CvdS over Rvs

Raad van State 19 januari 2022; Vertrouwelijke correspondentie tussen advocaten toch op te vragen via de Wob

Eerder al geprobeerd maar ook nu zonder resultaat. De geheimhoudingsplicht van de advocaat (artikel 11a van de Advocatenwet) geeft een plicht voor advocaten, hun medewerkers en personeel en andere betrokken personen. Nu in dat artikel niet is opgenomen in welke gevallen onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie mag worden verstrekt, vindt de Raad van State (met deze uitspraak) dat 11a geen bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter is (en dus de Wob niet opzij zet). Waar de Raad van State behoefte aan heeft is dus kennelijk een wat nader geclausuleerde bepaling, zoals artikel 7:457 BW (zie deze annotatie).

Daarbij komt ook dat de geheimhoudingsplicht zich niet richt tot ontvangers van een door een advocaat opgesteld stuk, maar tot, kort gezegd, advocaten.

Nu het stuk dus bij het college van GS ligt – want verstrekt door de advocaat aan het college – berusten de documenten aldaar en biedt de Wob het kader van beoordelen.

Onevenredige benadeling

Dan rest de beoordeling in het licht van de weigeringsgronden. De Raad van State toont zich daarbij best mild bij het inroepen van de onevenredige benadeling (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g). De informatie kan de procespositie van de provincie namelijk schaden. Daarnaast moet de provincie in vertrouwen overleg kunnen plegen met een advocaat om op die wijze een processtrategie te kunnen bepalen. Toch wat milder dan bij andere gevallen waarbij deze meest algemene weigeringsgrond de nodige concrete en overtuigende motivering behoefde en enig nadeel aan de kant van de overheid wel mocht wordt geleden (zie deze update).

Wet open overheid

In de bijlage bij de Woo staat artikel 11a van de Advocatenwet dus kennelijk terecht niet opgenomen. Ook onder de Woo is het dus geen bijzondere regeling.

Op onevenredige benadeling kan het college zich straks niet makkelijk meer beroepen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan op deze weigeringsgrond een beroep worden gedaan (artikel 5.1 lid 5). Gelukkig is met de Wijzigingswet het “goed functioneren van de overheid” als weigeringsgrond geïntroduceerd (artikel 5.1 lid 2 onder i). Dat biedt perspectief voor een geval als hier aan de orde.