CvdS over actueel

Rechtbank Noord-Holland 17 juni 2021; namen van politici en anderen die naar buiten treden toch soms te lakken

De lijn in de rechtspraak van de Raad van State lijkt helder. Ambtenaren die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, komt bescherming van de persoonlijke levenssfeer toe. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak uit 2018 (met annotatie):

De Afdeling preciseert haar jurisprudentie en overweegt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt. Nu het in deze zaak gaat om de namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden en [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de desbetreffende medewerkers, heeft het bestuur openbaarmaking van de namen terecht geweigerd.

Treedt de ambtenaar of bestuurder wel in de openbaarheid, dan houdt het op wat betreft een beroep op 10, lid 2 onder e Wob. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak uit 2011 (met annotatie):

Ook waar het gaat om openbaarmaking van de namen van de bij de demonstratie betrokken politieambtenaren geldt dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking daarvan kan verzetten. Ten aanzien van het merendeel van de niet verstrekte namen heeft de korpsbeheerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat die situatie zich in dit geval voordoet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 augustus 2009 in zaak nr. 200807021/1/H3) kan ten aanzien van communicatiemedewerkers van de politie evenwel niet met vrucht worden staande gehouden dat door openbaarmaking van deze namen het in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob opgenomen belang in geding is, aangezien zij zichzelf reeds uit hoofde van hun functie in de openbaarheid presenteren. Dit geldt in dit geval evenzeer voor de burgemeester. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, brengt de omstandigheid dat zijn naam reeds publiekelijk bekend is niet mee dat verstrekking hiervan kan worden geweigerd in het kader van het onderhavige Wob-verzoek.

In de praktijk wordt dit veelal ‘zwart-wit’ geïnterpreteerd. Zowel in interne als externe correspondentie komt degene die naar de aard van zijn/haar functie in de openbaarheid treedt – wat onder meer kan blijken uit een mandaat – geen beroep op de persoonlijke levenssfeer grond meer toe.

In een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland wordt daarop een interessante (en voor zover mij bekend nieuwe) nuance aangebracht. Betrokken notaris en taxateur treden in beginsel naar de aard van hun functie in de openbaarheid, maar doen dat niet in alle gevallen in de onderliggende documenten. Ik lees het maar zo, dat als de notaris een interne mail met het bestuursorgaan deelt, dan mag de naam wel worden gelakt.

Ook voor politici en anderen (meer ‘interne betrokkenen’) geeft de rechtbank ruimte voor deze nuance gekoppeld aan de al dan niet openbare handeling die zou worden verricht. Alleen bij een openbare handeling van deze individuen zou de naam niet gelakt mogen worden. Dat levert een aardig puzzel op. In een interne mail mag de naam van een politicus worden weggelakt, tenzij wordt verwezen door die politicus naar een eigen blog.

De rechtbank ziet tot slot nog ruimte voor een aparte benadering bij besluitvormende bevoegdheden. Is sprake van zo’n bevoegdheid (ook via een ondertekeningsmandaat) dan komt een beroep op 10 lid 2 onder e niet in beeld.