CvdS over actueel

Rechtbank Amsterdam 6 juli 2021; een mildere lijn voor VWS voor de afhandeling van Corona-Wob-verzoeken

Eerder kreeg de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 28 juni de nodige aandacht. Niet in de laatste plaats omdat een nieuwsprogramma met een redelijk bereik – Nieuwsuur – direct betrokken was bij de procedure en de mogelijkheden niet onbenut liet om er melding van te doen (link voor de uitzending). Dit nieuwsitem en vooral wat er over tijdig beslissen bij de Wob werd gezegd (maar 2 mensen per ministerie zouden aan de Wob doen en in 71% van de gevallen zou niet tijdig worden beslist) behoeft de nodige nuancering en duiding. Die ontbrak helaas, maar daarover later meer. Eerst een actualiteit in dit kader.

Want zojuist verscheen deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam – zelfde vraag, andere verzoeker. Of eenzelfde media-aandacht volgt is sterk de vraag. Of de vacature voor 50 Wob-juristen weer wordt ingetrokken is ook de vraag. Daar is natuurlijk niet direct aanleiding voor (VWS moet nog steeds aan de bak), maar de Rechtbank Amsterdam geeft wel wat meer lucht aan VWS om alle verzoeken (met een bereik van 1,6 miljoen documenten) af te handelen.

Relevante omstandigheden volgens de rechtbank

De uitspraak laat duidelijk zien welke vrijheid de rechter heeft om te handelen bij geslaagde beroepen niet-tijdig beslissen (want er is te laat beslist op het Wob-verzoek). Ook wordt duidelijk hoeveel gewicht de rechter toekent aan de opstelling van verzoeker en het bestuursorgaan. Zo kent de rechtbank veel belang toe aan de volgende omstandigheden:

  1. het aantal documenten.
  2. de belangen van derden, en ook
  3. het aantal andere verzoeken met een soortgelijke strekking.
  4. hierbij acht de rechtbank zelfs relevant dat de betrokken ambtenaren direct betrokken zouden zijn bij de bestrijding van het coronavirus.
  5. en tot slot maakt ook het aannemen van allerlei Wob-juristen en dus alle – kennelijke – inspanningen, de rechtbank zichtbaar coulant en flexibel.

Kritiek op de rechtbank

Op deze punten valt het nodige aan te merken. In de volgorde van hiervoor een korte reactie:

  1. de Wob is natuurlijk blind voor het aantal documenten. 8 weken (2 keer 4) is 8 weken (artikel 6 eerste en tweede lid Wob), de omvang van het aantal documenten is niet relevant.
  2. ook de belangen van derden – die een rol krijgen door die derden om een zienswijze te vragen – is verdisconteerd in de al genoemde 2 keer 4 weken (schorst in de regel, tenzij het milieu-informatie betreft, de beslistermijn immers) (artikel 6 derde lid Wob).
  3. andere verzoeken (of dezelfde bestuurlijke aangelegenheid) spelen natuurlijk geen rol (behalve dat als daarop al is beslist, de informatie al openbaar is en dus een later verzoek om die informatie geen Wob-verzoek meer is).
  4. moeten niet vooral Wob-juristen de informatie beoordelen in het licht van de weigeringsgronden (artikel 10 en artikel 11)? En is ook het naleven van de Wob ergens niet net zo relevant en van belang als dat wat gebeuren moet op het terrein waarover geWobt wordt? De rechtbank maakt de naleving van de Wob nu ‘minder belangrijk’!
  5. natuurlijk is het laten zien van de goede intenties relevant, maar is VWS niet gewoon te laat want moet een bestuursorgaan niet gewoon voldoende goede mensen beschikbaar hebben om de wet na te leven? (Ter nuance meteen: “Hoeveel mag de Wob ons kosten en ten koste van welke ambtelijke capaciteit gaat dit alles?”).

Uitkomst volgens de rechtbank

Uiteindelijk komt men tot een bepaalde prioritering en fasering (iets waar de Woo straks expliciet een basis voor biedt (artikel 4.2a Woo), maar wat allang natuurlijk kan onder de Wob (zie deze uitspraak die meer bekend is als de WhatsApp-uitspraak, update). Verzoeker gaf de prioriteit aan twee van de drie verzoeken. Daarvoor krijgt VWS tot 15 september 2021 (verzoeker wilde het besluit uiterlijk in september ontvangen vanwege journalistieke belangen). Daarmee wordt maar duidelijk dat het opletten is bij het procederen als verzoeker om de informatie. Dat wat je tijdens de zitting opmerkt kan zomaar directe uitwerking krijgen in de uitspraak!

Voor het overige gunt de rechtbank VWS acht maanden (!) na verzending van de uitspraak op de andere Wob-verzoeken! Het dreigement van VWS – dat een termijn korter dan zestien maanden (!) gevolgen heeft voor de afhandeling van oudere verzoeken van anderen – acht de rechtbank (terecht) niet relevant. De rechtbank stelt dat het beroep niet tijdig op zijn eigen merites moet worden beoordeeld, onafhankelijk van de belangen van derden. Maar die belangen – althans de gevolgen van die andere verzoeken – acht ze weer wel relevant voor het bepalen van de redelijke termijn!

De dwangsom die de rechtbank eraan hangt is weer in lijn met het landelijke beleid: EUR 100,- voor elke dag waarmee VWS per Wob-verzoek de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van EUR 15.000,-. Niet de EUR 250,- en EUR 37.500,- van de Rechtbank Midden-Nederland. Iets meer zou toch best redelijk zijn gelet op de twee respectievelijk acht maanden die VWS uiteindelijk krijgt.