CvdS over actueel

Rechtbank Midden-Nederland 5 oktober 2022; Eerste beoordeling van Woo uitzonderingen (persoonlijke beleidsopvattingen en goed functioneren overheid)

Na een eerder duidelijk signaal van de Rechtbank Midden-Nederland over de wijziging die de wetgever op het oog had met het beschermen van persoonlijke beleidsopvattingen (zie update) wordt dit helder en uitvoerig besproken bij een eerste inhoudelijke beoordeling van diezelfde rechtbank van een besluit dat op grond van de Wet open overheid is genomen. Die beoordeling is te lezen in deze uitspraak van 5 oktober. De wijziging die de wetgever voor ogen had wat betreft de persoonlijke beleidsopvattingen, was dat er minder aan informatie onder moet worden verstaan. Krijgt iets meer objectief van karakter zo werd de nieuwe definitie vooral gelezen, dan kan geen beroep worden gedaan op de bescherming die artikel 5.2 Woo biedt. Onder de Wob bood artikel 11 bescherming voor dergelijke opvattingen en zelfs ook daarmee verweven feiten.

De rechtbank interpreteert de definitie als volgt. Geen persoonlijke beleidsopvattingen zijn:

  • feiten,
  • prognoses,
  • beleidsalternatieven,
  • de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of
  • andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.

Dat brengt de rechtbank in dit geval tot het oordeel dat bepaalde onderdelen in documenten niet kunnen worden geweigerd met een beroep op artikel 5.2 omdat het een overwegend objectief karakter heeft, of dat het een prognose bevat of een beschrijving van beleidsalternatieven.  Daarmee lijkt dus, anders dan ook wel gedacht gelet op de nieuwe definitie, niet het “overwegend objectief karakter” voor alles van doorslaggevende betekenis. En dus kan ook een meer persoonlijke schets van beleidsalternatieven bijvoorbeeld toch niet als een persoonlijke beleidsopvatting te kunnen worden aangemerkt. Met deze lezing heeft de wetgever kennelijk, althans in elk geval voor de Rechtbank Midden-Nederland, een nog grotere verandering aangebracht dan eerder misschien gedacht.

Ook in dit kader gaat overigens de standaard mantra rond concepten (al vaker onderwerp van updates) weer onderuit. Ook al wijkt een en ander af dan nog kunnen die afwijkingen ook feiten, prognoses etc. zijn zodat een beroep op artikel 5.2 niet aan de orde kan zijn.

Daarnaast bespreekt de rechtbank – voor het eerst – de nieuwe uitzondering die met de Woo is geïntroduceerd: het goed functioneren van de overheid (artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder i). Een uitzondering die veelvuldig wordt toegepast in de praktijk, hetgeen op de nodige kritiek kan rekenen. De rechtbank lijkt hier met deze uitspraak ook een stokje voor te steken. De rechtbank toetst namelijk erg streng. De uitzondering wordt ingeroepen omdat openbaarmaking de goede samenwerking tussen het bestuursorgaan in kwestie (de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van advocaten) en het ministerie van Justitie en Veiligheid onder druk kan zetten. Bij openbaarmaking zullen betrokken medewerkers en organisaties zich in de toekomst namelijk minder vrij voelen om hun gedachten uit te wisselen of om informatie, input te vragen, hetgeen van invloed kan zijn op het goed functioneren van beide partijen aldus de algemene raad. Dit is onvoldoende. Wat op z’n minst nodig is, aldus de rechtbank, is dat duidelijk wordt gemaakt dat het openbaar maken van de informatie zodanig schadelijk is voor het functioneren van de overheid dat dit het belang van openbaarheid overtreft. De rechtbank merkt nog op dat tijdverloop een rol kan spelen. Dat laatste is uiteraard door artikel 5.3 Woo in elk geval aan de orde na een verloop van 5 jaar.