GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: De privacy van de Wob-verzoeker. Openbaarmaking van persoonsgegevens in een besluitenlijst

Afdeling bestuursrechtspraak van der Raad van State 21 december 2016

  1. Een belangwekkende uitspraak voor de overheidspraktijk en voor het debat in de Eerste Kamer over de Wet open overheid. Die wet gaat immers uit van een meer actieve houding van bestuursorganen waar het openbaarmaking betreft en maakt dit expliciet voor besluitenlijsten (zie artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, Wet open overheid en C.N. van der Sluis, ‘De Wet open overheid in de gemeentelijke praktijk; besluitvorming bij passieve en actieve openbaarmaking (deel II)’, Gst. 2016/144, p. 782 e.v.). Inmiddels wordt er ook driftig op geanticipeerd. Gewezen zij op de op 19 december 2016 gepubliceerde Beleidsregel actieve openbaarheid Zuid-Holland 2017 van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (Provinciaal blad 2016, nr. 6746). Maar ook andere ontwikkelingen wijzen op een steeds meer op actieve openbaarheid gerichte overheid, zo valt te denken aan de op 1 november 2016 aangenomen Wijziging van de Gezondheidswet en de Wet op de jeugdzorg met de mogelijkheid tot openbaarmaking van informatie over de naleving en uitvoering van regelgeving (Stb. 2016, 448).
  2. In het geval waar de hier opgenomen uitspraak op ziet had appellant een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB 1992) gericht aan het college van burgemeester en wethouders (college) voor gegevens met betrekking tot de rekenkamer van de gemeente. Bij besluitvorming door het college wordt het besluit ook op de openbare besluitenlijst van de gemeente geplaatst. Eén en ander overeenkomstig artikel 60 van de Gemeentewet. In de openbare besluitenlijst staat dat het een besluit betreft op het verzoek van “naam + woonplaats”. De besluitenlijst is daarna op internet geplaatst.
  3. Deze gevolgen van het verzoek had verzoeker kennelijk niet voorzien; een dergelijke vorm van transparantie en openbaarheid vond hij te ver gaan. Dat uit zich door het telefonische verzoek van diens gemachtigde om de persoonsgegevens van deze openbare besluitenlijst te verwijderen. Het verzoek werd aangemerkt als bezwaar tegen de opname op de besluitenlijst wat het college en de rechtbank ertoe bracht te redeneren in lijn met een eerdere uitspraak van de Afdeling. Op 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY6661) oordeelde de Afdeling immers dat het verzoek tot publicatie in het gebruikelijke medium van de besluitenlijsten van alle raadscommissievergaderingen in een bepaalde periode neerkwam op een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. In de artikelen 23, vijfde lid, en 82, vijfde lid, van de Gemeentewet is voor besluitenlijsten bepaald dat deze op de “gebruikelijke wijze” openbaar worden gemaakt. De manier waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan deze openbaarmakingsplicht levert geen besluit op in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van
    de Awb. Het verzoek tot het publiceren is dan geen aanvraag een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
  4. In het hier voorliggende geval gaat het evenwel om een verzoek tot het verwijderen van bepaalde informatie. Dat past niet in de sleutel van het gestelde in de Gemeentewet maar, aldus de Afdeling hier, in de sleutel van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Daarin is immers de grondslag gegeven voor het aantekenen van verzet tegen verwerking van persoonsgegevens. Kennelijk kwalificeert de telefonische mededeling – verwijder alstublieft – als een zodanig verzet en staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open nu een beslissing op een dergelijk verzoek kwalificeert als een besluit in de zin van de Awb. Gegevens die een natuurlijke persoon identificeren (direct) of identificeerbaar maken (indirect) kwalificeren als persoonsgegevens. In de Wbp (artikel 16 Wbp) worden daarnaast bijzondere persoonsgegevens onderscheiden. In het hier aan de orde zijnde geval betreft het de naam en de woonplaats van de appellant. Naam en woonplaats kwalificeren niet als bijzondere persoonsgegevens, maar als persoonsgegevens. Appellant beroept zich op het recht van verzet, zoals verwoord in artikel 40 van de Wbp. De Afdeling gaat daar, terecht, niet in mee en stelt dat sprake is van een beroep op het recht van correctie en verwijdering, zoals verwoord in artikel 36 van de Wbp. Het recht van verzet, dat overigens uitgebreider is dan het recht van verzet onder de Wet persoonsregistraties (M.J. Dontje, ‘Overgang Wet persoonsregistraties naar Wet bescherming persoonsgegevens’, Contact 2000/1, p. 49-50), is immers alleen in te roepen wanneer het bestuursorgaan persoonsgegevens heeft gepubliceerd ter vervulling van een publiekrechtelijke taak of ter verwerking in verband met de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de verantwoordelijke (artikel 8, aanhef en onder e of f, van de Wbp) en belanghebbende bijzondere persoonlijke omstandigheden aandraagt. Het college heeft de naam en de woonplaats van appellant openbaar gemaakt ter vervulling van een op haar rustende wettelijke plicht (artikel 8, aanhef en onder c, van de Wbp) ingevolge artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet. Reeds daarom kan het beroep van appellant op artikel 40 van de Wbp niet slagen. Daarbij zij nog opgemerkt dat appellant geen bijzondere persoonlijke omstandigheden heeft aangedragen en qua bewoordingen aansluit bij de tekst van artikel 36 van de Wbp (r.o. 5.4).
  5. Wat betekent dit voor de gemeentelijke praktijk en de keuzes die te maken zijn bij actieve openbaarmaking? Het is zaak om te bezien of de persoonsgegevens, waaronder dus ook naam en woonplaats, voor het doel van de verwerking (openbaarmaking op grond van bijvoorbeeld hier artikel 60, derde lid, Gemeentewet), ter zake dienend zijn en of deze persoonsgegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.
  6. Specifiek voor de toepassing van artikel 60, derde lid, Gemeentewet blijft verwerking achterwege indien dit in strijd is met het openbaar belang. Daaronder moet, zo volgt uit de uitspraak waarmee de Afdeling het college wat richtlijnen mee wil geven (r.o. 5.6), ook onder omstandigheden de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Via die band kan verwijdering van deze gegevens op grond van artikel 36 Wbp aan de orde zijn.
  7. Wat betreft de bij de parlementaire geschiedenis nog genoemde terughoudendheid qua anonimiseren merkt de Afdeling op dat de tijd (sinds 2001!) alweer zodanig gevorderd is dat deze bepaling meer in de context van deze tijd moet worden geplaatst. De grote schaal waarop het internet sindsdien wordt gebruikt en de zoekmogelijkheden daarbij nopen tot minder terughoudendheid. Anonimiseren lijkt dan ook uitgangspunt te moeten worden hetgeen een breder ingezet beleid van actieve openbaarmaking nog arbeidsintensiever maakt. Artikel 3.3 van de Wet open overheid geeft de mogelijkheid om de weigeringsgronden van artikel 5.1 en 5.2 te betrekken bij de actieve openbaarmaking. Dat zou dus een vanzelfsprekendheid worden wat be- treft artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e (de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer).
  8. De vraag of de verzoeker in kwestie het publiceren van zijn naam en woonplaats terecht te ver vond gaan dringt zich overigens op. Interessant in dat kader is een al wat oudere uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 13 november 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:8200). Daar werd immers verkend of verzoeker, door het doen van een verzoek op grond van de WOB 1992, (impliciet) instemt met het verstrekken van zijn persoonsgegevens. Uit artikel 10, derde lid, van de WOB 1992 – waarin is bepaald dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing is voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking – volgt, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, geen verplichting voor verweerder om in alle gevallen navraag te doen of de betrokken persoon instemt met openbaarmaking (Kamerstukken II 2002/03, 28835, 3, p. 32). Een bestuursorgaan mag er in zulke gevallen vanuit gaan dat het op openbaarmaking gerichte verzoek, gelet op de strekking van de WOB 1992, reeds op deze instemming wijst (uitspraak van de Afdeling van 3 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1749). In dat geval werd vervolgens, vanwege de kwalificatie van de verzoeker en diens gemachtigde (ruime ervaring met het doen van Wob-verzoeken en het zijn van een professionele rechtsbijstandverlener), gesteld dat men had moeten begrijpen dat ook stukken waarin hun persoonsgegevens of handtekening staan vermeld, openbaar gemaakt zouden worden. Het had daarom op hun weg gelegen te vermelden welke gegevens zij – anders dan uit hun verzoek als zodanig zou mogen worden afgeleid – niet openbaar gemaakt wensten te zien. Niet geheel valt uit te sluiten dat deze uitspraak samen valt met de wat kritische opstelling van de rechtbank jegens specifieke gemachtigden (zie ook Rb. Amsterdam 23 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3804, Gst. 2016/168, m.nt. C.N. van der Sluis en de in dat naschrift genoemde uitspraak Rb. Rotterdam 1 mei 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3165).

[appellant] betoogt terecht dat de rechtbank zijn beroepsgrond dat zijn verzoek moet worden aangemerkt als verzet in de zin van artikel 40 van de Wbp ten onrechte niet heeft besproken. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak maar tot beoordeling van deze beroepsgrond door de Afdeling. [appellant] richt zich ertegen dat zijn naam en woonplaats openbaar zijn geworden door openbaarmaking van de besluitenlijst van de vergadering van het college van 18 september 2014 en plaatsing van die besluitenlijst op internet. Zoals hiervoor is overwogen zijn dit persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp. De openbaarmaking van de besluitenlijst is derhalve het verwerken van persoonsgegevens, in het bijzonder het versprei- den van persoonsgegevens, in de zin van artikel 1, aanhef en onder b. Gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheid dat [appellant] heeft verzocht om verwijdering daarvan en hij hieraan ten grondslag heeft gelegd dat deze informatie voor het doel of de doeleinden van de verwerking niet ter zake dienend is, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet artikel 40, eerste lid, maar artikel 36, eerste lid, van toepassing. Ingevolge artikel 45 geldt een beslissing op een dergelijk verzoek als een besluit in de zin van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat als een bestuursorgaan een mondelinge aanvraag in be- handeling neemt, zijn beslissing daarop een besluit is. Voorts betrekt de Afdeling bij dit oordeel dat [appellant] heeft verzocht om anonimisering en hij reeds in zijn bezwaarschrift de Wbp heeft genoemd, zodat het aan het college is om zijn verzoek te duiden als verzoek op grond van artikel van 36 van de Wbp.
De conclusie is dat het besluit van 18 maart 2015 is genomen in strijd met artikel 36 van de Wbp.
De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het be- sluit van 18 maart 2015 te herstellen door opnieuw op het bezwaar van [appellant] te besluiten. De Afdeling zal hiertoe een termijn stellen. Bij dit nieuwe besluit dient het college het verzoek op te vatten als verzoek op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp. Gelet op dit artikellid dient het col- lege in dit geval te beoordelen of de persoonsgegevens voor het doel van de verwerking, openbaarmaking op grond van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet, niet ter zake dienend zijn alsmede of deze persoonsgegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Wat betreft de verwerking in strijd met een wettelijk voorschrift wijst de Afdeling er op dat op grond van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet openbaarmaking achterwege blijft indien dit in strijd is met het openbaar belang. Onder openbaar belang kan onder omstandigheden ook de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden begrepen. Dit betekent dat onder omstandigheden de verwerking van persoonsgegevens in strijd kan zijn met artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet, hetgeen een grond vormt voor verwijdering in de zin van artikel 36, eerste lid van de Wbp. Voor zover het college in de brief van 18 november 2014 heeft gewezen op de wets- geschiedenis van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet (Kamerstukken I, 2002/03, 28243, 34a, blz. 7) – waarin staat dat zeer terughoudend gebruik moet worden gemaakt van anonimiseren – wordt overwogen dat deze wetsgeschiedenis dateert uit 2001-2002. Daarbij is geen rekening gehouden met de grote schaal waarop het internet sindsdien zou worden gebruikt en met de zoekmogelijkheden die het internet zou gaan bieden. In dit kader heeft de Afdeling ter zitting de Richtsnoeren inzake actieve openbaarmaking van persoonsgegevens van het College Bescherming Persoonsgegevens aan de orde gesteld.

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Al- gemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 november 2015 in zaak nr. 15/1398 in het geding tussen: [appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.

Procesverloop

Bij brief van 18 november 2014 heeft het college aan [appellant] meegedeeld dat het verzoek van [appellant] tot verwijdering van zijn naam van de op internet geplaatste openbare besluitenlijst behorende bij de collegevergadering van 30 september 2014, niet wordt ingewilligd.
Bij besluit van 18 maart 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 november 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2016, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.L. Walta, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.
  2. [appellant] heeft een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingediend bij het college aangaande de rekenkamer van de gemeente. Bij be- sluit van 18 september 2014 is op dit verzoek beslist. Deze beslissing is op de openbare besluitenlijst geplaatst. In de openbare besluitenlijst staat dat het een verzoek betreft van “[appellant] [woonplaats]”. De gemachtigde van [appellant] heeft telefonisch verzocht om de gegevens van [appellant] van de openbare besluitenlijst te verwijderen. Bij brief van 18 november 2014 heeft het college meegedeeld dat het geen aanleiding ziet voor anonimisering van de openbare besluitenlijst.
  3. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY6661) als volgt overwogen. De manier waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan de openbaarmakingsplicht ten aanzien van besluitenlijsten levert geen besluit op in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet hierop is het verzoek van [appellant] naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een aanvraag een besluit te nemen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, maar komt het neer op een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling. Het college heeft zich in het besluit van 18 maart 2015 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat zijn bij brief van 18 november 2014 gegeven reactie op het verzoek van [appellant] geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid. Dit betekent dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aldus de rechtbank.
  4. [appellant] betoogt dat de rechtbank de goede procesorde heeft geschonden door ambtshalve een enge interpretatie te geven van artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en door deze opvatting niet ter zitting aan de orde te stellen.
    1. Het betoog dat de rechtbank ambtshalve bedoelde enge interpretatie heeft gegeven, mist feitelijke grondslag omdat deze interpretatie slechts in het verweerschrift van het college is genoemd, maar niet in de aangevallen uitspraak aan de orde komt en evenmin door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag is gelegd. Gelet hierop is [appellant] niet benadeeld door het feit dat deze interpretatie niet ter zitting bij de rechtbank aan de orde is gesteld, zodat hierin geen aanleiding wordt gevonden voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
  5. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn betoog dat zijn verzoek moet worden aangemerkt als verzet in de zin van artikel 40, eerste lid, van de Wbp. Voorts stelt hij dat het oordeel van de rechtbank betekent dat alleen verzet in deze zin moge- lijk is indien de initiële verwerking van de persoonsgegevens – de openbaarmaking van zijn naam en woonplaats via de openbare besluitenlijst – per besluit is geschied dan wel de gewenste ongedaanmaking een besluit zal inhouden. Dit oordeel van de rechtbank is volgens [appellant] onjuist. Immers, uit artikel 40, eerste lid, in samenhang bezien met de artikelen 8 en 1, onder b, volgt dat niet alleen publiekrechtelijke rechtshandelingen maar ook feitelijke handelingen vallen onder het verwerken van persoonsgegevens.
    1. Het college betoogt dat de naam en woonplaats van [appellant] geen persoonsgegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp zijn. Met deze gegevens is de identiteit van [appellant], zonder onevenredige inspanning, niet vast te stellen, zodat hij met deze gegevens niet identificeerbaar is in de zin van dit artikelonderdeel. Het college heeft er voorts op gewezen dat artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet tot openbaarmaking van de besluitenlijst dwingt.
    2. Ingevolge artikel 1 van de Wbp wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
      a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;
      b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.
      Ingevolge artikel 8 mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien:
      c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;
      e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of
      f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.
      Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.
      Ingevolge artikel 40, eerste lid, kan, indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.Ingevolge artikel 45 gelden een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Awb.
      Ingevolge artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet maakt het college de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de gemeente gebruikelijke wijze openbaar. Het college laat de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegen- heden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.
    3. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp moeten alle gegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon als persoonsgegevens worden beschouwd. Allereerst is voor het begrip persoonsgegeven relevant of het informatie over een persoon bevat. Voorts is de identificeerbaarheid van een persoon van belang. Een persoon is identificeerbaar aan de hand van gegevens die alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een bepaalde persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling moeten alle middelen betrokken worden waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50).
      De naam en woonplaats zijn gegevens die betrekking heb- ben op een persoon. Aannemelijk is dat met deze gegevens in combinatie met andere gegevens een bepaald persoon kan worden geïdentificeerd.
      Het betoog van het college faalt.
    4. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank zijn beroepsgrond dat zijn verzoek moet worden aangemerkt als verzet in de zin van artikel 40 van de Wbp ten onrechte niet heeft besproken. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak maar tot beoordeling van deze beroepsgrond door de Afdeling. [appellant] richt zich ertegen dat zijn naam en woonplaats openbaar zijn geworden door openbaarmaking van de besluitenlijst van de vergadering van het college van 18 september 2014 en plaatsing van die besluitenlijst op internet. Zoals hiervoor is overwogen zijn dit persoonsgegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp. De openbaarmaking van de besluitenlijst is derhalve het verwerken van persoonsgegevens, in het bijzonder het verspreiden van persoonsgegevens, in de zin van artikel 1, aanhef en onder b.
      Gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheid dat [appellant] heeft verzocht om verwijdering daarvan en hij hieraan ten grondslag heeft gelegd dat deze informatie voor het doel of de doeleinden van de verwerking niet ter zake dienend is, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet artikel 40, eerste lid, maar artikel 36, eerste lid, van toepassing. Ingevolge artikel 45 geldt een beslissing op een dergelijk verzoek als een besluit in de zin van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Bij dit oordeel betrekt
      de Afdeling dat als een bestuursorgaan een mondelinge aanvraag in behandeling neemt, zijn beslissing daarop een besluit is. Voorts betrekt de Afdeling bij dit oordeel dat [appellant] heeft verzocht om anonimisering en hij reeds in zijn bezwaarschrift de Wbp heeft genoemd, zodat het aan het college is om zijn verzoek te duiden als verzoek op grond van artikel van 36 van de Wbp.
    5. De conclusie is dat het besluit van 18 maart 2015 is genomen in strijd met artikel 36 van de Wbp.
    6. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige be- eindiging van het geschil aanleiding het college met toepassing van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het besluit van 18 maart 2015 te herstellen door opnieuw op het bezwaar van [appellant] te besluiten. De Afdeling zal hiertoe een termijn stellen. Bij dit nieuwe besluit dient het college het verzoek op te vatten als verzoek op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wbp. Gelet op dit artikellid dient het college in dit geval te beoordelen of de persoonsgegevens voor het doel van de verwerking, openbaarmaking op grond van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet, niet ter zake dienend zijn alsmede of deze persoonsgegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Wat betreft de verwerking in strijd met een wettelijk voorschrift wijst de Afdeling er op dat op grond van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet openbaarmaking achterwege blijft indien dit in strijd is met het openbaar belang. Onder openbaar belang kan onder omstandigheden ook de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer worden begrepen. Dit betekent dat onder omstandigheden de verwerking van persoonsgegevens in strijd kan zijn met artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet, hetgeen een grond vormt voor verwijdering in de zin van artikel 36, eerste lid van de Wbp. Voor zover het college in de brief van 18 november 2014 heeft gewezen op de wetsgeschiedenis van artikel 60, derde lid, van de Gemeentewet (Kamerstukken I, 2002/03, 28 243, nr. 34a, blz. 7) – waarin staat dat zeer terughoudend gebruik moet worden gemaakt van anonimiseren – wordt overwo- gen dat deze wetsgeschiedenis dateert uit 2001-2002. Daar- bij is geen rekening gehouden met de grote schaal waarop het internet sindsdien zou worden gebruikt en met de zoek- mogelijkheden die het internet zou gaan bieden. In dit kader heeft de Afdeling ter zitting de Richtsnoeren inzake actieve openbaarmaking van persoonsgegevens van het College Bescherming Persoonsgegevens aan de orde gesteld.
    7. De Afdeling ziet geen aanleiding om, zoals [appellant] heeft verzocht, aan deze uitspraak een dwangsom te verbinden wanneer het college in gebreke blijft met het verwijderen van zijn gegevens van de besluitenlijst. Uit deze uitspraak volgt immers slechts dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en alsnog inhoudelijk op het bezwaar moet beslissen.
  6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State draagt het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck op om binnen 6 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 18 maart 2015, kenmerk 2611492, te herstellen door opnieuw op het bezwaar van [appellant] te besluiten en dit nieuwe besluit aan de Afdeling en aan [appellant] te zenden.