CvdS over Geheimhouding

Raad van State 14 december 2020; Intern beraad rechtvaardigt geheimhouding processtuk (8:29)

Het jaar 2020 laat zich (ook) kenmerken door een verdergaande ontwikkeling van het thema ‘inbrengen van processtukken in het bestuursrecht’. 8:29 is dan ook zeker onderwerp van het kwartaalwebinar op 7 januari 2021! Niet in de laatste plaats vanwege de overzichtsuitspraak van juni 2020 (zie: update, annotatie en podcast). Eerder werd al duidelijk dat ook interne documenten (zoals e-mails) van het bestuursorgaan processtukken kunnen zijn waarover een 8:29-discussie kan worden gevoerd.

Een recente beslissing van de geheimhoudingskamer maakt duidelijk dat zo’n intern document al snel vertrouwelijk kan worden ingebracht. De stelling wordt gevolgd dat artikel 11, eerste lid, van de Wob dwingt tot een vertrouwelijke behandeling van deze stukken, omdat deze bestemd zijn voor intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De betrokkenen moeten het bestuur in vrijheid kunnen adviseren. Die advisering mondt uiteindelijk uit in een besluit, dat is bekend en dat wordt aangevochten in de bodemprocedure. Er is (dus) geen reden om het intern beraad ook bekend te laten worden voor de appellant.

Enkele opmerkingen hierbij:

  • een intern beraad-stuk is dus al snel rijp voor een 8:29 Awb verzoek;
  • beoordeling per zelfstandig onderdeel van het document is niet (kenbaar) verplicht;
  • het bestuursorgaan hoeft niet eens te kijken naar de optie van lid 2 (anoniem inbrengen). Het is al vaste praktijk bij Wob-besluiten dat hier geen toepassing aan wordt gegeven (zie deze update en dit amendement om de Woo hierop nog aan te passen), maar bij  8:29-verzoeken hoeft het geeneens te worden bezien of dit een optie is;
  • bekendheid met het uiteindelijke besluit rechtvaardigt het oordeel tot beperkte kennisneming (zie ook deze uitspraak). Maar zijn de standpunten van het bestuursorgaan nu niet juist nog beter te volgen als de gedachtenvorming die daaraan vooraf gaat bekend wordt?!