GST 1

Van der Sluis in ‘de Gemeenstem’: Civielrechtelijke aansprakelijkstelling is geen Wob-verzoek

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 13 november 2013

  1. Twee uitspraken die ogenschijnlijk passen in de discussie over ‘misbruik van de WOB’ die op dit moment zo driftig wordt gevoerd. Zie uitgebreider hierover mijn naschrift zoals gepubliceerd in Gst. 2013/86 en Gst. 2013/87. Uitdrukkelijk zij opgemerkt dat ik niets wil zeggen over de intenties van de verzoekers om informatie in deze twee gevallen; die intenties ken ik immers niet, noch ken ik de achtergrond van de beide casus. Ik leg de link evenwel nu de situaties waar de hier opgenomen uitspraken op zien, lijken op een door velen als misbruik bestempelde handelswijze van een verzoeker om informatie. Een verzoek om informatie wordt ‘verdekt’ opgenomen in een document, men wacht af, en komt met een ingebrekestelling om zodoende de dwangsom op te strijken. Ik zie er voorts een handreiking in van de Afdeling om aanknopingspunten te geven voor bestuursorganen om verzoeken om betaling van een dwangsom af te wijzen. De Afdeling probeert kennelijk paal en perk te stellen aan deze wijze van opereren door verzoekers. Of zij dit heel consequent doet en of zij daarmee recht doet aan de bedoeling van de WOB-wetgever is evenwel de vraag. Met name de samenhang van beide uitspraken geeft aanleiding voor een bespreking.
  2. Kort en goed stelt de Afdeling in beide procedures dat weinig eisen gesteld kunnen worden aan een verzoek om informatie en het derhalve van toepassing zijn van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB). Zo kan eenieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid daarvan werkzame instelling, dienst of bedrijf (art. 3 lid 1 WOB). Alle natuurlijke personen en rechtspersonen, ook zij die niet Nederlands zijn, kunnen een WOB-verzoek indienen. De vraag of iemand als persoon aangemerkt kan worden, wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Hieruit volgt tevens dat er geen beperking is gesteld aan de verzoeker naar leeftijd of betrokkenheid bij de bestuurlijke aangelegenheid of de informatie neergelegd in het document. Uit artikel 3 lid 3 WOB volgt vervolgens dat de verzoeker geen belang hoeft te stellen, als hij dit al zou hebben. Dit alles volgt uit het algemene uitgangspunt van de WOB dat eenieder recht heeft op de informatie die onder bestuursorganen berust. Dit derde lid is een van de wijzigingen van de WOB als gevolg van de implementatie van het Verdrag van Aarhus (wet van 30 september 2004, Stb. 2004, 519), maar was daar voor al praktijk; uitgangspunt was immers reeds dat het belang dat verzoeker bij de informatie heeft, bij de beoordeling van zijn verzoek geen rol mag spelen (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 17). In dat kader zijn er ook geen formele vereisten gegeven: een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden gedaan, maar ook met gebruikmaking van communicatiemiddelen zoals internet en e-mail (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 23-24). Een WOB-verzoek hoeft door de verzoeker niet als zodanig geduid te worden. Op ieder bestuursorgaan rust de zelfstandige verplichting na te gaan of een verzoek een WOBverzoek is. Zodra een verzoek aangemerkt kan worden als een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid dat gericht is tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf (artikel 3 WOB) en er is geen aan de WOB derogerend verstrekkingsregime van toepassing, dan is er sprake van een WOBverzoek. In dat geval is het WOB-regime van toepassing. Enige beperking is er vervolgens in gelegen dat het verzoek concreet genoeg moet zijn zolang de bestuurlijke aangelegenheid maar duidelijk is. Een verzoek is niet concreet genoeg als de gevraagde informatie een onbegrensde verscheidenheid aan onderwerpen betreft. Als tegenprestatie geldt wel de plicht voor het bestuursorgaan om te helpen bij het concretiseren (art. 3 lid 4 WOB).
  3. In de hier bedoelde gevallen stuit het al op de vraag of de WOB van toepassing is. Die vraag wordt kennelijk beantwoord door de context waarin het verzoek om informatie wordt gedaan. In zoverre komt de Afdeling dan ook niet toe aan de vraag of sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid (wat in beide gevallen m.i. aan de orde is) en de vraag of het verzoek voldoende concreet was (hetgeen eveneens geen punt van discussie kan zijn, afgaande op de weergave van de verzoeken zoals opgenomen in de uitspraken). De omstandigheden zijn in beide gevallen verschillend. In het geval van de uitspraak van 11 september (Gst. 2013/128) is dat een lopende bestuursrechtelijke procedure. In de uitspraak van 13 november is dat een aanstaande civielrechtelijke procedure (dit geldt ook voor een andere uitspraak met dezelfde datum, nr. 201209413/1/A3, die wegens de omvang niet eveneens is opgenomen).
  4. In algemene zin ontwaar ik een volgend beoordelingskader voor zover de discussie speelt of sprake is van een WOB-verzoek ingeval sprake is van een schriftelijk stuk (bij mondelinge verzoeken is de bewijspositie voor verzoeker sowieso al een lastig gegeven) met een verzoek om informatie: a. Wordt de WOB genoemd? b. Zo nee, welke titel c.q. welk onderwerp kent het stuk met het verzoek? c. In welke context wordt het stuk met het verzoek opgesteld en ingediend? 5. Het noemen van de WOB (ad. a.) leek – zo volgt uit het stelsel van de WOB (vormvrij, geen belang etc.) – in zijn algemeenheid niet van belang voor de vraag of de WOB van toepassing was. Uit artikel 3 WOB volgt ook dat het moet gaan om een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. De verplichting om de WOB te noemen is geen wettelijke eis. Toch loop je volgens de hier ingezette lijn van de Afdeling kennelijk als verzoeker wel een risico als je de WOB niet noemt. Met die eis lijkt een aardige drempel voor het tegengaan van misbruik te zijn opgeworpen. Overigens is met het enkel noemen van de WOB natuurlijk nog geen sprake van een WOB-verzoek. Buiten het feit dat ingevolge artikel 2 WOB bijzondere regelingen kunnen zijn gegeven, dient het verzoek om informatie eerst en vooral ook te voldoen aan de andere vereisten van artikel 3 WOB
  5. Het volgende aspect van beoordeling (ad. b.) doet vervolgens wat futiel aan, maar lijkt ook nuttig voor de anti‘misbruik’praktijk. Wordt de WOB niet genoemd, dan speelt vervolgens ogenschijnlijk een rol, welk onderwerp de verzoeker meegeeft aan het document waarin het verzoek is opgenomen. Gebruik van de term ‘beroepschrift’ of ‘aansprakelijkstelling’ lijkt voldoende om nog minder snel voor een ‘WOBbehandeling’ in aanmerking te komen. Op het eerste gezicht wordt hiermee een niet onlogische drempel opgeworpen om allerlei verdekte verzoeken om informatie te doen. Echter, moeilijk valt in te zien waarom een aanvraag of andere vorm van correspondentie gericht aan een bestuursorgaan niet uit verschillende onderdelen kan bestaan. Zoals een besluit verschillende onderdelen kan bevatten of zelfs ook verschillende rechtsgevolgen in het leven kan roepen, komt het me voor dat ook correspondentie gericht aan bestuursorganen, een aanvraag, heel goed verschillende ‘onderdelen’ kan bevatten. Bedenk hierbij ook nog dat het bestuursprocesrecht laagdrempelig behoort te zijn en de WOB als uitgangspunt heeft dat alle informatie voor eenieder beschikbaar moet zijn zonder formele eisen te willen stellen aan de vorm van het verzoek (het kan ook mondeling), dan is de hier kennelijk van belang geachte omstandigheid – welke titel geeft u uw brief mee – ietwat bedenkelijk.
  6. Tot slot wordt – niet onlogisch – de context waarin het verzoek wordt gedaan relevant geacht. In zekere zin hangt het – zoals alle aspecten in dit soort gevallen – samen met het voorgaande criterium. Toch bespreek ik het apart nu beide uitspraken in samenhang bezien, een wat diffuus beeld geven. In de uitspraak van 11 september 2013 wordt de context bepaald door een lopende bestuursrechtelijke procedure. De Afdeling meent dat art. 7:18 lid 4 Awb van toepassing was op het verzoek om toezending van de stukken ‘nu die bepaling ziet op het ter inzage leggen van stukken in het kader van administratief beroep’. Dit is bijzonder nu in de principiële uitspraak van 26 juli 1999, JB 1999/226 uitdrukkelijk was bepaald dat art. 7:4 (bezwaar), art. 7:18 (administratief beroep) en art. 8:29 (beroep) geen uitputtende regeling betroffen. Hetzelfde gold, ingevolge ABRvS 15 juni 2005, AB 2005/259 en JB 2005/230, voor de verhouding WOB en de regeling van de toegang tot stukken in de beroepsfase in de hier ook aan de orde zijnde WAHV. Uit deze jurisprudentie volgt dat de weg van de WOB nog altijd openstaat naast de procedure die eveneens aan de orde is (zie ook uitgebreid E.J. daalder, Handboek openbaarheid van bestuur, Den Haag 2011, p. 428 e.v.). Ik zou menen dat, nu de wetgever niet heeft beoogd een gelijktijdige werking van de twee wegen te voorkomen, de omstandigheid dat een procedure aanhangig is, geen rol zou mogen spelen voor de beoordeling van een verzoek om informatie. Specifiek is in dit verband overigens nog van belang dat het volgens de Afdeling niet uitmaakt of het document dat wordt verzocht deel uitmaakt van het dossier. Dit wekt verbazing nu art. 7:18 lid 4 uitdrukkelijk verwijst naar de stukken als bedoeld in lid 3 (in lid 4 wordt immers gesproken van ‘deze stukken’) hetgeen weer kennelijk ziet op de stukken die ter inzage zullen liggen. Dat ziet voorts weer op de nadere stukken van belanghebbenden (lid 1) en het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken (lid 2). Ik zou dan ook menen dat voor zover een verzoek om informatie ziet op andere stukken dan die hier zijn bedoeld, de WOB zeker van toepassing moet worden geacht nu het bereik van lid 4 beperkt is. Ook de lezing van de Afdeling dat deze bepaling eveneens aan de orde is in geval er niet wordt gehoord, valt moeilijk te duiden gegeven de redactie van art. 7:18 nu alle handelingen die daarin zijn genoemd (indienen stukken, ter inzage leggen van stukken, wijzen op tijdstip en locatie van ter inzage legging) gekoppeld worden aan het horen.
  7. Nog los van de bijzondere lezing van art. 7:18 lid 4 Awb zelve en de samenhang met de WOB, lijkt de uitspraak van 11 september een doelredenering te kennen als we de uitspraak vergelijken met de uitspraak van 13 november. Daar is immers geen sprake van een bestuursrechtelijke procedure, maar een aansprakelijkstelling (nog geen begin van een civielrechtelijke procedure, die immers aanvangt met de betekening van een dagvaarding) zonder specifiek wettelijk kader dat ziet op het uitwisselen van documenten. Bij die uitspraak lijkt appellant vooral te worden verweten dat het gaat om een aansprakelijkstelling en – daar komt het – enkel is verzocht om toezending en niet openbaarmaking! Over dat eerste heb ik hiervoor (onder 6) al het nodige gezegd. Dat laatste onderscheid is evenwel zo subtiel (en vergezocht) dat ik mijn verbazing daarover moet uiten. Het niet noemen van de WOB is nog tot daar aan toe, maar het subtiele onderscheid dat iemand vraagt om toezending in plaats van openbaarmaking – wat voor de leek uitwisselbaar mag lijken – acht ik zodanig dat iemand dat niet mag worden tegengeworpen in een bestuursrechtelijke procedure over de WOB en de al dan niet bestaande verplichting tot het betalen van een dwangsom door het bestuursorgaan. Merk in dit verband nog op dat art. 3 WOB enkel vraagt dat een ‘verzoek om informatie’ wordt ingediend. Voorts spreekt de WOB zelf van verstrekking in verschillende vormen (art. 7 WOB), waarbij verstrekking veelal plaatsvindt door het toezenden van de verzochte informatie. Hoe dat ook zij, voor de bevoegd gezagen vormen deze uitspraken een mooie handreiking van de Afdeling om mogelijke dwangsomverplichtingen buiten de deur te houden.
  8. Al met al lijkt de Afdeling zich – in navolging op haar eerdere jurisprudentie – kritisch op te stellen om zodoende gehoor te geven aan de kennelijke wens in de bestuurspraktijk om paal en perk te stellen aan verondersteld misbruik van de WOB. In zoverre gaat zij zover als mogelijk binnen de huidige kaders van de WOB en Awb. Hoewel dat valt toe te juichen, meen ik dat de structurele oplossing van elders moet komen, in de vorm van een wetswijziging (zie genoemde annotatie). Het verder inperken van de mogelijkheden die de WOB geeft, vanwege een probleem dat zich ogenschijnlijk voordoet in de praktijk, terwijl het vormvrije karakter en het belangeloos kunnen doen van verzoeken om informatie op grond van de WOB vooropgesteld moet worden, dient mijns inziens te worden vermeden. Het gevaar bestaat dan immers dat we te ver verwijderd raken van de oorspronkelijke bedoeling van de WOB (en het bestuursprocesrecht).

Essentie

Afwijzing verzoek om dwangsom. WOB-verzoek is vormvrij. Ter beoordeling van bestuursorgaan binnen welk kader een verzoek wordt gedaan.

Samenvatting

Het college heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 2 augustus 2010 niet diende te worden opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WOB. Een verzoek op grond van artikel 3, eerste lid, van de WOB is vormvrij en geen belang behoeft te worden gesteld bij een dergelijk verzoek. Dat laat evenwel onverlet dat het bestuursorgaan dient te beoordelen of een verzoek om toezending van een document, een verzoek is om openbaarmaking op grond van de WOB of een verzoek om toezending of inzage op grond van een andere wettelijke regeling. De brief heeft als onderwerp ‘aansprakelijkstelling schade aan riolering [locatie A]’ en erin is een aansprakelijkstelling voor de schade, gevolgschade en reparatie van de riolering bij de aansluiting op het openbare riool van [locatie A] opgenomen. Aan het eind van de brief verzoekt [appellante] om toezending van de onder 2 genoemde documenten. Zij refereert daarbij niet aan de WOB en verzoekt evenmin om openbaarmaking van de door haar genoemde documenten. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat het verzoek om toezending is gedaan in het kader van een civielrechtelijke aansprakelijkstelling, diende het verzoek in het kader van die procedure te worden begrepen. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat geen sprake is van een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WOB.

Partij(en)

Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Zoetermeer, tegen de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2012 in zaak nr. 12/588 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

Uitspraak

Procesverloop

Bij brief van 2 mei 2011 heeft het college een door [appellante] gedaan verzoek om informatie gedeeltelijk ingewilligd. Bij besluit van 12 december 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wat betreft de aansprakelijkheidsstelling en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij besluit van 5 januari 2012 heeft het college het verzoek tot betaling van een dwangsom afgewezen. Bij uitspraak van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door K. van der Veen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Ingevolge dit artikel, aanhef en onder b, wordt verstaan onder een bestuurlijke aangelegenheid een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan. Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
  2. Bij brief van 2 augustus 2010 heeft [appellante] verzocht om toezending van een kopie van de gearchiveerde tekeningen en controle op de uitvoering van de aanleg van de riolering in huis en richting openbaar riool, waarin de details van de betreffende aansluitingen voldoende nauwkeurig af te lezen zijn. Daarnaast heeft [appellante] verzocht om te kennen te geven welke werkzaamheden bij reparatiewerk twee jaar eerder hebben plaatsgevonden, wat er eventueel is vervangen, of destijds de oorzaak van de wortelingroei door de gemeente is vastgesteld, welke maatregelen zijn genomen om toekomstige ingroei te voorkomen, en of destijds de constructie is gecontroleerd op de geldende regelgeving. Bij brief van 2 mei 2011 heeft het college kenbaar gemaakt dat van elke huisaansluiting een schets wordt gemaakt met alleen de ligging van de leiding in het openbaar gebied. In het hiertegen gemaakte bezwaar heeft [appellante] aangevoerd dat het college niet aan haar verzoek is tegemoetgekomen en wederom verzocht om toezending van de gevraagde documenten. Aan het besluit van 12 december 2011 heeft het college ten grondslag gelegd dat het verzoek om informatie geen verzoek op grond van de Wob is. Het is gedaan in een brief tot aansprakelijkstelling voor de schade aan de riolering bij de aansluiting op het openbare riool van de woning [locatie A] te Zoetermeer en moet worden aangemerkt als een stap in een civielrechtelijke procedure. Bij besluit van 5 januari 2012 heeft het college het verzoek tot toekenning van een dwangsom afgewezen omdat geen sprake is van het niet tijdig beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
  3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2009 in zaak nr. 200904496/1/H3, geoordeeld dat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid als bedoeld in de Wob, maar van een feitelijke handeling nu het informatieverzoek van [appellante] ziet op de aanleg van de riolering. Het college heeft zich terecht, zij het op onjuiste gronden, op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob, aldus de rechtbank.
    1. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat haar verzoek ziet op een bestuurlijke aangelegenheid. Zij voert aan dat grondslag voor het verzoek was om na te gaan of bij de beoordeling van de bouwtekeningen in het kader van de vergunningverlening is gecontroleerd of deze aan de voorschriften voldeden. Het informatieverzoek ziet dus, anders dan de rechtbank als uitgangspunt heeft genomen, niet op de aanleg van de riolering, maar op de controle daarvan door de gemeente op basis van de bouwtekeningen. Verder heeft de rechtbank miskend dat in dezelfde brief informatie is gevraagd over werkzaamheden die twee jaar eerder hebben plaatsgevonden en is verzocht om gegevens over de controle op de geldende regelgeving. Deze gegevens zien op een bestuurlijke aangelegenheid, aldus [appellante].
    2. Het begrip ‘bestuurlijk’ in artikel 3 van de Wob ziet, gelet op het doel van de Wob, op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Documenten of elektronisch vastgelegde gegevens die betrekking hebben op de controle op de uitvoering van de aanleg en de constructie van de riolering, moeten worden aangemerkt als documenten over een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de Wob. Het verzoek van [appellante] ziet, naast een verzoek om informatie over de uitgevoerde reparatiewerkzaamheden, mede op stukken die betrekking hebben op de aanleg van de riolering en op de controle op de uitvoering hiervan en daarmee op een bestuurlijke aangelegenheid. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Dit noopt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak op grond van het navolgende. Het college heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 2 augustus 2010 niet diende te worden opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob. Een verzoek op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob is vormvrij en geen belang behoeft te worden gesteld bij een dergelijk verzoek. Dat laat evenwel onverlet dat het bestuursorgaan dient te beoordelen of een verzoek om toezending van een document, een verzoek is om openbaarmaking op grond van de Wob of een verzoek om toezending of inzage op grond van een andere wettelijke regeling. De brief heeft als onderwerp ‘aansprakelijkstelling schade aan riolering [locatie A]’ en erin is een aansprakelijkstelling voor de schade, gevolgschade en reparatie van de riolering bij de aansluiting op het openbare riool van [locatie A] opgenomen. Aan het eind van de brief verzoekt [appellante] om toezending van de onder 2 genoemde documenten. Zij refereert daarbij niet aan de Wob en verzoekt evenmin om openbaarmaking van de door haar genoemde documenten. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat het verzoek om toezending is gedaan in het kader van een civielrechtelijke aansprakelijkstelling, diende het verzoek in het kader van die procedure te worden begrepen. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat geen sprake is van een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob.
  4. Anders dan [appellante] betoogt heeft het college zich, gelet op het vorenstaande, bij besluit van 5 januari 2012 evenzeer op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen dwangsom verschuldigd is, reeds omdat geen sprake is van het niet tijdig beslissen op een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
  5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraak.