Geheimhouding

Rechtbank Noord-Holland 3 juni 2021; over de bekendmaking van geheimhoudingsbesluiten

Geheimhouding op grond van de Gemeentewet en de verhouding met de Wob. Never a dull moment, altijd wel iets nieuws. In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland toch ook weer. Niet zozeer dat sprake is van twee besluiten (behandeling Wob-verzoek en afhandeling verzoek tot opheffing geheimhouding). Wel wat betreft de volgens de rechtbank geldende eisen qua bekendmaking van het geheimhoudingsbesluit. De rechtbank laat zich daarover uit omdat appellant in het beroep in Wob-verband stelt dat het geheimhoudingsbesluit niet deugt. Dat aspect ligt niet voor in Wob-verband – het gaat immers alleen over het Wob-besluit – en dus stuurt de rechtbank het beroep voor dat deel door als zijnde een bezwaarschrift tegen het geheimhoudingsbesluit.

In Wob-verband slaagt het beroep overigens omdat de gemeente erkend dat er meer documenten moeten zijn. Jammer dat men dit pas op de zitting aangaf en niet eerder – hangende beroep – een poging tot herstel heeft ondernomen.

Bekendmakingseisen bij geheimhoudingsbesluiten?

Om te voorkomen dat de gemeenteraad aan niet-ontvankelijkheid denkt – want te laat is opgekomen tegen het geheimhoudingsbesluit – stelt de rechtbank het nodige over bekendmaking van het geheimhoudingsbesluit. Volgens de rechtbank had dit immers op grond van artikel 3:41 van de Awb aan eiser als belanghebbende moeten worden bekendgemaakt. Dit omdat hij ten aanzien van de betrokken stukken al een Wob-verzoek had gedaan. Openbaarmaking op de website is dan onvoldoende voor bekendmaking, aldus de rechtbank.

De rechtbank lijkt niet helemaal zeker van zijn zaak, want merkt “overigens” ook op dat, indien de geheimhoudingsbesluiten van de raad niet als tot eiser als belanghebbende gerichte besluiten moeten worden aangemerkt, de raad dan op grond van artikel 3:43 Awb tenminste mededeling daarvan aan eiser had moeten doen. Reden hiervoor ziet de rechtbank in het feit dat de nieuwe besluiten gelet op de voorgeschiedenis en de eerdere beroepszaak moeten worden aangemerkt als besluiten waarover eiser zijn zienswijze had gegeven, zodat eiser ook onder die omstandigheden desgewenst dan (tijdig) bezwaar had kunnen maken.

Wanneer aan wie bekend maken?

De rechtbank had die veiligheidsklep niet hoeven inbouwen denk ik in dit geval. Deze discussie (Wob-verzoek wordt ook verzoek opheffing geheimhouding) speelt natuurlijk sinds de uitspraak uit 2016 waarin de Raad van State ‘omging’. Het Wob-verzoek naar stukken waar geheimhouding op rust moet sindsdien ook worden aangemerkt als verzoek tot opheffing van de geheimhouding én de verzoeker is dan ook belanghebbende bij dat geheimhoudingsbesluit (zie deze annotatie). De Raad van State beperkt de kring van belanghebbenden bij de geheimhouding kennelijk tot de indiener van het verzoek.

Die kring is daarmee beperkt tot raadsleden, degene waar de informatie mogelijk op ziet en dan dus de Wob-verzoeker. Artikel 3:41 Awb zou dan m.i. het kader vormen voor bekendmaking. Dat is evenwel alleen het geval als het verzoek om informatie naar die stukken al is ingediend, later geheimhouding op wordt gelegd en nog niet is besloten op het Wob-verzoek. Dat was in deze zaak het geval.

In andere gevallen zou de uitleg van de rechtbank van 3:43 Awb ertoe leiden dat dus rekening moet worden gehouden met eerdere Wob-verzoeken naar documenten waar geheimhouding op rustte waarbij later een wijziging van de geheimhouding bij een besluit wordt doorgevoerd. Dat vergt wel de nodige administratie. Bovendien is het de vraag of dit vaak voorkomt. Hoewel het is aan te bevelen om na verloop van tijd eerdere geheimhoudingsbesluiten nog eens tegen het licht te houden, is dit geen vaste praktijk bij velen. Eerder is dit aan de orde bij een Wob-verzoek dat dus dwingt tot een nieuwe beoordeling. In dat geval zou de stelling kunnen zijn – volgens de rechtbank – dat de afhandeling van het verzoek tot opheffing ook bekend gemaakt moet worden naar personen die eerder bot vingen bij een verzoek op grond van de Wob naar diezelfde documenten.

Ik vind die lezing van het betrokken zijn bij de voorbereiding van het nieuwe geheimhoudingsbesluit omdat je eerder vroeg om dezelfde stukken wel erg ver gaan. De rechtvaardiging in dit geval ligt in de voorgeschiedenis en de eerdere beroepszaak (die aanleiding was voor het nieuwe geheimhoudingsbesluit), maar dan zou ik toch echt meer reden zien om de plicht van bekendmaking te vinden in 3:41 Awb.