CvdS over Rvs

Raad van State 15 september 2021; De ene persoonlijke beleidsopvatting is de andere niet (en wat over de bijzondere regeling van Strafvordering)

Persoonlijke beleidsopvattingen in 2020-2021:

  • het begrip “persoonlijke beleidsopvatting” werd alom bekend door de kinderopvangtoeslagenaffaire (zie dit blog).
  • de Raad van State ging ogenschijnlijk kritischer beoordelen waarom geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm te verstrekken (toepassen dus van artikel 11, tweede lid, Wob) (zie deze annotatie).
  • het rijk maakte bekend eerder persoonlijke beleidsopvattingen bekend te maken (zie dit blog); én
  • de Wet open overheid werd nog even bij amendement verrijkt met een derde lid bij artikel 5.2. Bij formele besluitvorming door bestuursorganen van rijk, provincie of gemeente worden deze opvattingen anoniem openbaar gemaakt (zie update).

Minder kritische Raad van State?

Hoewel de Raad van State dus 24 februari wat kritischer leek te worden op het niet anoniem verstrekken, blijft het zoeken voor de praktijk hoe nu wel (of niet) met deze bevoegdheid om te gaan. In een uitspraak van 15 september 2021 (over openbaarmaking van informatie over fipronil in pluimveestallen) wekt de Raad van State weer de indruk dat relevant zou zijn dat het gaat om:

  • ‘voorgedachten’ van ambtenaren over informatieverstrekking aan de Tweede Kamer en de voorbereiding van die informatieverstrekking en
  • dat het betrekkelijk recente informatie betrof.

Daarmee zijn we ogenschijnlijk weer redelijk terug bij af. Alle persoonlijke beleidsopvattingen zijn ‘voorgedachten’ zou ik menen – kijk maar naar de begripsomschrijving in artikel 1 Wob. Het Wob-verzoek zag op documenten tot en met 1 augustus 2017, het besluit dat voorligt 1 augustus 2018. Maar inmiddels zijn we in 2021 aanbeland!

Hoe dat ook zij, afgezet tegen de uitspraak van 24 februari 2021 lijkt dus vooral een gevaar voor bestuursorganen te zijn als men ‘een beetje’ gebruik maakt van de bevoegdheid van artikel 11, tweede lid. Kiest men er in algemene zin voor om sowieso geen gebruik te maken van die optie, dan wekt de uitspraak van 15 september de indruk dat dit redelijk gemakkelijk wordt geaccepteerd. Zeker als de informatie nog betrekkelijk actueel is.

De uitspraak maakt ook duidelijk dat de ambtelijke voorbereiding op vergaderingen in de Tweede Kamer ook gemakkelijk geheim kan blijven door een beroep te doen op artikel 11 Wob.

Wet open overheid

Onder de Woo zal van dat laatste niet snel sprake meer zijn. De plicht van het derde lid van artikel 5.2 geldt immers voor formele besluitvorming. En als we de uitleg van dit begrip van de initiatiefnemers mogen begrijpen, is dat meer dan alleen Awb-besluiten (dus ook beleidsvoorbereiding) (zie dit blog).

Wanneer iets nog actueel is volgens de Raad van State onder de Wob is niet helemaal duidelijk. Onder de Woo is dat wellicht meer duidelijk. De Wet open overheid hanteert in artikel 5.3 immers een periode van vijf jaar. Is informatie ouder dan vijf jaar, dan zal een weigeringsgrond minder snel aan de orde zijn. Een verzwaarde motiveringsplicht geldt dan.

Onbestemde bijzondere regeling bij strafdossier stukken (artikel 365 Wetboek van Strafvordering)

Verder maakt de uitspraak duidelijk hoe ruim de Raad van State een bijzondere regeling, die op grond van artikel 2 Wob dan voorgaat op de Wob, wil opvatten. Het gaat om artikel 365 van het Wetboek van Strafvordering (maar er zijn er meer, zoals 30 WvSv, zie deze update bijv.) waaruit volgt dat documenten die deel uitmaken van een aan de strafrechter voorgelegd strafdossier buiten de Wob vallen.

Men zou denken dat – vanwege het bijzondere karakter – maar ook overigens redelijk simpel vast te stellen zou moeten zijn of informatie aan de strafrechter is voorgelegd. Deze uitspraak wekt de indruk dat dit niet zo makkelijk is. Zo moet de Raad van State zich kennelijk verlaten op de inhoud van het dossier. Op grond daarvan zou het dan “aannemelijk” zijn dat ze deel uitmaken van het strafdossier. Dit, omdat het over feiten gaat waaruit de vermeende illegale verkoop van fipronil is afgeleid. Hierbij kent men gewicht toe aan een opmerking in dat verband van het openbaar ministerie. Dat legt wel veel verantwoordelijkheid bij de dienstdoende rechter die niet betrokken is in het strafproces!

Enig gebrek dezerzijds van het strafproces speelt wellicht mee, maar het moet toch niet al te moeilijk zijn om onverkorte helderheid te verkrijgen – al dan niet onder geheimhouding ex. artikel 8:29 Awb – over de inhoud van het strafdossier (een soort inhoudsopgave). De huidige werkwijze is voer voor discussie en oogt wat onbevredigend. De kritiek van appellant, dat niet te controleren valt of met recht is verwezen naar de bijzondere regeling die Strafvordering geeft, is op deze wijze wat mij betreft niet helemaal van tafel namelijk.