CvdS over Geheimhouding

Rechtbank Den Haag 1 juni 2021; College verantwoordelijk voor niet tijdig besluit over opheffen geheimhouding door raad

Ging het recent nog over de eisen qua bekendmaking van geheimhoudingsbesluiten (zie deze update). Nu weer een ander thema dat nog niet eerder zo duidelijk naar voren kwam in een uitspraak.

De aanloop: het Wob-verzoek aan het college wordt direct ook een verzoek tot opheffing van de geheimhouding (zie deze annotatie). Als die geheimhouding door de raad (door bekrachtiging) is opgelegd, is de raad de bevoegde partij om over het verzoek tot opheffing te oordelen. De raad moet dan wel kennis hebben van het verzoek tot opheffing. Dat veronderstelt dus dat het college het verzoek als zodanig doorstuurt. Doet het dit niet, dan wordt het niet-tijdig (wanneer is het eigenlijk niet tijdig, de wet kent geen concrete beslistermijnen dus zal de redelijke termijn vast 8 weken zijn (4:13 Awb), maar wel na ontvangst?!)  beslissen, toegerekend aan het college, volgens de Rechtbank Den Haag in deze uitspraak.

Een te billijken uitspraak qua uitkomst.

Wel een aantal vragen hierbij:

  • Is wel sprake van een niet-tijdig besluit want gaat de beslistermijn voor de raad (8 weken ingevolge 4:13 Awb?) niet lopen nadat de raad kennis heeft van de aanvraag? Dat is nog niet aan de orde (door het niet doorzenden van het college).
  • Het verwijt aan het college is dan niet zozeer gericht op het niet tijdig besluiten door de raad, maar enkel in het niet doorzenden van het Wob-verzoek. Dat kan toch niet de grondslag zijn in het kader van afdeling 8.2.4a van de Awb?!
  • Want de juridische kwalificatie van het niet-doorzenden is natuurlijk niet het niet (tijdig) nemen van een besluit.
  • Is het dan wel rechtens juist over de band van een beroep niet-tijdig beslissen een bestuursorgaan te ‘veroordelen’ voor het niet verrichten van een handeling, niet zijnde een besluit?

Daar valt best wat tegen in te brengen.

Wat had het wel moeten / ook kunnen zijn?

  • Het had op de weg van het college gelegen om het Wob-verzoek door te sturen aan de raad. Daar had verzoeker ook op moeten aandringen (of dat zelf ook direct kunnen doen).
  • Concreter had het college het bezwaarschrift tegen het Wob-besluit – waar ook werd opgemerkt dat nog steeds niet op het verzoek tot opheffing is beslist – door moeten zenden naar de raad (op grond van 6:15 Awb)?!
  • En ook de ingebrekestelling had diezelfde route moeten afleggen.
  • In dat kader had het ook verstandig geweest dat de rechtbank de raad apart ook had betrokken in de procedure – nadat het voor doorzending van het beroep had zorggedragen. De raad had toen kennis kunnen nemen van al het voorgaande en haar standpunt kunnen bepalen of het wel of niet kunnen beslissen op een aanvraag waarvan het geen kennis heeft.

Ook overigens:

  • Mag in dat kader niet ook meer worden verwacht van de verzoeker (en de professionele gemachtigde) om in dit alles een meer actieve rol (richting de raad of het college) aan te nemen? Inmiddels is de rechtspraak toch bekend over de rolverdeling tussen college en raad bij geheimhouding.

En tot slot:

  • Is een termijn van vier weken om alsnog door te zenden naar de raad – waartoe de rechtbank het college opdraagt – nu wel een juiste? 6:15 Awb zegt zo spoedig mogelijk bij bezwaar- en beroepschriften. De rechtspraak maakt daar in beginsel 14 dagen van. Dat had hier ook best gepast.

NB: gek aan de kwestie, waardoor het onnodig lastig is geworden, is dat al op het Wob-verzoek is beslist. De uitspraak van de Afdeling uit 2016 (zie eerder genoemde annotatie) leert immers dat in afwachting van het oordeel over de opheffing van de geheimhouding, de behandeling van het Wob-verzoek wordt opgeschort. Het was nog helemaal geen tijd (al was het allang tijd uiteraard gegeven de tijd die het college zichzelf had gegund) om in Wob-verband al tot besluitvorming over te gaan.