GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: De rol van de zienswijze en de persoonlijke levenssfeer van de subsidieaanvrager

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 mei 2018

1.

De aanleiding voor deze uitspraak, de 2282 Wob-verzoeken gericht aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heeft eerder aanleiding gegeven voor een naschrift in dit tijdschrift (ABRvS 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2997, Gst. 2015/126, m.nt. C.N. van der Sluis onder Gst. 2015/128, ook gepubliceerd in AB 2015/409, m.nt. P.J. Stolk). Destijds viel nog op dat het aantal verzoeken om informatie niet de stelling van de minister rechtvaardigde dat sprake zou zijn van misbruik van recht. Ook werd duidelijk gemaakt dat de minister niet kon volstaan met het beoordelen van maar 40 van de 2282 dossiers. De hier opgenomen uitspraak (ook gepubliceerd in AB 2018/233, m.nt. P.J. Stolk) geeft ook weer aanleiding voor een naschrift. Die aanleiding is vooral gelegen in de bevoegdheid tot het vragen van zienswijzen en de rol van die zienswijzen bij het toepassen van weigeringsgronden, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van externen die zijn betrokken bij een bestuurlijke aangelegenheid en de invulling van het vertrouwelijk verstrekken van bedrijfs- en fabricagegegevens.

2.

Wat betreft de rol van de zienswijze is de Afdeling helder. Het al dan niet toepassing geven aan de mogelijkheid om derden om een zienswijze te vragen is en blijft een bevoegdheid van het bestuursorgaan dat het verzoek om informatie moet behandelen. Voor het behandelende bestuursorgaan, zeker bij Wob-verzoeken, blijft het soms zoeken naar het moment waarop derden-belanghebbenden nu om een zienswijze moet worden gevraagd. Het blijft – zo maakt de Afdeling ook hier duidelijk – een afweging die het bestuursorgaan moet maken waarbij zijn verwachtingen over eventuele bedenkingen, ingevolge de tekst van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, doorslaggevende kracht toekomt. De Wob-verzoeker heeft hier ook geen enkele rol in overigens (ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:498, AB 2017/147, m.nt. C.N. van der Sluis). Maar ook de eventuele derden dus niet. Dit hangt samen met het karakter van de hoorplicht van 4:8 Awb dat een andere is dan de mogelijkheden van bezwaar en beroep. De zienswijze-ronde past meer in de sleutel van de zorgvuldige besluitvorming (MvA II, Parl. Gesch. Awb I , p. 253). Dit betekent dat bijvoorbeeld niet alle partijen die genoemd worden in documenten die vallen onder de reikwijdte van een Wob-verzoek bevraagd hoeven te worden. Worden personen die niet zijn bevraagd wel tijdig in kennis gesteld van een uiteindelijk besluit, dan staat voor hen nog de weg van een bezwaar en verzoek om een voorlopige voorziening open. Het is dan wel zaak dat het betrokken bestuursorgaan toepassing moet geven aan artikel 6, vijfde lid, van de WOB en belanghebbenden ook in kennis gesteld moeten worden van het besluit tot openbaarmaking. In dat licht is het nog wel eens te verkiezen om – ‘better safe than sorry’ – alle betrokkenen maar te vragen om een zienswijze zodat alle betrokken actoren in beeld zijn tijdens de behandeling van het verzoek. Duidelijk is overigens dat de zienswijze natuurlijk richtinggevend kan zijn voor de toepassing van eventuele weigeringsgronden van de WOB maar nooit maatgevend. Het bestuursorgaan doet er goed aan dit tijdig kenbaar te maken aan hen die een zienswijze naar voren kunnen brengen, al is het maar om de verwachtingen te ‘managen’. Dat ‘richting geven’ kan overigens wel verstrekkende gevolgen hebben. Als een partij in het kader van de zienswijze de mening ventileert dat sprake is van vertrouwelijk verstrekte bedrijfsgegevens (artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van e WOB; waarover hierna meer) en een andere partij dit niet heeft aangegeven, dan kan van die laatste partij mogelijk concurrentiegevoelige informatie wel openbaar worden gemaakt en vergelijkbare informatie van een andere marktpartij niet (vgl. ABRvS 2 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2779). De crux zit hem dan in het predicaat ‘vertrouwelijk’ wat de betrokken entiteit kennelijk als zodanig moet ervaren.

3.

Ook in deze uitspraak komt de rol van de zienswijze op een bijzondere manier aan de orde. De minister heeft namelijk namen van aanvragers van de subsidies en adviseurs van de aanvragers ongemotiveerd weggelakt en ter zitting nader geduid dat namen openbaar zijn gemaakt als betrokkenen in de zienswijze hadden aangegeven geen bezwaar te hebben tegen openbaarmaking. Hoewel dat laatste logisch lijkt in het licht van artikel 10, derde lid, van de WOB – daar volgt immers uit dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, geen toepassing vindt bij instemming van de betrokken persoon met openbaarmaking – vraagt het toepassen van de weigeringsgrond ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer natuurlijk wel een eigen belangenafweging van de minister. Wat betreft de namen is de Afdeling helder, die moeten openbaar worden gemaakt. Een wat vreemde uitspraak in het licht van de preciseringsuitspraak van 31 januari jl. (ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:231, AB 2018/119, m.nt. E. Dans, Gst. 2018/61, m.nt. C.N. van der Sluis en AA 2018/093, m.nt. Y. Schuurmans en A.H.A. Mohommad) waaruit kon worden opgemaakt dat bij namen ook vanzelf bescherming aan de orde is tenzij het de namen betreft van personen die naar de aard van hun functie in de openbaarheid treden. Die uitspraak maakte ook duidelijk dat in zo’n geval de bewijslast versprong van het weigerachtige bestuursorgaan (dat moest stellen dat de persoonlijke levenssfeer meer gewicht moest toekomen dan het belang van openbaarheid) naar de verzoeker (die maar moest stellen dat het belang van openbaarheid van de namen in dat specifieke geval zo zwaar weegt). Die lijn vindt hier geen toepassing, de Afdeling is van oordeel dat personen die (werken bij organisaties die) subsidie aanvragen en hun adviseurs wat betreft hun naam geen bescherming toekomt. Krijg je geld, dan moet je niet zeuren lijkt het devies. Deze uitkomst wekt nog meer verbazing als vervolgens wel doorkiesnummers geweigerd mogen worden. De combinatie van die informatie met de namen kan een ongewenst effect hebben. Dat wordt als voldoende reden aangemerkt om die informatie niet openbaar te maken.

4.

Over de toepassing van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c Wob maakt de Afdeling ook duidelijk dat informatie over de financiële bedrijfsvoering van de betrokken bedrijven en adviseurs, die bij openbaarmaking concurrentievervalsing tot gevolg kunnen hebben, zijn aan te merken als bedrijfs- en fabricagegegevens. Discussiepunt is nog of de informatie waaruit de uurtarieven, de gegevens waaruit de uurtarieven kunnen worden afgeleid en de specifiek door belanghebbenden aangewezen passages wel vertrouwelijk aan het Agentschap SZW zijn meegedeeld. De Afdeling meent, ondanks dat dit niet zo expliciet blijkt uit de aanvragen om een subsidies, wel kan worden aangenomen, omdat de informatie inzicht geeft in de financiële bedrijfsvoering en openbaarmaking ervan eventuele concurrentievoordelen teniet zullen doen en de informatie bovendien moest worden verstrekt, er bestond geen vrijheid om dat achterwege te laten. Dit is overigens anders als het bestuursorgaan de informatie vergaard, dan is toepassing van deze weigeringsgrond niet aan de orde (ABRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1952).

Rol zienswijze bevoegdheid. Ontbreken belangenafweging minister met betrekking tot privacy. Derhalve openbaarmaking namen van aanvragers van subsidies en hun adviseurs. Wel afweging en derhalve geen openbaarmaking van telefoonnummers. Strikte toepassing bedrijfs- en fabricagegegevens.

Het feit dat de minister belanghebbenden voorafgaand aan het besluit van 23 juni 2016 heeft verzocht hun zienswijzen omtrent openbaarmaking van de hen betreffende subsidiedossiers kenbaar te maken is evenmin in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015 en ook niet met de Wob. De minister diende immers een belangenafweging te maken in het kader van openbaarmaking van de persoonsgegevens. De minister was op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb bevoegd belanghebbenden om een zienswijze te vragen alvorens te besluiten over de openbaarmaking van de hen betreffende subsidiedossiers, omdat deze documenten gegevens bevatten die betrekking hebben op de door die belanghebbenden aangevraagde subsidies en zowel de aanvrager als de adviseur mogelijk bezwaren hebben tegen openbaarmaking.

De minister heeft niet gemotiveerd waarom in het geval van de namen van de aanvragers van de subsidies en de namen van de adviseurs het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarmaking. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat de namen openbaar zijn gemaakt indien betrokkenen te kennen hebben gegeven daartegen geen bezwaar te hebben en dat de openbaarmaking van de namen is geweigerd indien betrokkenen te kennen hebben gegeven wel bezwaar te hebben of indien zij geen reactie hebben ingediend. De minister heeft zelf geen belangenafweging gemaakt. De minister heeft voorts geen andere reden gegeven op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het belang van de persoonlijke levenssfeer zich in dit geval tegen openbaarmaking van de namen verzet. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft de namen van de aanvragers van de subsidies en de namen van de adviseurs het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Dit geldt echter niet voor de doorkiesnummers van betrokkenen. De minister heeft wat betreft die telefoonnummers in redelijkheid het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Hierbij is in aanmerking genomen dat, indien de namen van betrokkenen openbaar worden gemaakt, het openbaar maken van de doorkiesnummers zou kunnen leiden tot ongewenste benadering van de personen in kwestie.

Het Gezelschap kan gelet hierop niet worden gevolgd in haar standpunt dat de uurtarieven, de gegevens waaruit de uurtarieven kunnen worden afgeleid en de specifiek door belanghebbenden aangewezen passages niet vertrouwelijk aan het Agentschap SZW zijn meegedeeld. Hierbij is van belang dat die gegevens zijn opgenomen in documenten waarvan belanghebbenden redelijkerwijs mochten verwachten dat die geheim zouden blijven, omdat die inzicht geven in de financiële bedrijfsvoering en openbaarmaking ervan eventuele concurrentievoordelen teniet zullen doen. De belanghebbenden hebben deze documenten bovendien aan het Agentschap SZW moeten verstrekken in het kader van hun subsidieaanvraag. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er in dit geval van moet worden uitgegaan dat de bedrijfs- en fabricagegegevens vertrouwelijk zijn overgelegd. Dat in de nieuwe Subsidieregeling (Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2014, 2014-0000040627, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2014-2020) in artikel 20 is opgenomen dat de subsidieontvanger door het indienen van een aanvraag ermee instemt dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar kan worden gemaakt, leidt niet tot het oordeel dat de minister de subsidiedossiers in deze zaak openbaar zou moeten maken, reeds omdat een dergelijke instemming in de Subsidieregeling niet is opgenomen en belanghebbenden, zoals hiervoor is overwogen, in redelijkheid erop mochten vertrouwen dat de gegevens geheim zouden blijven.

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Gezelschap van Gildehuizen, gevestigd te Den Haag,

appellante,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij uitspraak van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2997, heeft de Afdeling het door de minister tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13981, ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en bepaald dat tegen het door de minister nieuw te nemen besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 23 juni 2016 heeft de minister opnieuw beslissend het door het Gezelschap gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft het Gezelschap beroep ingesteld.

Het Gezelschap heeft ten aanzien van de stukken waarvan openbaarmaking is verzocht toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het Gezelschap heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2017, waar het Gezelschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. K. el Malahy Idrissi, advocaat te Den Haag, en de minister, vertegenwoordigd door B.N. van der Roest en E.R.C. van der Ende, zijn verschenen. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek geschorst.

De minister heeft desgevraagd nadere stukken overgelegd en de Afdeling ten aanzien van die stukken verzocht om toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb.

De Afdeling heeft dat verzoek, beslissend in andere samenstelling, gerechtvaardigd geacht.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Het Gezelschap heeft ten aanzien van de door de minister vertrouwelijk overgelegde stukken toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het Gezelschap heeft geen toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 april 2018, waar alleen de minister, vertegenwoordigd door B.N. van der Roest, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

​1.

Het Gezelschap heeft in de periode tussen 23 mei 2013 en 29 juli 2013 2282 verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) aan de minister gestuurd. Alle verzoeken hebben betrekking op de Subsidieregeling ESF 2007-2013 (herzien) Actie E: sociale innovatie (hierna: de Subsidieregeling), die door het Agentschap Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Agentschap SZW) is uitgevoerd.

​2.

In de uitspraak van 23 september 2015 heeft de Afdeling overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het Gezelschap misbruik maakt van de bevoegdheid om verzoeken in te dienen op grond van de Wob. De Afdeling heeft voorts overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister niet mocht volstaan met openbaarmaking van informatie uit 47 van de 2282 subsidiedossiers waarop de verzoeken van het Gezelschap betrekking hebben. De minister dient op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wob de informatie uit alle 2282 dossiers openbaar te maken, tenzij daarvan op grond van de in artikel 10 en 11 opgenomen weigeringsgronden of beperkingen dient te of kan worden afgezien. Artikel 7 biedt voorts geen grond voor het oordeel dat de minister, gezien de omvang van de verzoeken, verstrekking van een deel van de door het Gezelschap verlangde informatie achterwege mocht laten, aldus de Afdeling.

Besluitvorming

3.

Bij het besluit van 23 juni 2016 heeft de minister het bezwaar van het Gezelschap alsnog gegrond verklaard en een inhoudelijke beslissing genomen op de 2282 Wob-verzoeken. Hij heeft hierbij te kennen gegeven dat een subsidiedossier steeds bestaat uit vier documenten, te weten: de subsidieaanvraag, de einddeclaratie, het urenoverzicht en het eindrapport. De minister heeft voorts te kennen gegeven dat het Gezelschap 77 verzoeken dubbel heeft ingediend en daarnaast heeft gevraagd om een of enkele dossiers die al openbaar zijn. Deze dossiers heeft hij niet meegenomen in zijn beoordeling. Wat betreft de overige dossiers heeft hij belanghebbenden verzocht een zienswijze in te dienen en vervolgens aan de hand van de reacties van belanghebbenden een onderverdeling gemaakt in 502 subsidiedossiers waarvan beide belanghebbenden geen bezwaar hebben tegen openbaarmaking, 763 subsidiedossiers waarvan 1 belanghebbende geen bezwaar heeft tegen openbaarmaking en 1 belanghebbende niet heeft gereageerd en 763 subsidiedossiers waarvan 1 of beide belanghebbenden bezwaar hebben tegen openbaarmaking. De 502 subsidiedossiers heeft de minister volledig openbaar gemaakt. De overige dossiers heeft hij gedeeltelijk openbaar gemaakt. De minister heeft aan de weigering bepaalde gegevens openbaar te maken artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob ten grondslag gelegd.

Beroep

​4.

Het Gezelschap betoogt dat de minister bij het besluit van 23 juni 2016 ten onrechte en in strijd met de wet en met de uitspraak van de Afdeling heeft geweigerd bepaalde informatie uit de subsidiedossiers openbaar te maken. Zij voert hiertoe aan dat uit de door de Afdeling bevestigde uitspraak van de rechtbank volgt dat het Gezelschap recht heeft op de (geanonimiseerde) subsidiedossiers. Daarbij komt dat de door de minister toegepaste weigeringsgronden niet van toepassing zijn op de subsidiedossiers. Wat betreft de weigering van bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat sprake is van gegevens waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid over de financiële bedrijfsvoering van de betrokken adviseurs die bij openbaarmaking concurrentievervalsing tot gevolg zouden kunnen hebben. Het betreft evenmin gegevens die vertrouwelijk aan de minister zijn meegedeeld. Opvallend is voorts dat de minister in de nieuwe Subsidieregeling heeft vermeld dat alle informatie die wordt verstrekt openbaar kan worden gemaakt. De minister is gelet hierop kennelijk zelf van mening dat openbaarmaking van de informatie in de subsidiedossiers niet geweigerd zou moeten worden. Zijn beoordeling in het besluit van 23 juni 2016 staat haaks op deze opvatting en is in strijd met de rechtszekerheid en -gelijkheid. Indien moet worden geoordeeld dat de door de minister toegepaste weigeringsgronden wel van toepassing zijn, heeft hij niet gemotiveerd waarom de belangenafweging in die gevallen in het nadeel van het Gezelschap is uitgevallen. Gegevens waarvan openbaarmaking is geweigerd, betreffen bijvoorbeeld de uurtarieven. Eén van de redenen van het Gezelschap voor het opvragen van de informatie is nu juist om inzage te krijgen in de vraag of de diverse adviseurs, consequent, in alle dossiers het maximaal te declareren bedrag in rekening hebben gebracht. Het Gezelschap heeft derhalve een groot belang bij die gegevens. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom bepaalde gegevens uit de eindrapporten niet openbaar worden gemaakt. Bovendien is de weigering persoonsgegevens te verstrekken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob onvoldoende gemotiveerd, omdat de minister niet heeft uitgelegd waarom het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van de persoonsgegevens. De minister heeft voorts niet gemotiveerd waarom hij, in weerwil van de uitspraken van de Afdeling en van de rechtbank, belanghebbenden heeft gevraagd hun zienswijzen in te dienen.

​4.1.

Artikel 4:8, eerste lid, van de Awb luidt:

“Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

​a.

de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

​b.

die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.”

Artikel 3 van de Wob luidt:

​“1.

Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

[…]

​5.

Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.”

Artikel 10 luidt:

​“1.

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

[…]

​c.

bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

[…].

​2.

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

e.

de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…].”

​4.2.

Vooropgesteld wordt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de minister op grond van de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015 was gehouden de subsidiedossiers in het geheel openbaar te maken. De Afdeling heeft slechts overwogen dat de minister op grond van artikel 3, vijfde lid, van de Wob de informatie uit alle 2282 dossiers openbaar dient te maken, tenzij daarvan op grond van de in artikel 10 en 11 opgenomen weigeringsgronden of beperkingen dient te of kan worden afgezien. Dat de minister de openbaarmaking van bepaalde gegevens met een beroep op één van de weigeringsgronden heeft geweigerd, is derhalve niet in strijd met die uitspraak.

Het feit dat de minister belanghebbenden voorafgaand aan het besluit van 23 juni 2016 heeft verzocht hun zienswijzen omtrent openbaarmaking van de hen betreffende subsidiedossiers kenbaar te maken is evenmin in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015 en ook niet met de Wob. De minister diende immers een belangenafweging te maken in het kader van openbaarmaking van de persoonsgegevens. De minister was op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb bevoegd belanghebbenden om een zienswijze te vragen alvorens te besluiten over de openbaarmaking van de hen betreffende subsidiedossiers, omdat deze documenten gegevens bevatten die betrekking hebben op de door die belanghebbenden aangevraagde subsidies en zowel de aanvrager als de adviseur mogelijk bezwaren hebben tegen openbaarmaking. Uit de uitspraak van de Afdeling kan niet worden afgeleid dat de minister toepassing van artikel 4:8 achterwege diende te laten. Voor het oordeel dat, zoals het Gezelschap betoogt, de minister had moeten motiveren waarom hij belanghebbenden heeft verzocht hun zienswijzen in te dienen, biedt de wet geen grond.

​4.3.

Het beroep van het Gezelschap ziet slechts op die delen van de subsidiedossiers, opgenomen in bijlage 3 en 4 bij het besluit van 23 juni 2016, die de minister met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob heeft geweigerd openbaar te maken. Het betreft in het bijzonder de in deze dossiers opgenomen persoonsgegevens, bestaande uit namen en telefoonnummers, uurtarieven en gegevens waaruit uurtarieven kunnen worden afgeleid, en de niet verstrekte gegevens uit de eindrapporten.

Eerbiediging persoonlijke levenssfeer

​4.4.

Ter zitting heeft de minister te kennen gegeven dat de gegevens waarvan openbaarmaking op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob is geweigerd de namen van de aanvragers van de subsidies zijn en de namen van de in de aanvragen genoemde adviseurs alsmede de daarin opgenomen telefoonnummers. Het aanvragen van een subsidie namens een bedrijf en het geven van adviezen aan bedrijven zijn te beschouwen als aspecten van het beroepshalve functioneren van de desbetreffende personen. Namen zijn evenwel persoonsgegevens en het belang van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2593). Daarom dient het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te worden afgewogen tegen het belang van de openbaarmaking. Bij die afweging dient het uitgangspunt van de Wob, openbaarheid is regel, zwaar te wegen. Daarnaast speelt hierbij de functie van de betrokkene een rol.

De minister heeft niet gemotiveerd waarom in het geval van de namen van de aanvragers van de subsidies en de namen van de adviseurs het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarmaking. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat de namen openbaar zijn gemaakt indien betrokkenen te kennen hebben gegeven daartegen geen bezwaar te hebben en dat de openbaarmaking van de namen is geweigerd indien betrokkenen te kennen hebben gegeven wel bezwaar te hebben of indien zij geen reactie hebben ingediend. De minister heeft zelf geen belangenafweging gemaakt. De minister heeft voorts geen andere reden gegeven op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het belang van de persoonlijke levenssfeer zich in dit geval tegen openbaarmaking van de namen verzet. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft de namen van de aanvragers van de subsidies en de namen van de adviseurs het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Dit geldt echter niet voor de doorkiesnummers van betrokkenen. De minister heeft wat betreft die telefoonnummers in redelijkheid het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarmaking. Hierbij is in aanmerking genomen dat, indien de namen van betrokkenen openbaar worden gemaakt, het openbaar maken van de doorkiesnummers zou kunnen leiden tot ongewenste benadering van de personen in kwestie.

Het betoog slaagt.

Vertrouwelijke bedrijfs- en fabricagegegevens

4.5.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4120, zijn bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob slechts die gegevens waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Deze uitzonderingsgrond dient restrictief te worden uitgelegd.

Uit het besluit van 23 juni 2016 volgt dat de minister met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, de uurtarieven en de gegevens waaruit uurtarieven kunnen worden afgeleid, die zijn opgenomen in de einddeclaraties en urenoverzichten van de subsidiedossiers genoemd in bijlage 3 en 4 bij het besluit, en een aantal specifiek door belanghebbenden aangewezen passages uit die einddeclaraties, heeft geweigerd openbaar te maken. De Afdeling heeft in dit kader de door de minister vertrouwelijk overgelegde zienswijzen van belanghebbenden ingezien waarin zij te kennen hebben gegeven tegen openbaarmaking van welke passages zij bezwaren hebben. De minister heeft de belanghebbenden daarin terecht gevolgd en zich terecht op het standpunt gesteld dat de desbetreffende gegevens bedrijfs- en fabricagegegevens betreffen. Ook de overige door de minister geweigerde passages betreffen bedrijfs- en fabricagegegevens. Hierbij is van belang dat uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid over de financiële bedrijfsvoering van de betrokken bedrijven en adviseurs, die bij openbaarmaking concurrentievervalsing tot gevolg kunnen hebben.

​4.6.

Uit de bewoordingen van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob volgt voorts dat, wil deze bepaling van toepassing zijn, het moet gaan om bedrijfs- en fabricagegegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. In de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling (TK 1986-1987, 19 859, nr. 3, p. 33) staat vermeld dat bedrijfs- en fabricagegegevens door bedrijven aan de overheid kunnen worden medegedeeld met vermelding van het woord ‘vertrouwelijk’ of een synoniem daarvan. Zij moeten ook als vertrouwelijk worden beschouwd als zulke woorden niet zijn gebruikt maar de mededeling plaats heeft in het kader van een contact dat het bedrijf redelijkerwijs als vertrouwelijk mag beschouwen. Het Gezelschap kan gelet hierop niet worden gevolgd in haar standpunt dat de uurtarieven, de gegevens waaruit de uurtarieven kunnen worden afgeleid en de specifiek door belanghebbenden aangewezen passages niet vertrouwelijk aan het Agentschap SZW zijn meegedeeld. Hierbij is van belang dat die gegevens zijn opgenomen in documenten waarvan belanghebbenden redelijkerwijs mochten verwachten dat die geheim zouden blijven, omdat die inzicht geven in de financiële bedrijfsvoering en openbaarmaking ervan eventuele concurrentievoordelen teniet zullen doen. De belanghebbenden hebben deze documenten bovendien aan het Agentschap SZW moeten verstrekken in het kader van hun subsidieaanvraag. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat er in dit geval van moet worden uitgegaan dat de bedrijfs- en fabricagegegevens vertrouwelijk zijn overgelegd. Dat in de nieuwe Subsidieregeling (Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2014, 2014-0000040627, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2014-2020) in artikel 20 is opgenomen dat de subsidieontvanger door het indienen van een aanvraag ermee instemt dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar kan worden gemaakt, leidt niet tot het oordeel dat de minister de subsidiedossiers in deze zaak openbaar zou moeten maken, reeds omdat een dergelijke instemming in de Subsidieregeling niet is opgenomen en belanghebbenden, zoals hiervoor is overwogen, in redelijkheid erop mochten vertrouwen dat de gegevens geheim zouden blijven.

​4.7.

Nu de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uurtarieven, de gegevens waaruit uurtarieven kunnen worden afgeleid en de specifiek door belanghebbenden aangewezen passages vertrouwelijk aan de overheid overgelegde bedrijfs- en fabricagegegevens betreffen, was de minister gehouden de openbaarmaking ervan te weigeren. Voor een belangenafweging bestaat, anders dan het Gezelschap betoogt, geen ruimte. De minister heeft de openbaarmaking van die gegevens terecht op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob geweigerd.

Het betoog faalt.

Gegevens eindrapporten

​4.8.

De minister heeft in het besluit van 23 juni 2016 te kennen gegeven dat hij openbaarmaking van specifieke door betrokkenen aangewezen onderdelen van de eindrapporten die moeten worden aangemerkt als bedrijfs- en fabricagegegevens heeft geweigerd. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de eindrapporten niet in hun geheel kunnen worden aangemerkt als bedrijfs- en fabricagegegevens, maar dat hij betrokkenen wel volgt in hun oordeel dat openbaarmaking van de eindrapporten de betrokken organisaties kan benadelen, omdat daarin concurrentiegevoelige informatie is opgenomen. Deze benadeling is volgens de minister onevenredig nu dergelijke informatie van vergelijkbare bedrijven niet vrijelijk beschikbaar is. Het enkele feit dat betrokkenen die informatie aan de minister ter beschikking hebben gesteld in het kader van de subsidieverlening doet daar naar zijn oordeel niets aan af. Gelet hierop is de Afdeling, anders dan het Gezelschap, van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde informatie uit de eindrapporten niet openbaar wordt gemaakt.

Het betoog faalt.

Slotsom

​5.

Het beroep is gelet op hetgeen onder 4.4 is overwogen gegrond. Het besluit van 23 juni 2016 komt wegens strijd met artikel 3, vijfde lid, van de Wob voor vernietiging in aanmerking, voor zover de minister heeft geweigerd de namen van de aanvragers van de subsidies alsmede de namen van de adviseurs openbaar te maken.

De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal daarom bepalen dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog de namen van de aanvragers van de subsidies alsmede de namen van de adviseurs openbaar dient te maken. De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals het Gezelschap heeft verzocht, ter verzekering van die termijn een dwangsom vast te stellen.

​6.

De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

​I.

verklaart het beroep gegrond;

​II.

vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 juni 2016, kenmerk 2016-0000142334, voor zover daarbij is geweigerd de in de subsidiedossiers opgenomen namen van de aanvragers van de subsidies alsmede de namen van de adviseurs openbaar te maken;

​​III.

bepaalt dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de in de subsidiedossiers opgenomen namen van de aanvragers van de subsidies alsmede de namen van de adviseurs openbaar maakt;

​​IV.

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

​V.

veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van de bij de vereniging Gezelschap van Gildehuizen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

​VI.

gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de vereniging Gezelschap van Gildehuizen het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.