GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: wanneer is sprake van vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens en voor onevenredige benadeling is al openbare informatie en factor van belang

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 16 maart 2011

  1. Om informatie over de concurrent te verkrijgen, wordt nogal eens een bestuursorgaan benaderd. De Wob vormt dan veelal het kader waarin een verzoek om die informatie moet worden beoordeeld. Gelukkig biedt de Wob hiervoor de mogelijkheid, maar ook de nodige waarborgen om de belangen van de onderneming waarover informatie wordt opgevraagd te beschermen. Enerzijds vinden we die bescherming in de rechtsbeschermingsprocedures. Zienswijzen kunnen worden ingediend en binnen een periode van twee weken na het besluit tot openbaarmaking kan via een voorlopige voorziening een poging worden ondernomen de feitelijke verstrekking van informatie tegen te houden, althans door een rechter te laten toetsen (artikel 6 lid 5). Anderzijds zien we in artikel 10 van de Wob een aantal belangen geformuleerd, die (mede) zijn opgenomen ter behartiging van de belangen van ondernemingen. Met name de uitzonderingsgrond van artikel 10 lid 1 onder c (vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens) en (veelal subsidiair ingeroepen) artikel 10 lid 2 onder g (onevenredige benadeling of bevoordeling) springen hierbij in het oog.
  2. In de hier opgenomen uitspraak gaat het om een verzoek van P1 Holding, exploitant van parkeergarages, om de samenwerkings- en erfpachtovereenkomsten tussen Q-Park Exploitatie B.V. (een concurrent) en de gemeente Maastricht. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht had het verzoek integraal afgewezen nu beide overeenkomsten geheel uit vertrouwelijk aan hem meegedeelde bedrijfs- en fabricagegegevens zou bestaan. De rechtbank achtte slechts onderdelen van beide overeenkomsten van die aard en strekking. P1 Holding stelt in hoger beroep dat van vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens geen sprake is. De informatie is niet vertrouwelijk aan de overheid verstrekt en het betreft geen bedrijfs- en fabricagegegevens. Het hoger beroep van P1 Holding is tweeledig. Enerzijds stelt men dat de informatie niet vertrouwelijk is verstrekt. Anderzijds, dat van bedrijfs- en fabricagegegevens geen sprake is.
  3. De standaardoverweging over de uitzonderingsgrond van artikel 10 lid 1 onder c Wob is ook in deze uitspraak opgenomen: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 april 2008, nr. 200704972/1, AB 2008/209), zijn bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn.
  4. Vertrouwelijk verstrekt?

  5. Het eerste onderdeel van het betoog van P1 Holding wordt wat impliciet van de hand gewezen door de Afdeling. Zij merkt op dat de niet openbaar gemaakte passages, die onderdeel zijn van de samenwerkingsovereenkomst en de erfpachtovereenkomst, de schriftelijke vastlegging van tussen de gemeente en Q-Park gemaakte afspraken betreft. Zonder hier verder expliciet de conclusie aan te verbinden dat het (dus) gaat om vertrouwelijk verstrekte gegevens, lijkt de Afdeling wel iets dergelijks te concluderen.
  6. Bij dit onderdeel van artikel 10 lid 1 onder c wordt veelal de aandacht gevestigd op de vraag of iets nu wel of niet ‘vertrouwelijk’ is. Van belang daarbij is op te merken dat de uitdrukkelijke vermelding bij het verstrekken van de gegevens van het woord ‘vertrouwelijk’ of een synoniem daarvan blijkens de jurisprudentie leidt tot geen enkel twijfel of de stukken vertrouwelijk zijn verstrekt. Aan de andere kant doet het ontbreken van een dergelijke kwalificatie niet af aan het vertrouwelijke karakter. Doorslaggevend is of de mededeling plaats heeft in het kader van een contact dat het bedrijf redelijkerwijs als vertrouwelijk mag beschouwen (zie bijvoorbeeld Vz. ARRS 13 december 1990, R03.90.6982/S6697). Dit maakt ook dat het wel noemen van vertrouwelijkheid geen ‘zekerheid’ biedt voor de onderneming, dat zijn informatie geheim blijft.
  7. Minder uitvoerig besproken in jurisprudentie en literatuur is het punt dat P1 Holding naar voren brengt: de vraag of de informatie wel vertrouwelijk is verstrekt. Vermoedelijke gedachte achter dit betoog is dat de bewuste artikelen uit de overeenkomsten een weergave zijn van dat wat beide partijen zijn overeengekomen, maar geen informatie die door Q-Park is overgelegd. Geen rare gedachte nu de informatie daarmee niet meer informatie betreft die vanuit de onderneming aan het bestuursorgaan is verstrekt, maar eerder een gezamenlijk product dat tot stand is gekomen na onderhandelingen. Voor een dergelijke ‘strikte’ opvatting van het woord ‘verstrekt’ valt veel te zeggen. Te meer nu het vaste jurisprudentie is dat alle overige onderdelen van deze uitzonderingsgrond strikt worden toegepast en geïnterpreteerd. De Afdeling lijkt het niet zo formeel op te pakken. Hierbij zij nog opgemerkt dat onderdelen van het gezamenlijke product nog altijd kunnen bestaan uit vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens.
  8. Bedrijfs- en fabricagegegevens

  9. De Afdeling kijkt vervolgens ook naar dit meer materiële onderdeel van de uitzonderingsgrond van artikel 10 lid 1 onder c door te onderzoeken of sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens. Na bestudering van de stukken merkt zij op dat de passages geen gegevens bevatten, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Evenmin bevatten zij gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen. Deze uitzonderingsgrond is dan ook ten onrechte aan de weigering ten grondslag gelegd.
  10. Onevenredige bevoordeling of benadeling

  11. Vervolgens bespreekt de Afdeling de specifieke onderdelen om te bezien of sprake is van onevenredige bevoordeling of benadeling. Nu op al die onderdelen sprake is van informatie die op (hoofdlijnen) reeds openbaar is, acht zij een dergelijke bevoordeling of benadeling niet aan de orde. Een les die uit dit onderdeel van de uitspraak kan worden getrokken, is dat bij het weigeren van informatie altijd goed getoetst moet worden of de informatie niet al op enigerlei andere wijze openbaar is gemaakt. In dat geval valt een betoog dat de belangen van artikel 10 of 11 Wob aan de orde zijn, immers moeilijk te verdedigen. In onderhavige geval was er reeds een zogeheten ‘letter of intent’ (ook wel intentieovereenkomst) openbaar gemaakt en waren andere onderdelen van de nu opgevraagde overeenkomsten openbaar geworden door de (op dit punt niet aangevochten) uitspraak van de rechtbank. Gelet op de nagenoeg gelijkluidendheid, kan een weigering van het verzoek op deze onderdelen geen stand houden.
  12. Ik wil hierbij nog het volgende opmerken. Een andere lijn van beoordeling had kunnen zijn dat de Wob niet (meer) van toepassing is. De Wob gaat immers enkel over niet openbare informatie. Nu de informatie blijkbaar uit andere hoofde al openbaar is, kan geen beroep worden gedaan op de Wob (vgl. ABRvS 29 september 2010, LJN BN8563). Strikt genomen meen ik dan ook dat de Afdeling niet heeft kunnen oordelen dat de Wob niet aan openbaarmaking in de weg zou kunnen staan en het college de informatie op grond van de Wob alsnog openbaar zou moeten maken. Wat theoretisch misschien, maar m.i. is het juridisch juister.
  13. Dat dit punt meer speelt in de praktijk, blijkt uit een andere recente uitspraak. De rechtbank Alkmaar diende te oordelen over de openbaarheid van kandidaatlijsten (model H1) (Rb. Alkmaar 10 maart 2011, LJN BP7229). De rechtbank ‘vaart’ hier geheel anders dan ik zojuist en oordeelt dat ze zich niet kan verenigen met het standpunt van de voorzitter van het hoofdstembureau van de gemeente Castricum dat stukken die ooit ter inzage hebben gelegen openbaar zijn, zodat deze stukken niet meer openbaar gemaakt kunnen worden met toepassing van de Wob. De rechtbank oordeelt, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling dat stukken die openbaar zijn in die zin dat ze (langs andere weg) voor eenieder opvraagbaar zijn, niet ingevolge de Wob openbaar gemaakt kunnen worden (uitspraak van 20 oktober 2010, LJN BO1165) en dat gegevens die al eerder openbaar zijn gemaakt aan degene die een Wob-verzoek doet, niet vallen onder de reikwijdte van de Wob (29 september 2010, LJN BN8563). M.i. derhalve een lijn in de jurisprudentie die maakt dat bij reeds openbare informatie, de Wob geen rol meer kan spelen.
  14. De rechtbank gaat echter verder en stelt dat uit deze uitspraken niet valt af te leiden dat informatie die ooit ter inzage heeft gelegen, niet meer met toepassing van de Wob openbaar gemaakt kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank krijgt de Wob een te beperkt toepassingsbereik als ervan moet worden uitgegaan dat de Wob alleen van toepassing is op informatie die nooit ter inzage heeft gelegen of anderszins openbaar is geweest, maar thans niet of niet meer voor eenieder opvraagbaar is. Voor die opvatting kan de rechtbank in de jurisprudentie van de Afdeling ook geen steun vinden. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2000, LJN AA5845 (JB 2000/142), waarin is overwogen dat de belangenafweging in het kader van de Wob niet kan leiden tot niet algemene openbaarmaking, dat wil zeggen slechts bekendmaking aan een bepaalde verzoeker met een specifiek belang. Nu de gevraagde informatie met toepassing van de Wob aan een derde was verstrekt, moest deze informatie worden geacht desverzocht voor iedere burger beschikbaar te zijn. De afwijzing van het Wob-verzoek tot terbeschikkingstelling van die gegevens was volgens de Afdeling door het bestuursorgaan ten onrechte gehandhaafd. De rechtbank leidt hieruit af dat het feit dat gegevens openbaar zijn geweest of zijn gemaakt ertoe moet leiden dat verstrekking van deze gegevens met een beroep op de Wob niet geweigerd kan worden. Dit is volgens de rechtbank ook in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 1996 (zij verwijst hierbij naar een door mij niet te traceren LJN ZF2009)
  15. De rechtbank gaat hier m.i. te ver. De discussie in de uitspraak van 25 april 2000 ging erom of het enkel verstrekken van strafdossiers van voetbalvandalen aan de KNVB wel of geen openbaarmaking inhield. De Minister betoogde dat vanwege een specifiek belang van de KNVB mogelijk was dat informatie enkel aan deze organisatie werd verstrekt. Hoewel bestuursorganen onderling eerder geneigd zullen zijn informatie te verstrekken en dit gelet op hun (soms overlappende) taken wenselijk is (het voorontwerp ‘Algemene wet overheidsinformatie’ van Van der Meulen trof hier dan ook een voorziening voor), is er in de huidige situatie strikt genomen sprake van openbaarmaking (aan een ieder) zodra informatie aan een ander wordt verstrekt. Zodoende kan het niet verstrekken van de informatie naar aanleiding een later ingediend Wob-verzoek niet aan de orde zijn.
  16. In deze uitspraak uit 2000 draagt de Afdeling de Minister vervolgens op, opnieuw op het verzoek te beslissen, zonder daarbij m.i. een uitspraak te doen over de vraag of de Wob nog wel het wettelijk kader is en dus de grondslag vormt voor verstrekking. Op welke wijze de Minister vervolgens heeft besloten is mij niet bekend. Wel is mij duidelijk dat de Afdeling niet verder is gegaan dan vast te stellen dat het selectief verstrekken op grond van de Wob niet aan de orde kan zijn. Daaruit kan naar mijn mening niet worden opgemaakt dat de Afdeling dus stelt dat er een Wob-besluit dient te volgen naar aanleiding van een verzoek om openbare informatie. Dat lijkt mij niet mogelijk onder de Wob. De uitspraken van 20 oktober 2010 en 29 september 2010 zijn wat dat betreft ook duidelijk en maatgevend.
  17. Beoordeling per onderdeel van een document

  18. Overigens laat de hier opgenomen uitspraak over de samenwerkings- en erfpachtovereenkomsten ook maar weer eens zien op welk detailniveau de Wob-discussie wordt uitgevochten. Dit vraagt dus nogal wat van het bestuursorgaan en de toetsing die het moet doen bij het beoordelen van de documenten die het wil weigeren.

Essentie

Art. 10 lid 1 onder c en 10 lid 2 onder g Wob (vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens, onevenredige bevoordeling of benadeling). Wob als grondslag bij reeds openbare informatie?

Samenvatting

Voor de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is vereist dat de documenten, waarvan om openbaarmaking is verzocht, bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die vertrouwelijk aan het bestuursorgaan zijn meegedeeld. De niet openbaar gemaakte passages, die onderdeel zijn van de samenwerkingsovereenkomst en de erfpachtovereenkomst, bevatten de schriftelijke vastlegging van tussen de gemeente en Q-Park gemaakte afspraken. De passages bevatten echter geen gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Evenmin bevatten zij gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen. Het college heeft dan ook ten onrechte artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob aan de weigering om de desbetreffende passages openbaar te maken ten grondslag gelegd. Van onevenredige bevoordeling of benadeling is geen sprake nu (vrijwel) dezelfde informatie reeds openbaar is gemaakt.

Partij(en)

Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P1 Holding B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: P1 Holding),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) van 11 juni 2010 in zaak nr. 09/619 in het geding tussen:
P1 Holding
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: het college).

Uitspraak

  1. Procesverloop

    Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van P1 Holding om openbaarmaking van de tussen Q-Park Exploitatie B.V. en de gemeente Maastricht op 8 juli 2003 gesloten samenwerkings- en erfpachtovereenkomsten afgewezen. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het het door P1 Holding daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
    Bij uitspraak van 11 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door P1 Holding daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 9 oktober 2008 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het college de beide overeenkomsten openbaar maakt met uitzondering van een aantal in de uitspaak vermelde onderdelen daarvan. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft P1 Holding bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 augustus 2010. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Q-Park is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen en heeft bij brief van 14 september 2010 een reactie ingediend. P1 Holding en Q-Park hebben toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), verleend. Bij brief van 7 januari 2011 heeft P1 Holding nog een schriftuur ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2011, waar P1 Holding, vertegenwoordigd door mr. S. Verschuur, advocaat te Amsterdam, en mr. T.D. Rijs, advocaat te Enschede, het college, vertegenwoordigd door mr. R.A.H. Vlecken en mr. H.C. Lejeune, beiden advocaat te Maastricht, en ing. E.J.F. Westbroek, werkzaam in dienst van de gemeente, en Q-Park, vertegenwoordigd door mr. C.E. Houtkooper, advocaat te Amsterdam, en haar [bestuurder], zijn verschenen.

  2. Overwegingen

    1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten, over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, blijft het eveneens achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden.
    2. P1 Holding en Q-Park exploiteren elk parkeergarages in Nederland. In Maastricht exploiteert Q-Park er negen. In verband hiermee hebben zij en de gemeente op 8 juli 2003 een samenwerkings- en een erfpachtovereenkomst gesloten. P1 Holding heeft de gemeente in rechte aangesproken en onder meer gevorderd dat haar gelast wordt de samenwerkingsovereenkomst te beëindigen.
    3. Het college heeft aan het besluit van 12 maart 2009 ten grondslag gelegd dat het samenstel van de verschillende onderdelen die in de overeenkomsten aan de orde zijn het business-model vormen, waarmee Q-Park zich van haar concurrenten kan onderscheiden. Uit de gemaakte afspraken kunnen volgens hem bedrijfs- en fabricagegegevens worden afgeleid. Het heeft de weigering gebaseerd op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wob. Daarnaast heeft het het tweede lid, aanhef en onder g, daaraan ten grondslag gelegd.
    4. Volgens de rechtbank heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de samenwerkings- en de erfpachtovereenkomst geheel uit vertrouwelijk aan hem meegedeelde bedrijfsen fabricagegegevens bestaan. Slechts de artikelen 4, sub c, tweede alinea, 4, sub d, derde alinea, 4, sub e, eerste alinea, 7, sub f, tweede alinea, 8.1, laatste zes regels en 8.6 van de samenwerkingsovereenkomst en de artikelen 15.5, ii, 15.6, ii, 16.5, tweede alinea en 23.2. van de erfpachtovereenkomst bevatten volgens haar zulke gegevens. Ten aanzien van die passages heeft het college zich mogen beroepen op de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Voorts heeft het de openbaarmaking van de samenwerkings- en de erfpachtovereenkomst evenmin op de voet van het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob mogen weigeren, aldus de rechtbank.
    5. P1 Holding betoogt dat de rechtbank, door niet te bepalen dat de gehele samenwerkings- en de gehele erfpachtovereenkomst openbaar gemaakt worden, heeft miskend dat de niet openbaar gemaakte passages geen bedrijfs- en fabricagegegevens, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob, bevatten. De beide overeenkomsten bevatten geen vertrouwelijk aan de overheid verstrekte informatie. Voorts gaat het niet om bedrijfs- en fabricagegegevens. Deze termen dienen restrictief te worden uitgelegd. Uit de desbetreffende passages kunnen geen wetenswaardigheden worden afgeleid over de bedrijfsvoering van Q-Park. Evenmin kunnen daaruit wetenswaardigheden worden afgeleid, waarmee concurrenten van Q-Park in toekomstige aanbestedingen hun voordeel zouden kunnen doen, aldus P1 Holding.
      1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 29 april 2008 in zaak nr. 200704972/1), zijn bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, slechts die gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden zodanige bedrijfsgegevens zijn.
      2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte passages uit de overeenkomsten. Voor de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is vereist dat de documenten, waarvan om openbaarmaking is verzocht, bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten die vertrouwelijk aan het bestuursorgaan zijn meegedeeld. De niet openbaar gemaakte passages, die onderdeel zijn van de samenwerkingsovereenkomst en de erfpachtovereenkomst, bevatten de schriftelijke vastlegging van tussen de gemeente en Q-Park gemaakte afspraken. De passages bevatten echter geen gegevens, waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Evenmin bevatten zij gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen. Het college heeft dan ook ten onrechte artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob aan de weigering om de desbetreffende passages openbaar te maken ten grondslag gelegd. Het betoog slaagt.
    6. Dit leidt echter op zichzelf niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de gehele samenwerkings- en de gehele erfpachtovereenkomst openbaar worden gemaakt. Naast artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, heeft het college ook het tweede lid, aanhef en onder g, aan de weigering ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft over de niet openbaar gemaakte passages overwogen dat het college dat terecht heeft gedaan. Dit betekent dat, anders dan P1 Holding stelt, het oordeel van de rechtbank over de door het college toegepaste weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob geen betrekking heeft op deze passages, maar kennelijk slechts ziet op de overige, in hoger beroep niet in geding zijnde, passages van de samenwerkings- en de erfpachtovereenkomst. De Afdeling zal daarom in het licht van hetgeen in beroep daarover is aangevoerd onderzoeken of het college openbaarmaking van de niet openbaar gemaakte passages met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob mocht weigeren.
    7. Aan deze toepassing heeft het ten grondslag gelegd dat Q-Park en de gemeente door openbaarmaking van de gevraagde informatie onevenredig benadeeld zouden worden en P1 Holding onevenredig bevoordeeld. Het heeft daartoe gewezen op de vorderingen die P1 Holding in rechte heeft ingesteld en aangevoerd dat het niet gehouden is om de gevraagde documenten buiten de bewijsrechtelijke regels die van toepassing zijn in die procedures te verstrekken. Hierdoor zouden de procesposities van de gemeente en Q-Park onevenredig worden geschaad. Voorts zou openbaarmaking leiden tot onevenredige benadeling van Ernst&Young, die betrokken was bij de totstandkoming van de samenwerking tussen de gemeente en Q-Park en waartegen P1 Holding een tuchtrechtelijke procedure is gestart.
      1. P1 Holding heeft in beroep aangevoerd dat het college de toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob aldus niet toereikend heeft gemotiveerd. Volgens haar worden de procesposities van de gemeente en Q-Park door de openbaarmaking van beide overeenkomsten niet geschaad. Evenmin leidt de openbaarmaking volgens haar tot onevenredige benadeling van Ernst&Young.
      2. Het college heeft bij het besluit van 9 oktober 2008 onder meer de ‘Letter of intent gemeente Maastricht — Q-Park inzake samenwerkingsverband parkeren’ van 27 november 2002 (hierna: de letter of intent) openbaar gemaakt. Het is in zoverre in rechte onaantastbaar. Voor zover de rechtbank het college heeft gelast de samenwerkings- en de erfpachtovereenkomst openbaar te maken, is daartegen geen hoger beroep ingesteld.
      3. Artikel 4, sub d, derde alinea, artikel 4, sub e, eerste alinea, artikel 7, sub f, tweede alinea en artikel 8.1, laatste zes regels, van de samenwerkingsovereenkomst bevatten vrijwel dezelfde informatie als die is opgenomen in de letter of intent onder de nummers 14, 15, 17 en 27 van dat laatste document. Nu deze informatie derhalve openbaar is, kan openbaarmaking van deze passages niet leiden tot de gestelde onevenredige bevoordeling van P1 Holding, dan wel onevenredige benadeling van het college, Q-Park of Ernst&Young. In artikel 8.6 van de samenwerkingsovereenkomst is het bepaalde in de artikelen 7 — met uitzondering van de laatste zin van de eerste alinea van artikel 7f — en 8 van de samenwerkingsovereenkomst van toepassing verklaard op de garages Céramique Noord, Céramique Zuid en Markt Maas en op nieuwe toekomstige garages in Maastricht en dit artikel bevat daarnaast een kettingbeding. Nu de artikelen 7 en 8 van de samenwerkingsovereenkomst openbaar zijn, kan openbaarmaking van die passages evenmin leiden tot de gestelde onevenredige bevoordeling van P1 Holding, dan wel onevenredige benadeling van het college, Q-Park of Ernst&Young. Artikel 15.5, ii, van de erfpachtovereenkomst bevat een regeling over de vergoeding bij tussentijdse opzegging van een of enkele rechten van erfpacht door de gemeente vanwege het algemeen belang. Artikel 15.6, ii, van de erfpachtovereenkomst bevat een vergelijkbare regeling in het geval van tussentijdse opzegging door de gemeente in overige gevallen. Nu als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de regeling voor de berekening van de vergoeding bij opzegging van de gezamenlijke rechten van erfpacht openbaar is, kan openbaarmaking van deze passages niet leiden tot de gestelde onevenredige bevoordeling van P1 Holding, dan wel onevenredige benadeling van het college, Q-Park of Ernst&Young. Artikel 16.5, tweede alinea, van de erfpachtovereenkomst ziet op een vergoedingsregeling bij einde van de erfpacht. Deze regeling is door openbaarmaking van artikel 16.5, eerste alinea, van de erfpachtovereenkomst grotendeels openbaar. In deze regeling is bepaald dat de gemeente binnen twee weken na 31 december 2032 aan Q-Park een vergoeding zal betalen voor de door Q-Park gedane investeringen ter grootte van € 32.000.000,- welk bedrag zal worden verhoogd met een bedrag van maximaal € 9.400.000,- aan vennootschapsbelasting. Artikel 16.5, tweede alinea, van de erfpachtovereenkomst bepaalt dat betalingen uit hoofde van artikel 15.5, ii en/of artikel 15.6, ii, van de erfpachtovereenkomst op het bedrag van € 32.000.000,- in mindering worden gebracht en ook het maximum aan door de gemeente te vergoeden vennootschapsbelasting in evenredigheid zal worden verminderd. Nu deze vergoedingsregeling grotendeels openbaar is, kan openbaarmaking van deze passage niet leiden tot de gestelde onevenredige bevoordeling van P1 Holding, dan wel onevenredige benadeling van het college, Q-Park of Ernst&Young. In artikel 4, sub c, tweede alinea van de samenwerkingsovereenkomst zijn de vergoedingsregelingen van de artikelen 15 en 16.5 van de erfpachtovereenkomst ook van toepassing verklaard op de opzegging, dan wel het einde van de samenwerkingsovereenkomst. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van deze passage zal leiden tot de gestelde onevenredige bevoordeling van P1 Holding, dan wel onevenredige benadeling van het college, Q-Park of Ernst&Young. Artikel 23.2 van de erfpachtovereenkomst bevat een verbod van cessie. Het college heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van dat beding tot de gestelde onevenredige bevoordeling of benadeling van de betrokken partijen zal leiden.
      4. De conclusie is dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van openbaarheid van de niet openbaar gemaakte passages niet tegen dat bij het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob opweegt. Het college heeft ten onrechte geweigerd de desbetreffende passages openbaar te maken.
    8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de in rubriek 2 van die uitspraak vermelde artikelen en onderdelen daarvan daarbij zijn uitgezonderd van openbaarmaking, zodat het college de samenwerkings- en de erfpachtovereenkomst in hun geheel openbaar dient te maken.
    9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
  3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin:
    I. verklaart het hoger beroep gegrond;
    II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juni 2010 in zaak nr. 09/619, voor zover de in rubriek 2 van die uitspraak vermelde artikelen en onderdelen daarvan daarbij zijn uitgezonderd van openbaarmaking;
    III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maastricht tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P1 Holding B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
    IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Maastricht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid P1 Holding B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
    Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.

    w.g. Loeb voorzitter
    w.g. Idema ambtenaar van staat

    Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011