Dit is een WOO artikel, binnen de categorie Artikelen

Artikel 9.3 Wijziging Algemene bestuursrecht

Aan artikel 8:29 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.

Hoewel deze toevoeging aan artikel 8:29 van de Awb – dat gaat over het inbrengen van processtukken in een bestuursrechtelijke procedure – met name was ingegeven door de introductie van de Informatiecommissaris aan wie geen stukken zouden kunnen worden verstrekt indien op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb alleen de bestuursrechter kennis kon nemen van stukken is deze toevoeging aan dit artikel van een zesde lid gehandhaafd. Hieruit volgt de vanzelfsprekendheid dat de informatie waar de Woo-procedure over gaat als vanzelf vertrouwelijk ter kennisneming kunnen komen van de bestuursrechter. Dit was onder de Wob reeds geregeld in de procesregelingen van de rechtscolleges.[1] Nieuw is daarbij dat belanghebbenden hierin geen rol meer toekomt – van het wel of niet verlenen van toestemming.

[1] Zie uitgebreid over de toepassing van 8:29 Awb de overzichtsuitspraak ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, AB 2-2-/268, JB 2020/116, Gst. 2020/131.

In artikel 8:29 van de Awb wordt daarom bepaald dat in Woo-zaken, naast de bestuursrechter ook de Informatiecommissaris kennis kan nemen van stukken waarvan openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De term verstrekking ziet op geschillen over artikel 5.5 van dit wetsvoorstel. Uit de redactie van de wijziging in artikel 8:29 (in onderdeel A) volgt tevens dat in Woo-zaken het bestuursorgaan de bestuursrechter niet meer hoeft te verzoeken om te bepalen dat alleen de bestuursrechter kennis neemt van de stukken. De andere partijen hoeven ook geen toestemming meer te geven dat de rechter uitspraak doet mede op basis van die stukken. Hiermee kan de procedure in Woo-zaken bij de bestuursrechter aanzienlijk worden verkort.

Artikel 7.5 Geheimhouding

1. De leden van het college alsmede de ambtenaren van zijn bureau zijn tot geheimhouding verplicht voor zover zij krachtens deze wet beschikken over documenten die door het bestuursorgaan waarvan zij afkomstig zijn niet openbaar zijn gemaakt.

2. Voor zover een aan het college gericht verzoek op grond van deze wet betrekking heeft op door een bestuursorgaan aan het college verstrekte informatie, zendt het college het verzoek ter behandeling door aan het bestuursorgaan.

Geheimhouding van dat wat het adviescollege onder zich krijgt is van belang voor de uitoefening van haar taak en de bereidwilligheid van bestuursorganen om informatie over te leggen.

In artikel 7.5, tweede lid is bepaald dat bij een verzoek om informatie bij het college door het college geen informatie openbaar wordt gemaakt die afkomstig is van een bestuursorgaan. Dat betreft alle op grond van artikel 7.3 verkregen informatie. In dat geval zendt het college het verzoek door aan het betreffende bestuursorgaan. Het voorgestelde artikel 7.5, tweede lid, Woo komt overeen met het in artikel 9.3 Woo voorgestelde artikel 9.36a Awb, dat eenzelfde bepaling voor ombudsmannen bevat. Evenals artikel 9:36a Awb wordt artikel 7.4 Woo als bijzondere openbaarheidsregeling geplaatst op de bijlage bij artikel 8.8 Woo. Artikel 10.2f Woo wordt aangevuld met een voorziening waarmee de adviestaak van het college met betrekking tot het meerjarenplan vervalt als met toepassing van artikel 10.2f Woo hoofdstuk 6 Woo komt te vervallen.

Artikel 7.4 Informatieplicht

Een bestuursorgaan verstrekt desgevraagd het college alle gegevens die het nodig heeft voor zijn taak.

 Teneinde het adviescollege in de gelegenheid te stellen tot goede adviezen te komen, is een informatieplicht neergelegd voor bestuursorganen. De vraag zal kunnen opkomen of bepaalde informatie wel of niet nodig is voor de taken zoals omschreven in artikel 7.2 van de Woo. Dit is niet denkbeeldig, denkend aan de voortdurende discussie tussen Kamerleden en de regering over de invulling van de informatieplicht op grond van artikel 68 Grondwet. In een vorderingsrecht – zoals wel neergelegd in artikel 4.2, tweede lid, van de Woo – wordt niet voorzien.

In artikel 7.4 wordt bepaald dat bestuursorganen op verzoek van het college alle benodigde informatie verstrekken. Deze bepaling is van toepassing op de hierboven beschreven klachtenprocedure, maar ook op de andere in artikel 7.2 genoemde onderzoeks- en adviestaken. Het college gaat vertrouwelijk om met de van bestuursorganen verkregen informatie. Het kan immers gaan om informatie waarvan het bestuursorgaan aanvankelijk van oordeel is dat deze niet openbaar moet zijn. Daartoe bevat artikel 7.5, eerste lid, een geheimhoudingsbepaling.

Artikel 7.3 Bemiddeling

1. Alvorens een advies als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, uit te brengen, bemiddelt het college tussen het bestuursorgaan en de klager. Het bestuursorgaan werkt aan de bemiddeling mee.

2. Indien de klacht mede betrekking heeft op een besluit op grond van deze wet waartegen bezwaar open staat, wordt de termijn voor het indienen van bezwaar, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, opgeschort tot het college advies heeft uitgebracht, dan wel aan de klager en het bestuursorgaan heeft bericht dat geen advies zal worden uitgebracht. De opschorting van de bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag nadat de klager de klacht aan het college heeft gezonden.

4. Indien de klager bezwaar maakt tegen het besluit, bedoeld in het tweede lid, beslist het bestuursorgaan in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht binnen twee weken nadat het college advies heeft uitgebracht, dan wel aan de klager en het bestuursorgaan heeft bericht dat geen advies zal worden uitgebracht.

5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop klachten worden ingediend en het college tussen het bestuursorgaan en de klager bemiddelt als bedoeld in het eerste lid.

Het Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding krijgt verschillende functies toebedeeld. De praktijk zal vooral moeten uitwijzen op welke wijze, met welke armslag en welke impact het adviescollege zijn taken zal uitoefenen. Het moet de Tweede en Eerste Kamer adviseren waar het gaat om de uitvoering van regelgeving die raakt aan openbaarheid van overheidsinformatie. Het adviseert de minister inzake het meerjarenplan zoals omschreven in artikel 6.2 van de Woo. Ook adviseert het over nieuwe regelgeving. Belangrijkste rol is de ombudsfunctie bij klachten van onderzoekers. De toelichting wekt de indruk dat de klacht gaat over de afhandeling van Woo-verzoeken, de tekst zelf spreekt overal over het kunnen klagen over de wijze waarop publieke informatie openbaar wordt gemaakt.  Ook zal het adviescollege een aan opleiding en voorlichting moet doen.

Een klacht leidt dus tot bemiddeling. Het bestuursorgaan werk daaraan mee. Als een klager geen bemiddeling wil, dient hij geen klacht in, maar beperkt zicht tot de route van bezwaar en beroep. Het college bemiddelt dan tussen de klager en het bestuursorgaan. Leidt de bemiddeling tot een resultaat, dan is het geschil opgelost. In andere gevallen brengt het college een advies aan het bestuursorgaan uit, dat bij de beslissing op bezwaar verder kan worden betrokken. Als de klacht gaat over een afwijzing van een verzoek om informatie waartegen nog bezwaar kan worden gemaakt, schort de klacht de termijn van artikel 6:7 Awb op waarbinnen bezwaar moet worden gemaakt. Mocht het bezwaar al zijn ingediend, dan schort de klacht de termijn van artikel 7:10 Awb op waarbinnen op het bezwaar moet zijn beslist. Hiermee wordt voorkomen dat een klacht ertoe zou leiden dat de klager de mogelijkheid van een gang naar de rechter verliest, zonder dat de klager voor allerlei procedurekeuzes komt te staan. De opschorting eindigt als het college het advies uitbrengt of meedeelt dat geen advies wordt uitgebracht. Aanleiding voor een dergelijke mededeling kan zijn dat de klacht worden ingetrokken wegens een geslaagde bemiddelingspoging, maar ook dat het college oordeelt dat de klacht onduidelijk is of dat de klager niet voldoet aan de categorie voor wie de mogelijkheid tot klagen is opengesteld. Als de bemiddeling niet slaagt, brengt het college advies uit, dat het bestuursorgaan zal betrekken bij de beslissing op bezwaar. Deze adviezen zijn op grond van artikel 3.3, tweede lid, onderdeel e, Woo openbaar. De initiatiefnemers gaan ervan uit dat het college de adviezen via PLOOI zal ontsluiten, ook als artikel 3.3, tweede lid, onderdeel e, nog niet in werking is getreden. Omdat de klachtenprocedure is afgerond voordat op een bezwaar is beslist, is het niet nodig om een regeling te treffen voor opschorting van de termijn waarbinnen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingediend.

Artikel 7.3, tweede lid, regelt de samenloop met de bezwaarprocedure. Met de voorgestelde tekst wordt voorkomen dat een bestuursorgaan wel profiteert van de opschorting van de beslistermijn op bezwaar, maar verder niet meewerkt aan de bemiddeling. Door mee te werken aan de bemiddeling breidt het bestuursorgaan de beslissing op bezwaar voor. Ook als de bemiddeling niet tot overeenstemming leidt, zal het bestuursorgaan al een afweging hebben gemaakt en een aanloop tot besluitvorming hebben gemaakt. Daarmee heeft een bestuursorgaan na afloop van de bemiddeling niet meer de volle termijn nodig om een beslissing op bezwaar te nemen. Die termijn kan dus worden verkort. Het maakt daarbij niet uit of de klager gebruik maakt van de opschorting, of dat hij gelijktijdig of voor het indienen van de klacht al een bezwaarschrift indient. Een bestuursorgaan dat niet meewerkt aan de bemiddeling snijdt zich dan in de vingers als hij nadat het advies wordt uitgebracht binnen die kortere tijd alsnog op het bezwaarschrift moet beslissen. De voorgestelde amvb kan deze voorziening niet regelen, omdat hierbij van de Algemene wet bestuursrecht wordt afgeweken.

In het derde lid volgt dan de bepaling op grond waarvan bij amvb regels kunnen worden gesteld over de wijze van indienen van de klachten en de inrichting van de bemiddeling.

Artikel 7.2 Taken

1. Het college adviseert de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal gevraagd en ongevraagd over de uitvoering van de regels over openbaarmaking van publieke informatie.

2. Het college adviseert Onze Minister periodiek over aanpassing van het meerjarenplan. Het college rapporteert in zijn advies in elk geval over de stand van de informatiehuishouding in het bestuur, de voortgang van de uitvoering van het meerjarenplan en de toegang tot de publieke informatie.

3. Het college wordt om advies gevraagd over voorstellen van wet en ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur die geheel of voor een belangrijk deel betrekking hebben op de openbaarmaking en de ontsluiting van publieke informatie.

4. Het college adviseert het betrokken bestuursorgaan naar aanleiding van bij het college ingediende klachten van journalisten, wetenschappers of andere naar het oordeel van het college in aanmerking komende groepen met een beroepsmatig belang bij het gebruik van publiek informatie over de wijze waarop dat bestuursorgaan publieke informatie openbaar maakt.

5. Het college bevordert de toepassing van deze wet, onder meer door:

a. het geven van voorlichting aan bestuursorganen en anderen;

b. het opleiden van personen werkzaam bij organen belast met de uitvoering van openbaarmaking van publieke informatie;

c. het monitoren en onderzoeken van en rapporteren over de openbaarmaking van publieke informatie in algemene zin of door specifieke organen in het bijzonder;

d. het publiceren van richtsnoeren ter bevordering van de openbaarmaking uit eigen beweging en de ontsluiting van informatie.

Het Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding krijgt verschillende functies toebedeeld. De praktijk zal vooral moeten uitwijzen op welke wijze, met welke armslag en welke impact het adviescollege zijn taken zal uitoefenen. Het moet de Tweede en Eerste Kamer adviseren waar het gaat om de uitvoering van regelgeving die raakt aan openbaarheid van overheidsinformatie. Het adviseert de minister inzake het meerjarenplan zoals omschreven in artikel 6.2 van de Woo. Ook adviseert het over nieuwe regelgeving. Belangrijkste rol is de ombudsfunctie bij klachten van onderzoekers. De toelichting wekt de indruk dat de klacht gaat over de afhandeling van Woo-verzoeken, de tekst zelf spreekt overal over het kunnen klagen over de wijze waarop publieke informatie openbaar wordt gemaakt.  Ook zal het adviescollege een aan opleiding en voorlichting moet doen.

Naast de al in artikel 6.3 opgenomen adviestaak over de informatiehuishouding (die wordt verplaatst naar artikel 7.2, tweede lid) worden andere taken toegevoegd. Ten eerste wordt de adviestaak uitgebreid naar het domein van de openbaarheid; het college kan de regering en de Staten-Generaal gevraagd en ongevraagd adviseren over openbaarmakingskwesties. Daarnaast moet het college verplicht geraadpleegd worden bij voorstellen van wet of algemene maatregelen van bestuur die de openbaarheid raken, bijvoorbeeld als wordt overwogen een ander openbaarheidsregime dan de Woo toe te passen en de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo aan te vullen. Daarnaast heeft het college een voorlichtende taak en kan het onderzoeken doen ter onderbouwing van de adviezen. De in het oorspronkelijke wetsvoorstel opgenomen Informatiecommissaris zou onder meer worden belast met het naar aanleiding van klachten of uit eigen beweging onderzoek doen naar de wijze waarop een bestuursorgaan de Woo uitvoert. Met deze nota van wijziging wordt voor wetenschappers, journalisten of anderen die een beroepsmatig belang hebben bij het gebruik van publiek informatie de mogelijkheid opengesteld om een klacht over de afhandeling van een verzoek om informatie aan het college voor te leggen. Deze categorieën hebben een bijzonder belang bij versnelde afdoening van geschillen. Daarom is de regeling, anders dan een klacht bij de ombudsman, vormgegeven als een voorziening tijdens de bezwaarfase. Een ombudsman is pas bevoegd een klacht te behandelen als bezwaar en beroep is afgerond (artikel 9:22 Awb). Een ombudsman kan daarmee niet zorgen voor versnelling van beslechting van geschillen.

Artikel 7.1 Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding

1. Er is een Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding.

2. Het college bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden.

3. De benoeming van de leden bij koninklijk besluit geschiedt op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

4. De artikelen 13, 16 en 19 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn van overeenkomstige toepassing.

Met het rapport “Ongekend onrecht” van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag[1] en de kabinetsreactie daarop van 15 januari 2021[2] bleek de tijd rijp voor een permanent Adviescollege. Om het college een zekere status mee te geven is voorzien in een benoeming bij koninklijk besluit. Gegeven haar status bij wet, zal ook het adviescollege een bestuursorgaan zijn die evenzeer onder de werking van de Woo valt.

[1] Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 2.

[2] Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 4.

Het aanvankelijk in artikel 6.3 Woo opgenomen adviescollege wordt verplaatst naar een nieuw hoofdstuk 7. De naam wordt met deze nota van wijziging in verband met de toegevoegde taken gewijzigd in Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding. Het college is dus niet langer tijdelijk.

In de tweede termijn van de plenaire behandeling is de vraag aan de orde gesteld of er niet een delegatiebepaling moet worden opgenomen voor procedurele voorschriften inzake het college. Zo is denkbaar dat de bemiddeling geschiedt door één van de leden, of dat de behandeling aan een termijn wordt gebonden, of dat regels worden gesteld voor de gevallen waarin leden van het college zich verschonen bij mogelijke belangenverstrengeling. Dit amendement strekt tot beantwoording van die vraag. Daarbij zijn enkele aspecten geregeld die niet bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden geregeld.

In het voorgestelde artikel 7.1 wordt in het vierde lid, drie artikelen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat zij een onderwerp regelen dat niet door de Kaderwet adviescolleges wordt bestreken. Het betreft de artikelen 13, 16 en 19 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De onderwerpen van de overige artikelen van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn niet aan de orde of worden adequaat geregeld in de Kaderwet adviesorganen. Artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen bevat een bepaling die belangenverstrengeling tegen gaat en de openbaarmaking van nevenfuncties voorschrijft. Deze bepaling is van toepassing verklaard, omdat de Kaderwet Adviescolleges een dergelijke regeling niet heeft en deze bij het college een extra waarborg geeft. Artikel 16 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen regelt dat het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan werkzaam is onder verantwoordelijkheid van dat orgaan en alleen aan dat orgaan verantwoording verschuldigd is. De Kaderwet adviescolleges kent een dergelijke bepaling alleen ten aanzien van de secretaris. Met de taakuitbreiding is aannemelijk dat aan het college meer ondersteuning wordt beschikbaar gesteld dat een secretaris, in welk geval toepassing van artikel 16 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen nuttig is. Tot slot bevat artikel 19 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen een algemene bepaling die een zelfstandig bestuursorgaan oproept tot zorgvuldigheid bij de uitoefening van taken. Ook deze bepaling ontbreekt in de Kaderwet adviescolleges, maar heeft in het geval van het college toegevoegde waarde.

Artikel 4.2a Overleg tussen bestuursorgaan en verzoeker

Indien een voldoende gespecificeerd verzoek zodanig omvangrijk is dat niet binnen de termijn van artikel 4.4, eerste lid, kan worden beslist, treedt het bestuursorgaan voor het einde van die termijn in overleg met de verzoeker over de prioritering van de afhandeling van het verzoek. Het bestuursorgaan verstrekt de gevraagde documenten zo veel mogelijk in de door de verzoeker gewenste volgorde.

Hoewel vaste rechtspraak wordt met dit artikel mogelijk gemaakt en verankerd dat overleg plaatsvindt bij een omvangrijk verzoek. De aanleiding moet zijn gelegen in het niet kunnen halen van de wettelijke termijn van vier weken (artikel 4.4, eerste lid) vanwege de omvang van het verzoek. Bedoeld is de omvang van het aantal te beoordelen documenten zo lijkt het al wordt “omvang of complexiteit van de informatie” niet genoemd terwijl we dit wel kennen van artikel 4.4, tweede lid.

 Met dit amendement wordt de mogelijkheid gecreëerd voor de verzoeker en een bestuursorgaan om afspraken te maken bij een omvangrijk verzoek over een snellere levering van een deel van de opgevraagde documenten. De reikwijdte van het informatieverzoek kan hierdoor beter worden afgebakend, zodat de uitvoeringslasten voor het bestuursorgaan kunnen worden beperkt. Bij de verzoeker kan begrip worden gekweekt voor een eventueel langere behandelduur bij omvangrijke verzoeken.

Bij sommige verzoeken gaat het in potentie om het zoeken, toetsen en verstrekken van duizenden documenten. Het is dan voor zowel verzoeker als voor het bestuursorgaan aantrekkelijk om afspraken te maken over een snelle verstrekking van bijvoorbeeld de 50 of 100 meest interessante documenten. In een deel van de gevallen zal het verzoek daarmee afdoende beantwoord zijn. De levering van een eerste tranche aan documenten binnen de genoemde wettelijke termijn doet niet af aan het recht van verzoekers om meer informatie te verkrijgen, voor zover deze verstrekt kan worden binnen de grenzen van de Wet open overheid.

Het hier bedoelde overleg dient te worden onderscheiden van de in artikel 4.1, vijfde lid, voorgeschreven hulp bij het specificeren van een verzoek om informatie. Een niet gespecificeerd verzoek hoeft niet te worden behandeld, een omvangrijk verzoek wel. Wel kan het doelmatig zijn dat bij het overleg over het specificeren tevens eventuele prioritering aan de orde komt.

Artikel 3.3b Verplicht platform voor actieve openbaarmaking

De openbaarmaking van de in de artikelen 3.3 en 3.3a genoemde documenten geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door Onze Minister in stand gehouden digitale infrastructuur. Deze infrastructuur is beschikbaar voor de openbaarmaking van andere documenten.

Toch een soort documenten-register door te voorzien in één plek waar alle actief openbaar te maken informatie wordt ontsloten. Het gebruik van PLOOI is verplicht voorgeschreven voor de openbaarmaking op grond van artikel 3.3. van de Woo.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ten behoeve van de actieve openbaarmaking van documenten een platform voor actieve openbaarmaking van overheidsinformatie (PLOOI) ontwikkeld, waar bestuursorganen aan de verplichtingen uit de Woo kunnen voldoen. Via dit platform kunnen de documenten die door bestuursorganen openbaar gemaakt worden, centraal ontsloten worden. Dit platform zal te vinden zijn op de website overheid.nl, waar ook andere officiële publicaties van de overheid te vinden zijn. De initiatiefnemers zijn blij dat de minister deze stappen heeft gezet en zijn van oordeel dat alle bestuursorganen, ook de decentrale overheden en de zelfstandige bestuursorganen, van deze faciliteit gebruik zouden moeten maken. Als alle bestuursorganen gebruik maken van dit platform, ontstaat een volledig overzicht van alle verplicht actief openbaar gemaakte documenten. Dat is dan wel niet het register dat de Woo oorspronkelijk bedoelde, maar het is voor de gebruikers een enorme winst als zij met een zoekopdracht bij alle bestuursorganen kunnen zoeken. Bovendien drukt dat de totale kosten van openbaarmaking en hoeven bestuursorganen niet zelf hiervoor faciliteiten te ontwikkelen. Daarom wordt dit platform met een nieuw artikel 3.3b verplicht gesteld. De formulering van deze verplichting is ontleend aan artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet, zoals dat komt te luiden na de inwerkingtreding van de Wet elektronische publicaties. Van het platform kan ook gebruik gemaakt worden bij openbaarmakingen op grond van artikel 3.1 Woo. Dit is echter niet verplicht, omdat de initiatiefnemers thans de gevolgen van een dergelijke verplichting niet kunnen overzien. Op grond van de in artikelen 3.3 en 3.3a genoemde ministeriële regelingen kan de minister aan de openbaar te maken documenten eisen stellen. Deze eisen zullen fungeren als de standaarden waar in de Kamer en daarbuiten om is gevraagd.

Artikel 10.3 Inwerkingtreding

1. Deze wet treedt, met uitzondering van artikel 3.3, eerste en tweede lid, in werking met ingang van de eerste dag van de zevende kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

2. Artikel 3.3, eerste en tweede lid, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

De verplichtingen aangaande actieve openbaarmaking worden op verschillende momenten van kracht.

Artikel 10.3 regelt dat de Woo, behalve artikel 3.3, in werking treedt zes maanden na publicatie in het Staatsblad. Artikel 3.3 treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor artikel de verschillende onderdelen hiervan verschillend kan worden vastgesteld. Hiermee wordt de inwerkingtreding van de actieve openbaarheid gefaseerd. Voor zover onderdelen van artikel 3.3, eerste en tweede lid, nog niet in werking zijn getreden of op grond van een ministeriële regeling krachtens artikel 10.2 Woo voor een bestuursorgaan nog niet van toepassing zijn, vloeien uit de wel in werking getreden overige leden van artikel 3.3 en artikel 3.3a geen verplichtingen voor het bestuursorgaan voort.

Artikel 10.2f Vervallen hoofdstuk 6

1. Hoofdstuk 6 vervalt bij koninklijk besluit, met dien verstande dat de voordracht voor dat koninklijk besluit niet eerder gedaan wordt dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

2. Met ingang van het tijdstip waarop hoofdstuk 6 vervalt, komt artikel 7.2, tweede lid, als volgt te luiden:

  1. Het college adviseert Onze Minister over de stand van de informatiehuishouding in het bestuur en de toegang tot de publieke informatie.

De met de novelle van 2 januari 2019 geïntroduceerde bepalingen over de Digitale informatiehuishouding (hoofdstuk 6) zijn naar hun aard tijdelijk. Nu de taak van het adviescollege voor het overige permanent is geworden, dient de taak inzake de informatiehuishouding te veranderen op het moment dat het meerjarenplan tot een voldoende informatiehuishouding heeft geleid.

In artikel 10.2c is bepaald dat hoofdstuk 6 vervalt bij koninklijk besluit. Indien de digitale overheidsinformatie voldoende duurzaam toegankelijk is gemaakt, is het monitoren en bijstellen van het meerjarenplan niet langer zinvol. Ook het Tijdelijk adviescollege informatiehuishouding heeft dan geen taak meer. Aan het koninklijk besluit is wel een voorhangprocedure gekoppeld, zodat de Staten-Generaal het oordeel dat de digitale overheidsinformatie voldoende duurzaam toegankelijk is geworden, zelf nader kan onderzoeken.

In artikel 10.2f is bepaald dat hoofdstuk 6 vervalt bij koninklijk besluit. Indien de digitale overheidsinformatie voldoende duurzaam toegankelijk is gemaakt, is het monitoren en bijstellen van het meerjarenplan niet langer zinvol. Ook het Tijdelijk adviescollege informatiehuishouding heeft dan geen taak meer. Aan het koninklijk besluit is wel een voorhangprocedure gekoppeld, zodat de Staten-Generaal het oordeel dat de digitale overheidsinformatie voldoende duurzaam toegankelijk is geworden, zelf nader kan onderzoeken.

Artikel 10.2f Woo wordt aangevuld met een voorziening waarmee de adviestaak van het college met betrekking tot het meerjarenplan vervalt als met toepassing van artikel 10.2f Woo hoofdstuk 6 Woo komt te vervallen.