.

3.

Zo bevestigt de Afdeling met de uitspraak de hoofdregel én het uitgangspunt dat de uitwisseling van processtukken onderdeel is van de zogeheten ‘interne openbaarheid van het bestuursproces’. Anders dan betrokkenen soms zullen ervaren, gaat het dus niet om openbaarmaking voor eenieder. Daarin is ook meteen de reden gelegen voor veel uitgangspunten die de Afdeling met deze uitspraak geeft. Zo wordt duidelijk dat het verzoek van de procespartij die het beroep op gewichtige redenen doet, beoordeeld wordt naar dat moment (ex nunc) met de betrokken partijen op dat moment voor ogen. Dit vormt een aspect dat recent al duidelijk was gemaakt (ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1241 en ECLI:NL:RVS:2020:1242), wat concreet betekent dat ‘8:29’ continue aandacht vraagt van de betrokken partijen. Mocht in een later stadium een andere partij zich melden – waardoor wel sprake zou kunnen zijn van gewichtige redenen –, dan zou dus alsnog een beroep op art. 8:29 gedaan moeten worden.

4.

Vervolgens rekt de Afdeling de strekking van art. 8:29 wat op voor wat betreft de vraag wie een verzoek om beperkte kennisneming kunnen doen. De wet wekt immers de indruk dat de mogelijkheid om een beroep om beperkte kennisneming te doen enkel is voorbehouden aan degene die verplicht is om een processtuk in te dienen (veelal het bestuursorgaan). Met de overzichtsuitspraak zet de Afdeling de weg open voor degene die ook partij is in een procedure en ter behartiging van zijn belangen het nodige prijsgeeft aan informatie. Te denken valt aan de derde-belanghebbende over wie informatie wordt opgevraagd via de WOB. De zienswijze of een ander processtuk van diegene, waarmee wellicht juist de inhoud van de informatie wordt prijsgegeven, kan onderwerp zijn van een verzoek om geheimhouding (vgl. ook ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3077 en ABRvS 17 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4222, AB 2020/198, m.nt. R. Stijnen). Over de geheimhouding van de zienswijze in de bezwaarfase kan overigens pas worden gediscussieerd in beroep (ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:440).

5.

Vervolgens wordt ingezoomd op de eisen die aan het verzoek tot beperkte kennisneming worden gesteld. Bij kwesties die juist gaan over openbaarheid of inzage zijn de eisen beperkt. Nu juist de inhoud van de documenten onderwerp van geschil is, is geheimhouding een vanzelfsprekendheid. Die vanzelfsprekendheid is ook verwerkt in de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2017 (art. 14, derde lid) voor WOB-procedures, maar wordt door de Afdeling ook gehanteerd bij procedures op grond van in elk geval de UAVG, de Wpg, de Wjsg en de WIV 2017 (zie ook ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:218). Overigens geldt deze minder veeleisende weg niet voor andere stukken in een geschil over de openbaarheid van documenten (ABRvS 10 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1610).

6.

Voor andere informatie ligt de lat beduidend hoger. Vergelijkbaar met de WOB dient per onderdeel van een document (dus soms op paginaniveau) gemotiveerd te worden aangegeven dat sprake is van belangen of anderszins gewichtige redenen (ABRvS 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1385, ABRvS 2 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:632). Bovendien moet gemotiveerd worden waarom die belangen zwaarder wegen dan het belang van de andere procespartijen op het kennis kunnen nemen van de informatie. Hierbij ligt de lat nog hoger als geheimhouding wordt verzocht voor informatie die – hoewel het om andere documenten gaat – wel via de WOB openbaar is gemaakt (zie bijv. ABRvS 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43).

7.

Verder zijn de voorbeelden – behalve dus als het gaat om WOB-documenten – vooral erg ‘negatief’. Want de Afdeling maakt met name duidelijk wanneer geen sprake is van gewichtige redenen. Zo is de onherroepelijke uitkomst van een WOB-procedure niet relevant voor de ‘gewichtige redenen’-toets. Althans, de uitkomst van een WOB-procedure kan niet op zichzelf een voldoende draagkrachtige motivering geven voor het verzoek om beperkte kennisneming. Verplicht de WOB (kennelijk) tot openbaarmaking, dan zal er helemaal niet snel sprake zijn van gewichtige redenen (zie ook ABRvS 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43). Hoewel de Afdeling dat als gegeven aanmerkt, zou ik menen dat een eerdere uitkomst van een WOB-procedure, inhoudende openbaarmaking van bepaalde informatie, niet als vanzelf ook maakt dat daar in andere procedures – daar waar het om dezelfde soort informatie, maar feitelijk wel andere informatie gaat – nooit meer geheimhouding over kan worden verzocht. Dit is dus anders als vanuit een wettelijk systeem als vanzelf volgt dat informatie openbaar is. Die voorbeelden zijn beperkt, zolang de Wet open overheid (met zijn uitgebreide lijst van categorieën van documenten die actief openbaar gemaakt moeten worden, zie art. 3.3 van het wetsvoorstel inclusief het wijzigingswetvoorstel Kamerstukken II  2019/20, 35112, nr. 8 ) nog niet tot wet is verheven. De keerzijde in dit geval is dus ook dat ook een bijzondere geheimhoudingsregeling (denk aan de Wbp, Wjsg, Wet Bibob (ABRvS 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686) of de Gemeentewet (ABRvS 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1387) niet maakt dat een verzoek tot beperkte kennisneming sowieso wordt gehonoreerd. Ook de ogenschijnlijke aanwezigheid van absolute weigeringsgronden van de WOB (art. 10, eerste lid, indien geen sprake is van milieu-informatie) levert geen simpel ‘gewichtige redenen’-beroep op. Uiteraard vormt de aard van de informatie, en het gegeven dat een bijzondere regeling een bepaald gewicht toekent aan de bescherming van informatie, wel een omstandigheid dat een verzoek om beperkte kennisneming eerder zal slagen.

8.

Hiermee legt de Afdeling de motiveringslast dus erg hoog. De eerste contouren daarvan zijn ook merkbaar in latere uitspraken. Zo werd een beroep van de burgemeester op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van politiemedewerkers niet gehonoreerd en moesten de namen en functies in zogeheten bestuurlijke rapportages kennelijk worden gedeeld met de andere procespartijen (ABRvS 26 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1507). Heel eenduidig lijkt die lijn weer niet te zijn. Meer recent werd nog duidelijk dat de naam van een WOB-verzoeker (en de namen van slachthuizen die weer duidelijk konden maken wie de verzoeker was) – ogenschijnlijk mede gegeven het verband met de fysieke of mentale gezondheid van de verzoeker – wel geheim kon blijven voor degene over wie een WOB-verzoek was ingediend (ABRvS 10 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1610). In dat kader is ook een uitspraak van eind 2019 van de Afdeling relevant waarbij redelijk makkelijk leek te worden geaccepteerd dat de namen van ambtenaren vertrouwelijk gehouden konden worden. Daarbij achtte de geheimhoudingskamer van belang dat het stuk ook zonder de namen van de ambtenaren voldoende inzicht gaf voor de andere procespartij (ABRvS 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3694). Het beeld dat hieruit ontstaat, is dus dat de persoonlijke levenssfeer een relevante gewichtige reden is, maar niet onverkort, en dat juist ook in breder verband de gelijkwaardigheid in de procedure een factor van belang is. Het verzoek om geheimhouding moet altijd worden ingekleed met oog voor de specifieke omstandigheden én het effect op de posities van de procespartijen. Ontbreekt ogenschijnlijk het gevolg van onevenwichtigheid in de procedure, dan zal een verzoek weer sneller worden gehonoreerd, zo is de indruk.

9.

Met de hier opgenomen uitspraak geeft de Afdeling een overzicht van de rechtspraak die ook duidelijk maakt dat het systeem wat rigide aanvoelt. Er zijn wel of geen gewichtige redenen en de mogelijkheden voor maatwerk over wie wat kan krijgen zijn beperkt (tenzij het gaat om medische of privacygevoelige gegevens, als bedoeld in art. 8:32 Awb. Zie hierover ook E.J. Daalder, ‘25 jaar Awb: is het tijd voor een artikel 8:29 3.0?’, NTB 2019/18). Dat is jammer, nu de praktijk soms toch echt behoefte lijkt te hebben aan een iets meer flexibele werking van het wel of niet kunnen verlenen van toegang tot documenten of die toegang zou willen clausuleren. De Afdeling noemt in dat kader ook zelf dat geen gewichtige redenen zijn de angst van een partij voor openbaarmaking door een procespartij en schadelijke gevolgen daarvan (vgl. ook ABRvS 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43). Hoewel in bepaalde gevallen begrip kan worden opgebracht voor deze ‘regel’ is deze ook direct onbevredigend. Er zijn immers situaties denkbaar waarbij het wenselijk is dat informatie in de procedure voor een ieder bekend is, maar in rechte wel een zekere begrenzing in het gebruik van informatie heeft te gelden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanvraag van de winnaar van een tenderprocedure bij de verdeling van een schaarse vergunning. Hoewel daar gegeven de eisen van transparantie bij het verdelen van schaarse vergunningen juist ook bij past dat die aanvraag gedeeld wordt in een procedure over de uitkomst van die tenderprocedure, zal het voor de winnaar geen vanzelfsprekendheid zijn dat zijn aanvraag – die hij mogelijk ook in andere gemeenten op die manier vormgeeft – gedeeld wordt met de concurrent. Dat in een WOB-procedure de aanvraag mogelijk geheim blijft vanwege de aanwezigheid van vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens (al wordt dat door de Rechtbank Midden-Nederland wel erg makkelijk voor de gehele aanvraag aangenomen, vgl. Rb. Midden-Nederland 1 mei 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1774) geeft immers nog geen zekerheid voor de 8:29-vraag in de procedure over de uitkomst van de tenderprocedure, zo leert ook de hier opgenomen overzichtsuitspraak. Voor een dergelijke situatie geven art. 8:29 Awb en de overzichtsuitspraak nog geen oplossing.

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de hoger beroepen van:

  1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2020 in zaak nr. 19/2142 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de korpschef van politie.

en

  1. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2020 in zaak nr. 19/2140 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

[appellant sub 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2020 in zaak nr. 19/2142.

Het geding betreft de intrekking door de korpschef van de jachtakte en het wapenverlof van [appellant sub 1].

[appellant sub 2] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2020 in zaak nr. 19/2140.

Het geding betreft de intrekking door de korpschef van de jachtakte en het wapenverlof van [appellant sub 2].

De korpschef heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat in beide zaken uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Het betreft een proces-verbaal onderzoek telecommunicatie en elf processen-verbaal van verhoor getuigen.

Overwegingen

Het verzoek en leeswijzer

1.

De korpschef heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de processen-verbaal kennis zal nemen.

1.1.

De Afdeling ziet, gelet op de in de rechtspraktijk levende behoefte daaraan, aanleiding een overzicht op hoofdlijnen te geven van haar oordelen met betrekking tot de toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Wat in deze uitspraak wordt overwogen gaat alleen over gevallen waarin een partij meedeelt aan de bestuursrechter dat uitsluitend de rechter kennis zal mogen nemen van een stuk vanwege gewichtige redenen, een zogeheten verzoek om beperkte kennisneming van een stuk. In het vervolg van deze uitspraak zal daarom steeds worden gesproken van een verzoek om beperkte kennisneming. Degene die een verzoek om beperkte kennisneming doet wordt in deze uitspraak aangeduid als “de verzoeker”. Onder “stuk” wordt in deze uitspraak mede begrepen “het geven van inlichtingen” voor zover dat schriftelijk gebeurt.

Het recht op een eerlijk proces

2.

Het recht op een eerlijk proces is onder meer neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in de nationale rechtsorde (uitspraak van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3547) en omvat het onder meer het recht op gelijke proceskansen. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier. Dat neemt niet weg dat op dit recht uitzonderingen mogelijk zijn (vergelijk Europees Hof voor de Rechten van de Mens 20 oktober 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:1020REP002890195 (Rowe and Davis/Verenigd Koninkrijk) en het arrest van het Hof van Justitie van 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91, Varec/België).

3.

Artikel 8:29 van de Awb luidt als volgt.

“1.

Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2.

Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.

3.

De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4.

Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5.

Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.”

4.

Artikel 8:29 van de Awb geeft een regeling voor het geheel of gedeeltelijk geheimhouden van stukken in procedures bij de bestuursrechter. Het eerste lid houdt een beperking in van het recht op gelijke proceskansen. Deze beperking is slechts bij “gewichtige redenen” mogelijk. Acht de bestuursrechter de beperking gerechtvaardigd, dan is het ingevolge het vijfde lid aan de andere partij overgelaten te beslissen of de rechter mede op de grondslag van de achtergehouden of geheimgehouden inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. De Afdeling is van oordeel dat de beperkingsmogelijkheid bij toepassing van deze regeling met zodanige waarborgen is omkleed, dat het recht op een eerlijk proces daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt (uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1109).

5.

Een verzoek om beperkte kennisneming waarover in eerste instantie door de rechtbank is beslist, moet in hoger beroep opnieuw worden gedaan.

6.

Beslissingen op een verzoek om beperkte kennisneming worden genomen door de geheimhoudingskamer van de Afdeling. Leden van de geheimhoudingskamer die op een verzoek beslist maken geen deel uit van de zittingskamer in dezelfde zaak. Sinds 1 juli 2018 worden de beslissingen van de geheimhoudingskamer in een uitspraak neergelegd. Alle uitspraken van de geheimhoudingskamer krijgen een ECLI-nummer en worden gepubliceerd op www.raadvanstate.nl .

Toetsingskader

7.

Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het (hoger) beroep relevante informatie. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

8.

Bij de beoordeling van een verzoek om beperkte kennisneming speelt de betekenis van het stuk voor het oordeel van de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van partijen een belangrijke rol. Verder is daarbij van belang of de partij aan wie kennisneming van een stuk wordt onthouden door de beperkte kennisneming wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd (uitspraak van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4318). Daarnaast gaat het bij de beslissing over een verzoek om beperkte kennisneming niet om de vraag of het stuk openbaar moet worden, dat wil zeggen voor iedereen toegankelijk, dus ook voor anderen dan procespartijen, maar om de vraag of er gewichtige redenen bestaan die zich tegen kennisneming van het stuk door alle partijen in het geding verzetten. Daarbij wordt geen rekening gehouden met eventuele belanghebbenden, die geen partij zijn maar die mogelijk in de loop van de procedure als partij zouden kunnen worden toegelaten. Na het toelaten van een nieuwe partij kan de verzoeker om die reden opnieuw een verzoek om beperkte kennisneming doen (vergelijk de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1241.

Wie kan een verzoek om beperkte kennisneming voor welke stukken doen?

9.

Uit artikel 8:29, eerste lid, van de Awb volgt dat alleen partijen die verplicht zijn stukken in te dienen een verzoek om beperkte kennisneming kunnen doen. Een verplichting bestaat bij de op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 van de Awb; vergelijk de uitspraak van 7 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:392) en in de in artikel 8:45, tweede en derde lid, van de Awb genoemde gevallen. Anders dan uit een letterlijke lezing van artikel 8:29, eerste lid, zou kunnen worden afgeleid brengt een redelijke uitleg van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb mee dat ook een partij over wie de gevraagde informatie gaat zo’n verzoek kan doen, als het bestuursorgaan bij verplichte toezending van stukken geen verzoek om beperkte kennisneming heeft gedaan (uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4222).

Aan welke eisen moet een verzoek om beperkte kennisneming voldoen?

10.

Een verzoek om beperkte kennisneming wordt schriftelijk, in een afzonderlijk stuk gedaan (vergelijk artikel 14, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2017). In het verzoek moet worden gemotiveerd waarom sprake is van gewichtige redenen. Die motivering wordt door de Afdeling naar de andere partij(en) in het geding doorgezonden. Indien naar het oordeel van de verzoeker gewichtige redenen zich verzetten tegen kennisneming door andere partijen van (delen van) de motivering van het verzoek, kan de verzoeker voor die in het verzoek opgenomen motivering zo’n zelfde verzoek doen. In dat geval moet de verzoeker zorgdragen voor een afzonderlijk stuk waarin de motivering, voor zover die wel aan de andere partij(en) kan worden toegezonden, is opgenomen. De geheimhoudingskamer beslist of beperkte kennisneming van de motivering gerechtvaardigd is (uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2951).

11.

Omdat de inwilliging van een verzoek om beperkte kennisneming een beperking oplevert van het recht op gelijke proceskansen, stelt de Afdeling aan de motivering van een dergelijk verzoek hoge eisen. De verzoeker moet motiveren vanwege welke belangen of waarom anderszins sprake is van gewichtige redenen (uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1385). Verder moet de verzoeker duidelijk maken waarom volgens hem het belang bij beperkte kennisneming zwaarder weegt dan het belang dat de andere partij(en) van het stuk kennisnemen.

12.

De enkele verwijzing naar een of meer weigeringsgronden in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is geen voldoende motivering. De omstandigheid dat aanleiding bestond om een verzoek om openbaarmaking van de stukken voor een ieder af te wijzen, brengt niet zonder meer mee dat een verzoek om beperkte kennisneming moet worden gehonoreerd. De geheimhoudingskamer kan beslissen dat beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is, ook al heeft het bestuursorgaan naar aanleiding van een Wob-verzoek terecht geweigerd om (informatie uit) het stuk openbaar te maken en is die weigering in rechte onaantastbaar geworden (uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:646).

Wanneer is in ieder geval geen sprake van gewichtige redenen?

13.

In artikel 8:29, tweede lid, van de Awb staat dat in ieder geval geen sprake is van gewichtige redenen wanneer de Wob verplicht tot openbaarmaking van de informatie (vergelijk de uitspraak van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43). Ook mogelijke schadelijke gevolgen van openbaarmaking van informatie door een partij in de procedure na kennisneming van het stuk uit het procesdossier, vormen op zichzelf geen gewichtige redenen om die partij de kennisneming van de stukken te onthouden waarop hij op grond van de Awb recht heeft (uitspraak van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43).

14.

De enkele omstandigheid dat voor (gegevens uit) het stuk een bijzondere geheimhoudingsregeling geldt, betekent niet dat sprake is van gewichtige redenen. Voorbeelden van dergelijke gegevens zijn politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg), justitiële en strafvorderlijke gegevens in de zin van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en persoonsgegevens in de zin van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) (uitspraak van 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686). Ook het enkele feit dat op een stuk als gevolg van besluitvorming op grond van de Gemeentewet of Provinciewet een verplichting tot geheimhouding rust, vormt geen gewichtige reden (uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1387). Datzelfde geldt als een Wob-verzoek zou moeten worden afgewezen op een van de in artikel 10, eerste lid, van de Wob genoemde (absolute) weigeringsgronden, waarbij geen belangenafweging plaatsvindt. In al die gevallen zal bij de beoordeling van het verzoek om beperkte kennisneming een nadere afweging moeten plaatsvinden. Bij die afweging komt wel gewicht toe aan het uit de desbetreffende wettelijke bijzondere geheimhoudingsregeling blijkende belang bij geheimhouding (uitspraak van 12 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686).

Handelwijze Afdeling bij zaken over de openbaarheid van of inzage in informatie

15.

Als het hoger beroep gaat over een besluit tot weigering van openbaarmaking op grond van de Wob, neemt de Afdeling bij een verzoek om beperkte kennisneming van de stukken die voorwerp van het geschil vormen, geen beslissing op het verzoek. In dat geval wordt gehandeld alsof de Afdeling het verzoek gerechtvaardigd heeft geacht (vgl. artikel 14, derde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2017). Bij zaken die gaan over de weigering om inzage in of verstrekking van stukken of gegevens op grond van bijvoorbeeld bij de Uitvoeringswet AVG, de Wpg, de Wjsg en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, volgt de Afdeling als vaste praktijk eenzelfde werkwijze.

Wanneer is in ieder geval sprake van gewichtige redenen?

16.

Van gewichtige redenen is in ieder geval sprake wanneer beperkte kennisneming wordt gevraagd van een stuk waarin informatie is vervat over een of meer documenten waarvan de openbaarmaking of de kennisneming het voorwerp is van het geschil. Met een oordeel daarover zou de geheimhoudingskamer immers vooruitlopen op het oordeel van de Afdeling in de bodemprocedure waardoor die procedure door de afwijzing van het verzoek in zoverre zinloos zou worden (uitspraak van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:757). Dat doet zich onder meer voor indien een derde een zienswijze heeft gegeven over een Wob-verzoek dat over hem gaat, en/of zijn standpunt heeft toegelicht in een vertrouwelijk gehouden hoorzitting naar aanleiding van een dergelijk Wob-verzoek (uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4222).

Vervolg op de beslissing op het verzoek om beperkte kennisneming

17.

Wanneer de geheimhoudingskamer het verzoek niet gerechtvaardigd acht, wijst zij het verzoek af en bepaalt zij dat het stuk aan de partij die het verzoek heeft gedaan wordt teruggezonden. In dat geval wordt aan de desbetreffende partij verzocht het stuk alsnog aan de Afdeling toe te zenden. Als de geheimhoudingskamer het verzoek om beperkte kennisneming wel gerechtvaardigd acht, wordt aan de andere partij(en) gevraagd om toestemming tot kennisneming van het stuk door de kamer die in de bodemprocedure over het (hoger) beroep oordeelt (zie artikel 8:29, vijfde lid, Awb). Wordt het verzoek gedeeltelijk gehonoreerd, dan wordt de verzoeker verzocht een met inachtneming van de uitspraak geschoonde versie van het stuk aan de Afdeling toe te zenden (vergelijk de uitspraak van 9 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:43). Geeft de verzoeker geen gevolg aan dat verzoek dan kan de Afdeling daaraan gevolgen verbinden (artikel 8:31 van de Awb). Tot zover het overzicht op hoofdlijnen.

Wat betekent dit voor het verzoek om beperkte kennisneming van de korpschef?

18.

De korpschef heeft met het oog op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen en vanwege het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten voor wat betreft het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie en de processen-verbaal verhoor getuigen een beroep gedaan op 8:29 van de Awb. Die belangen wegen volgens de korpschef zwaarder dan het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om hiervan kennis te nemen. Bovendien zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hierdoor volgens de korpschef niet in hun belangen geschaad, omdat een samenvatting van het proces-verbaal telecommunicatie en een samenvatting van de processen-verbaal van verhoor getuigen door de korpschef in het geding zijn gebracht met de voor de bestuursrechtelijke procedure relevante informatie.

18.1.

De Afdeling heeft kennisgenomen van het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie en de processen-verbaal verhoor. Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie is een weergave van tapgesprekken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in het kader van een tegen hen ingesteld strafrechtelijk onderzoek. De korpschef heeft een samenvatting in het geding gebracht met de informatie uit het proces-verbaal die volgens hem relevant is voor deze bestuursrechtelijke procedure. Voorts zijn er verschillende getuigen gehoord, waarvan tevens proces-verbaal is opgemaakt. Een samenvatting van die verklaringen is eveneens door de korpschef in geding gebracht.

18.2.

De Afdeling acht aannemelijk dat kennisneming van de processen-verbaal zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen en het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten. Naar het oordeel van de Afdeling wegen deze belangen in dit geval zwaarder dan het belang dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kennis kunnen nemen van de processen-verbaal. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de korpschef de voor deze procedure relevante informatie uit de processen-verbaal door middel van gedetailleerde samenvattingen in het geding heeft gebracht en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daarmee over deze informatie beschikken.

Conclusie

19.

De Afdeling acht daarom het verzoek om beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe.