Dit is de categorie voor columns

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 8 juni 2022; Wie mag zich wenden tot het Adviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding?

De sinds 1 mei 2022 in werking getreden Wet open overheid kent meer nieuwe elementen, in vergelijking met de Wet openbaarheid van bestuur, dan je op het eerste gezicht zou denken. Niet zonder gevolgen voor al die lopende Wob-procedures die, door ontbrekend overgangsrecht, verschieten van kleur. Niet de Wob maar de Woo is opeens het wettelijk kader (zie uitgebreider dit blog en de bevestiging van de Raad van State met deze uitspraak).

Een belangrijk nieuw element vormt het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Hoewel het college eerst nog een bescheiden rol had als adviescollege voor parlement en bestuur, is het in de staart van de behandeling van de Woo voorzien van een taak die meer gevolgen kan hebben voor de dagelijkse praktijk. Het heeft immers een ombudsfunctie gekregen. Het Adviescollege zal klachten over de openbaarmaking van informatie in behandeling nemen en daarover adviseren.

Elders schreef ik al dat de uitbreiding bij de wet een haastklus leek (zie uitgebreider al dit blog). Dat blijkt al mooi uit de tekst van de wet zelf waar het gaat over de ombudsfunctie en voor wie dit weg openstaat: “journalisten, wetenschappers of andere naar het oordeel van het college in aanmerking komende groepen met een beroepsmatig belang bij het gebruik van publiek informatie”. Het gaat natuurlijk om “het gebruik van publiekinformatie”.

Maar goed, het Adviescollege krijgt met deze formulering de nodige ruimte om de eigen rol te bepalen. Want wie kan zich nu eigenlijk tot het college wenden met een klacht? Wie zijn die “andere (…) in aanmerking komende groepen”? De inmiddels gelanceerde website van het Adviescollege laat zien dat het college zichzelf niet al te veel werk op de hals wil halen. Het wil zich toeleggen op klachten van “journalisten, wetenschappers en mediaredacties”. Daarmee wordt de groep “andere groepen met een beroepsmatig belang” wel erg beperkt. Een ruimere opvatting zou kunnen zijn dat een adviseur – bijvoorbeeld een advocaat – ook beroepsmatig belang kan hebben bij informatie van de overheid. Met die informatie kan hij of zij de cliënt weer beter bedienen in de advisering of gedurende een procedure. Hoewel de focus op journalisten en wetenschappers meer past bij de kennelijke bedoeling van de wetgever misschien toch een gemiste kans.

Maar goed, veel is nog onduidelijk. Zo zijn nog niet alle vijf de collegeleden benoemd (de eerste drie personen zijn inmiddels benoemd). En ook het precieze moment waarop het Adviescollege operationeel is, is nog onduidelijk. Een brief van de minister van BZK maakt duidelijk dat dit in de loop van 2022 mag worden verwacht. Tijd genoeg nog om de eigen taakopvatting scherp te krijgen en zichzelf misschien een grotere rol toe te dichten. De tijd lijkt er wel rijp voor.

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 22 maart 2022; Even klagen bij/over BZK over de Wet open overheid (3)

Het introductiedossier voor de nieuwe minister van BZK leidde al tot een tweetal columns (zie hier voor de eerste en hier voor de tweede) met de nodige kritiek. Eerst enige kritiek over de wat vreemde manier om met zo’n dossier eindelijk wat inzicht te geven voor de praktijk over wat wanneer lijkt te gaan gelden als het gaat om de actieve openbaarmakingsplichten van de Wet open overheid. Daarna wat kritiek over de onterechte stelling dat de Woo niet zo veel verandert ten opzichte van de Wob. In die laatste column ook het uitspreken van de hoop dat ambtelijk Den Haag zijn oor te luister legt als het gaat om het bedenken van oplossingen voor een groter maatschappelijk probleem. Hoe gaan we om met het spanningsveld tussen verzoeken om openbaarmaking van grote hoeveelheden documenten en de korte termijnen die de wetgever daarvoor – mede ingegeven door internationale regels – stelt.

Tijd voor een laatste punt van kritiek n.a.v. het introductiedossier. Een aspect dat al langer de wenkbrauwen doet fronzen. Want in meerdere interne Instructies voor het Rijk voor het afhandelen van Wob-verzoeken – en inmiddels in de nodige besluiten op Wob-verzoeken – is een niet te verdedigen lijn van beoordelen en niet verstrekken van concepten inmiddels een ingeburgerd mantra geworden.

Daarmee toont het Rijk zich geen goed verstaander van de wet (zowel de Wob als de Woo) en toepasser van de rechtspraak. Want met de stelling dat concepten gewoon niet openbaar worden gemaakt (p. 101) gaat het Rijk weer terug naar oude Wob-tijden toen dergelijke documenten nog buiten het bereik van de Wob vielen. Die lijn staat haaks op de gedachte dat niet relevant is wat de status is van een document. Ook de naam ervan of een stempel erop zijn niet van belang voor de beoordeling die een bestuursorgaan heeft te maken. De gedachte dat deze lijn steun vindt in de rechtspraak is onjuist.

Het Rijk toont zich geen goed verstaander van de Woo en evenmin een goed toepasser van de rechtspraak

Het gaat om de inhoud van het document, het algemene uitgangspunt van openbaarheid en de eventuele aanwezigheid van een belang dat beschermd wordt door een uitzondering (weigeringsgrond). Stellen dat concepten dus niet naar buiten worden gebracht is in strijd met de wet. Helemaal als we bedenken dat sinds ‘Ongekend Onrecht’ het uitgangspunt is dat persoonlijke beleidsopvattingen juist (geanonimiseerd) worden verstrekt. Dit uitgangspunt is wettelijk geregeld per 1 mei 2022 in de Woo door het amendement van Van der Molen (artikel 5.2, lid 3). Voeg hierbij de bijzonderheid van de Woo dat documenten van ouder dan 5 jaar eerder openbaar moeten worden gemaakt (artikel 5.3) en de stelling dat concepten sowieso niet worden verstrekt kan al geen stand houden. Deze aspecten laten ook nog maar eens zien dat er best wel het nodige verandert in vergelijking met de Wob.

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 23 februari 2022; Even klagen bij/over BZK over de Wet open overheid (2)

Column op Binnenlands Bestuur

In de vorige column richtte ik mij al tot het ministerie van BZK als verantwoordelijk departement voor de Wet open overheid. Aanleiding vormde het introductiedossier voor de nieuwe bewindspersonen. In die column enige kritiek op de gedateerdheid van de informatie die de minister hierover meekreeg. Ook de nodige kritiek op het via het introductiedossier inlossen van een toezegging van Ollongren in september 2021, bij de behandeling van de Woo in de Eerste Kamer. Het dossier geeft meer aanleiding tot verzuchtingen. Vandaar toch nog maar een tweede column, al hebben de ministeries het de laatste tijd wel erg te verduren (zie ‘Ministeries steeds trager met Wob-verzoek’).

De minister krijgt mee dat de Woo niet zo veel verandering brengt als het gaat om het afdoen van verzoeken in vergelijking met de Wob (p. 106). Daarmee wordt de minister (en de praktijk) toch wat op het verkeerde been gezet. Los van de (ook in het dossier gesignaleerde) kortere termijnen, zijn de nodige fundamentele verschillen aan te wijzen. Bijvoorbeeld als het gaat om het toepassen van de weigeringsgronden. Maar ook in de procedure van afhandelen van verzoeken.

Op dit laatste punt wil ik één punt uitlichten. Bij amendement is namelijk een bepaling opgenomen dat (bijna) dwingt tot overleg bij omvangrijke verzoeken (artikel 4.2a). Het is een – het zij toegegeven niet al te succesvolle – poging geweest om een ook in het introductiedossier (zie p. 106) gesignaleerd probleem in de Wob-praktijk het hoofd te bieden. Het probleem is namelijk evident dat veel verzoeken zonder hele grote inspanningen niet tijdig (binnen 8 weken) zijn af te handelen. De overheid verzamelt steeds meer data en de verzoeken beginnen veelal met de woorden: “Doe mij alles over…”. Hoewel de Woo geen oplossing biedt, is het gek dat de minister niet al wordt gewezen op artikel 4.2a.

Interessant voor de praktijk is te lezen dat een ambtelijke werkgroep zich bezig houdt met het bedenken van een oplossing voor dit probleem. Het zou goed zijn als men zich daarbij ook laat informeren door de vragende kant en andere deskundigen uit het veld. Dit ook om te voorkomen dat niet meer valt uit te leggen hoe het recht z’n beloop krijgt. Want is nog te verkopen dat een Raad van State de discutabele aanpak van VWS – over de afhandeling van alle Wob-verzoeken over corona-aangelegenheden – goedkeurt (zie deze update) en zelfs acht maanden extra de tijd geeft om een en ander af te handelen (zie uitspraak)?

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 31 januari 2022; Even klagen bij/over BZK over de Wet open overheid

Column op Binnenlands Bestuur

De introductiedossiers voor de nieuwe bewindspersonen van Rutte IV vormen interessant leesvoer. Helemaal in de nieuwe bestuursstijl wordt een en ander actief openbaar gemaakt voor eenieder. Ze geven ook aanleiding voor enkele verzuchtingen. Ik beperk me tot dat wat over de Wet open overheid wordt gezegd in het introductiedossier voor de bewindspersonen ‘op BZK’, het primair verantwoordelijke departement voor de Woo.

Bij het lezen van vooral deel II valt de nogal storende slag om de arm – die al vaker in documenten vanuit het Rijk is gesignaleerd – over de inwerkingtreding van de Woo op. Het zinnetje ‘De Woo zal naar verwachting in 2022 in werking treden ter vervanging van de Wob’ staat kennelijk in een document dat steevast wordt gebruikt als men weer iets moet schrijven over de Woo (en dus ook op p. 101 van deel II). We zien het elders ook terugkomen.

Prima in september 2021, maar na eind oktober 2021 toch echt niet meer. In oktober verscheen de Woo in het Staatsblad en dus valt aan de inwerkingtreding per 1 mei a.s. niet te ontkomen (zie dit blog). Je zou bijna denken dat het dossier al in september is samengesteld. Zou de formatie toch al eerder zijn afgerond? Op p. 104 en 106 wordt het nog gekker. Daar wordt immers nog gesproken van de mogelijkheid dat de Eerste Kamer de Woo zal aannemen…

Toch geeft het introductiedossier ook wat duidelijkheid voor de toekomst! Vooral over het in werking treden van een toch breed gevoelde dreiging van de Woo: de plicht om allerlei informatie actief openbaar te maken (op grond van artikel 3.3 Woo). Dat deel treedt niet in werking per 1 mei, dat was al duidelijk. Nu wordt duidelijk dat dit pas aan de orde is vanaf 1 januari 2023. Dat is iets concreter dan wat toenmalig demissionair minister Ollongren bij de behandeling in de Eerste Kamer van de Woo aan kon geven. Gek is wel dat dit uit een introductiedossier moet blijken en niet, zoals Ollongren destijds aankondigde, met een concreet en alomvattend plan. Een plan zou in het najaar van 2021 worden bekendgemaakt. Nu komt er dus iets van informatie, iets later en ook nog eens via een omweg, namelijk het introductiedossier. Het zal de nieuwe bestuurscultuur zijn.

Met de nadruk overigens op ‘iets van duidelijkheid’. Voor een goed deel blijft nog in het midden wat dan per wanneer verplicht zal zijn. Toch storen nu het genoemde artikel 3.3 de plicht geeft om 11 categorieën van informatie (van wetten tot beschikkingen en van vergaderstukken tot convenanten) vanzelf openbaar te maken en de wet er van uitgaat dat de komende jaren zo nu en dan een categorie zal worden aangewezen.

Zonde dat het nu nog zo vaag blijft. Veel overheden zijn namelijk druk doende zich voor te bereiden op 1 mei. Vooralsnog lijkt daarbij de boodschap te kunnen zijn dat ze zich in dat kader vooral moeten focussen op de passieve kant, het afdoen van Woo-verzoeken (waarover in een volgende column meer). Daarmee dreigt het speerpunt van de wet (actieve openbaarmaking aanzwengelen) enigszins aan momentum te verliezen…

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 29 november 2021; De regeringscommissaris-light

Column op Binnenlands Bestuur

Ooit, in een ver verleden van de Wet open overheid, werd voorzien in een Informatiecommissaris (zie hoofdstuk 7 van de Woo in 2014). Vergelijkbaar met het nu in hoofdstuk 7 geregelde Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (zie uitgebreid dit blog over het Adviescollege) moest deze commissaris gaan adviseren, opleiden en voorzien in richtsnoeren.

Zie voor de taken van het Adviescollege artikel 7.2 Woo. Anders dan het Adviescollege zou deze commissaris alle Woo-besluiten ontvangen (zie oude artikel 7.3) en een concrete, vergaande ombudsfunctie gaan vervullen (zie het oude artikel 7.4).

Deze commissaris werd al bij de eerste ronde bij de Tweede Kamer overboord gegooid. Was zo’n instantie wel nodig? Was het wel zo’n succes in landen waar een vergelijkbare functie bestond? Zo maar wat vragen tijdens een debat in 2014 en een debat in 2016. Uitkomst: een kort en krachtig amendement 34 waarmee heel hoofdstuk 7 werd geschrapt. Eerst de Woo zonder commissaris aankijken en bij de evaluatie maar eens zien of de commissaris nog nodig is (zie artikel 8.9).

Na Ongekend Onrecht moest er ook wat gebeuren als het gaat om overheidsinformatie. Het kabinet kwam opeens met een Informatiecommissaris (zie uitgebreid dit blog en deze column)! Die moest iemand worden met extra gezag die mee gaat werken aan het op orde brengen van de informatiehuishouding. Maar ook het Adviescollege kreeg opeens een ombudsfunctie (zie artikel 7.2 Woo) voor journalisten en onderzoekers.

U voelt al aan, zo’n commissaris naast het Adviescollege vraagt om een goede taakafbakening tussen beiden (en andere bestaande instanties die zich bezig houden met de informatiehuishouding bij de overheid). Het ei in dat kader lijkt gelegd, als we de brief van Ollongren van 22 oktober 2021 mogen geloven. De commissaris heeft een rol bij de opbouw van het Adviescollege. Hij (of zij) moet de voortgang van de maatregelen bevorderen, de ministeries daarop aan spreken en waar nodig met voorstellen komen om knelpunten op te lossen. Ook zal de regeringscommissaris een verbindende rol spelen tussen de verschillende actoren die op het terrein van de informatiehuishouding een (wettelijke) taak vervullen.

De commissaris gaat de opdrachten van het Adviescollege monitoren en – net als het college – adviseren. Dit alles ook ter nadere uitwerking en implementatie van het meerjarenplan van artikel 6.2 van de Woo.

Ogenschijnlijk toch echt wat dubbelop. Niet alleen als het gaat om het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding, maar natuurlijk ook al de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. Gelukkig is de commissaris parttime aan de slag (voor al de geschetste taken zal parttime werken vast een uitdaging vormen voor de dagelijkse praktijk) en ook maar voor twee jaar. Daarna zal worden bezien of verlenging nodig is. Natuurlijk zal dit afhangen van de daadkracht van het Adviescollege. Ik mag hopen dat blijkt dat de commissaris niet meer nodig is. Dat scheelt weer wat bestuurlijke drukte.

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 8 oktober 2021; De Wob is dood, leve de Woo

Column op Binnenlands Bestuur

In een reeks aan columns (hier vindt u de laatste) is de afgelopen jaren onder meer op deze site aandacht besteed aan de Wet open overheid. De wet die de alom bekende (en soms verguisde) Wet openbaarheid van bestuur (Wob) moest vervangen. Op 5 oktober jl. werd de Woo aanvaard door de Eerste Kamer. Zes maanden na plaatsing in het Staatsblad treedt de Woo in werking. Dat moet dus 1 mei 2022 zijn. Er is dan geen Wob meer!

Op de valreep werd het nog spannend in de Eerste Kamer. Een verstrekkende motie van het CDA, de SGP en de ChristenUnie lag voor. Die motie stelde voor de Woo niet verder te behandelen, maar te werken aan een evaluatie van de Wob en het doen van investeringen op het gebied van informatiehuishouding en bestuurscultuur. Deze motie heeft het dus niet gehaald. Belangrijke aanleiding voor die motie was dat de Woo zo complex is geworden. Daar valt, met alle nota’s van wijziging, amendementen op de oorspronkelijke Woo én het wijzigingswetsvoorstel met ook weer nota’s van wijziging en amendementen best wat voor te zeggen. De columnreeks geeft ook mooi aan in welke rollercoaster dit wetsvoorstel terecht is gekomen.

Toch is er ook best wat te nuanceren qua complexiteit. Op hoofdlijnen blijft het wat betreft het belangrijkste aspect van de Wob – openbaarmaking na een verzoek – in grote mate gelijk. Een verzoek moet binnen een bepaalde periode (4 weken) worden afgehandeld. Een mogelijkheid van verdaging – onder de Woo 2 weken, in plaats van de 4 die de Wob geeft – is er nog altijd. Documenten moeten worden verzameld en uiteindelijk volgt een beoordeling in het licht van bij wet gegeven weigeringsgronden. Bijzonder is wel dat tijdsverloop invloed kan hebben – documenten ouder dan 5 jaar zullen eerder openbaar worden gemaakt – meer overheden met zo’n verzoek geconfronteerd kunnen worden, bijzondere ingangen tot informatie worden geboden én een Adviescollege soms als ombudsman mee kan kijken naar de afhandeling van verzoeken.

Meer nieuw, maar ook complex is het waar het gaat om actieve openbaarmaking. Zoals in hier vindt u de laatste al opgemerkt is de Raad van State kritisch op de lange lijst aan documenten die door de overheid zelf openbaar gemaakt moeten worden (zie artikel 3.3). Deze lijst zal best een uitdaging vormen voor de praktijk, vooral dus voor overheden en niet zozeer dus de informatiezoekende burger of journalist. Die uitdaging wordt groter door de verplichting om hierbij aan te sluiten bij PLOOI, zeker gegeven de kennelijk bestaande ‘‘urgente problemen’’.

Gelukkig wordt de soep niet zo heet gegeten als hij per 1 mei 2022 wordt opgediend. De wet voorzag immers al dat een en ander complex zou zijn. Daarom werd de optie ingebouwd dat juist de verplichtingen van het actief openbaar maken later in werking zou treden.

Minister Ollongren gaf tijdens de behandeling 28 september jl. al een inkijkje in de beoogde specifieke inwerkingtreding. Het rijk is in 2023 kennelijk klaar voor 5 categorieën (en over 5 jaar voor alles wat in artikel 3.3. staat). Daarmee suggererend – althans zo vul ik het maar in – dat het voor de andere overheden nog wel wat verder in de tijd een verplichting zal zijn. De tijd zal het leren. Aangekondigd is een concreter plan over welke categorieën, voor welke overheden op welke momenten gaan gelden eind dit jaar nog zal worden bekendgemaakt.

Dit alles neemt natuurlijk niet weg dat de praktijk gesteld zal moeten staan op 1 mei 2022. Al is het maar om te wennen aan het idee dat direct per die datum er niet meer geWobt kan worden, maar enkel geWoot. Wie een beter werkwoord kan verzinnen, ontvangt de de artikelsgewijze bespreking van de Woo in boekvorm.

Schending 68 Grondwet of niet doorvragen door de Kamer?

Het bericht van RTL Nieuws doet Den Haag schudden op de grondvesten. Veel commentaar dat volgt, spreekt van niet-naleving van artikel 68 Grondwet. Alle aanleiding dus voor een kort bericht op deze site. Dat artikel 68 Grondwet legt immers een plicht op het Kabinet om de Kamer van inlichtingen te voorzien waar ze om vraagt (zie eerdere deze column).

Niet-naleving in dit geval is inderdaad de indruk die je zou kunnen krijgen als je het bericht van RTL Nieuws leest. Bezien we de feiten dan kan je net zo goed twijfelen aan dat beeld.

Het gaat om het feitenrelaas dat volgens RTL een “nietszeggend” ‘stroomschema’ is. Expliciet zou het kabinet hebben besloten om geen volledig feitenrelaas te geven. De vraag van de leden Lodders, Leijten en Omtzigt op 4 november 2019 was inderdaad “ook een volledig feitenrelaas te verschaffen”.

Met de brief van de minister van 19 november wordt hierop gereageerd. In de brief maakt de minister duidelijk dat het “een eerste invulling” geeft aan het verzoek van de Kamer. Het ‘nietszeggende stroomschema’ typeert de minister als “een zeer gedetailleerde tijdlijn” met hyperlinks naar de achterliggende stukken. Daar valt natuurlijk over te twisten, maar de minister erkent dat het geen uitputtende lijst is, maar dat de belangrijkste gebeurtenissen zijn weergegeven.

Redelijk open en bloot heeft het kabinet dus beperkt willen reageren, op dat moment in 2019, op het verzoek van de Kamer. Is dat fout? Nou niet direct. Want als de Kamer het niet voldoende vond – wat misschien best had gekund (het was immers geen volledig feitenrelaas zoals verzocht) – dan had men moeten doorbijten. Dat is ogenschijnlijk op dit onderdeel niet gebeurd…

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 19 januari 2021: De val van Rutte III. Alles openbaar, iedereen blij?

Column op Binnenlands Bestuur

De start van Rutte III werd onder meer gekenmerkt door – volgens sommigen – het uitkleden van de destijds al door de Tweede Kamer aangenomen Wet open overheid (Woo).

Onderhandelingen tussen initiatiefnemers en Rutte III leidden immers tot het wijzigingswetsvoorstel tot wijziging van die Woo. Op 12 januari jl. werd daar nog over gedebatteerd in de Tweede Kamer. Woensdag 20 januari volgt de stemming (de agenda). Aanvaarding ligt in de lijn der verwachting (het kabinet gaf ook al aan te willen bekrachtigen). Zeker na de brief van het kabinet met reactie op het rapport “Ongekend onrecht”: in alles wordt van inwerkingtreding van de Woo uitgegaan.

Zo wordt ook het einde van Rutte III gekenmerkt door openbaarheid van overheidsinformatie. Teleurstelling zal overheersen bij ‘normale’ Wob-verzoekers. Rutte hintte immers op het in zijn geheel schrappen van artikel 11 van de Wob: de bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten van intern beraad. De kabinetsbrief maakt duidelijk dat dit vooral bedoeld is in het kader van de informatievoorziening aan de Eerste en Tweede Kamer.

Toch mag dit met recht een serieuze trendbreuk worden genoemd. De reden om informatie niet te geven aan de Kamers (‘belang van de Staat’) zal immers niet meer worden ‘ingevuld’ met het belang van de bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen. Ambtelijke overwegingen en adviezen ten behoeve van kabinetsbesluiten worden immers openbaar gemaakt, zo is het idee. Vergaand en de praktijk zal nog moeten leren hoe het bijkomende belang – ambtenaren mogen geen aangeschoten wild worden – zal doorwerken in het nieuwe beleid.

Daarmee worden dus vooral de Kamerleden op hun wenken bediend. Of ze echt zo gelukkig worden van al die informatie is de vraag. Ziet men door alle bomen – het zal om een grote hoeveelheid informatie gaan – straks met de beperkte ondersteuning en tijd het bos nog wel? Zie ook mijn eerdere column hierover. Ook hier worden, net als bij de behandeling van de Woo op dinsdag 12 januari, weer wonderen verwacht van PLOOI. Het platform van BZK waarin alle data ontsloten en doorzoekbaar moet worden.

Naast het met de Woo beoogde Adviescollege Openbaarheid en Overheidsinformatie wordt ook nog een regeringscommissaris aangekondigd. Dit moet iemand met extra gezag zijn die mee gaat werken aan het op orde brengen van de informatiehuishouding.

Om het afscheid van de Ruttedoctrine helemaal definitief te maken wordt ook de openbaarmaking aangekondigd van adviezen van de landsadvocaat én geannoteerde besluitenlijsten van de ministerraden. Met dat laatste wordt dus een extraatje in het vooruitzicht gesteld bovenop het enkel openbaar maken van de besluitenlijsten (zie artikel 3.3, eerste lid, onder d, van de Woo).

Zodoende worden uiteindelijk toch ook alle anderen die informatie willen verkrijgen (de Wob-verzoekers) ruimhartig in hun behoeften voorzien. Ze hoeven er zelfs niet om te vragen. Bovendien valt niet uit te sluiten dat het beleid inzake actieve openbaarmaking zijn invloed zal hebben op de rechterlijke toets bij besluiten op Wob-verzoeken. De voorbeelden daarvan zijn al bekend.

Louter hosanna? Ik waag het te betwijfelen. Buiten de (potentieel) grote hoeveelheid aan informatie, is misschien nog belangrijker de druk op de ambtelijke ondersteuning. Want dat artikel 11 van de Wob is er natuurlijk niet zomaar. Het gevaar van uiteindelijke openbaarheid maakt dat de woorden zorgvuldiger zullen worden gekozen. Zal elke beleidsprognose of zullen alle alternatieven het papier nog wel zullen vinden? De kwaliteit van de advisering komt daarmee direct in het gedrang. Misschien wordt veel sowieso niet meer aan het papier toevertrouwd. Dat enkel mondeling wordt geadviseerd valt niet uit te sluiten. Zo lijkt er toch ook minder geappt te worden geappt binnen de overheid, sinds de Raad van State in maart 2019 duidelijk maakte dat ook WhatsApp-berichten onder de Wob vallen.

Zie daar het gevaar dat besluitvorming niet meer achteraf valt te reconstrueren. Het achteraf tot verantwoording roepen, iets wat het kabinet bracht tot de brief die er nu ligt, zal dan nog moeilijker worden dan nu al het geval bleek.

Kortom, alles openbaar, dat klinkt zo mooi. Of de rechtsstaat en het openbaar bestuur en daarmee alle inwoners van Nederland hier nu echt mee gediend zijn, moet evenwel sterk worden betwijfeld.

Naming en shaming. Bijzondere wetten aan de kant, we hebben de Wob!

De oproep van president Theo Simons in het FD van 1 juli over naming en shaming heeft de pennen flink in beweging gebracht. Laatste in de reeks is Rob Velders die in zijn opinie spreekt van paniekerig en stellig klinkende voorstellen.

Terecht merkt Velders op dat transparantie wordt geëist van de overheid. De conclusie die hij daar als vanzelfsprekendheid aan lijkt te verbinden dat handhaving dus gevolgd moet worden door publicatie van die handhaving, gaat alleen wat kort door de bocht. Terecht is immers het punt dat Simons maakt dat in veel gevallen de regelgeving nu dwingt tot publicatie, nog zonder dat een rechter heeft gekeken naar datgene waarover gepubliceerd zou moeten worden. De rechter is met handen en voeten gebonden en kan nagenoeg geen afweging van belangen maken. Dergelijke dwingende sectorwetgeving strekt zich uit van het gezondheidsrecht tot de wetgeving over de financiële markten. Niet zelden volgt die sectorwetgeving op incidenten waardoor de wetgever in de actie schiet. Vervolgens is er nog een grote diversiteit aan regels en afwegingskaders.

Kortom, toch om veel redenen aanleiding voor een discussie. Een discussie die niet zou moeten dwingen tot nog meer regelgeving, zoals wel voorgesteld door Silvia Vinken in haar opiniebijdrage. De oplossing is simpeler, namelijk minder regelgeving (door schrappen van sectorregelgeving die dwingt tot publicatie). Er is immers al een wet die de overheid de gelegenheid geeft tot het uit eigener beweging of op verzoek overgaan tot publiceren: de Wet openbaarheid van bestuur. Al jaren vormt ook een vast gegeven dat die weg van publiceren ook gewoon een mogelijkheid geeft tot publicatie van boetes e.d. Het voordeel van die Wob is vervolgens ook dat de bedrijven nog voldoende mogelijkheden hebben om hun belangen naar voren te brengen. Bovendien geeft het de rechter vervolgens de gelegenheid om die belangen af te wegen tegen het algemeen veronderstelde belang van openbaarheid (van boetes en andere toezichtsinformatie). Voldoende ruimte dus voor naming en shaming, maar dan wel met inachtneming van de nodige zorgvuldigheid. En wie is er nu niet blij met minder regelgeving?

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 9 juli 2020: Wob is echt iets anders dan de Grondwet Gemeentewet

Column op Binnenlands Bestuur

Het ongevraagde advies van de Raad van State over de ministeriële verantwoordelijkheid heeft veel stof doen opwaaien, vooral over het onderwerp informatie-uitwisseling tussen kabinet en parlement.

Niet gek gelet op alle ongemak rond informatievoorziening op de onderwerpen Belastingtoeslagen (zie de woedeaanval van Kamerlid Omtzigt op YouTube) en PFAS. En ook op decentraal niveau blijft de spanning tussen geheimhouding en inlichtingenrecht de gemoederen zo nu en dan goed bezig houden. Zie recent nog maar het vermeend delen van geheime informatie door de wethouder in een interview met de pers (artikel AD).

 

In nagenoeg alle berichtgeving hieromtrent komt al snel de Wet openbaarheid van bestuur of de Wet open overheid om de hoek kijken (zie bijvoorbeeld het item bij Nieuwsuur). Hoewel te begrijpen – het gaat allebei immers over het verkrijgen van informatie bij de overheid – leidt het tot de nodige onjuiste aannames en wordt het debat verstoord.

 

Uiteraard moeten Kamerleden hun taak (controleren) goed kunnen uitoefenen. Informatie is daarvoor van groot belang, Daarvoor geeft artikel 68 Grondwet ook de basis. Het verplicht de bewindspersonen om inlichtingen te verstrekken, mondeling of schriftelijk, die door parlementsleden is verlangd. De basis ligt daarmee dus bij het parlement dat inlichtingen verlangt – en dus een taak heeft duidelijk te omschrijven wat men wil – en het zwaartepunt ligt vervolgens bij de bewindspersoon. Die heeft de vrijheid om mondeling of schriftelijk inlichtingen te verstrekken. In beginsel dus ook in de vorm die hij of zij voor zich ziet. Bij ontevredenheid aan parlementszijde over de invulling staat doorvragen vrij. Zelfs het vragen van specifieke documenten staat vrij.

 

Bij dat laatste loopt het Kamerlid tegen de moeilijkheid aan die ook menig Wob-verzoeker kent. Je weet niet wat er is, je kent alleen het onderwerp waar je iets over te weten wilt komen. De Wob maakt het dan makkelijk: noem het onderwerp en de overheid moet door de archieven op zoek naar documenten. Een belangrijk begrip: documenten. Daar ziet de Wob dus op. Daaronder valt dus alles aan gegevensdragers zoals ook WhatsApp- en sms-berichten. Het antwoord op zo’n verzoek moet een besluit zijn met een uitspraak over het wel, niet of gedeeltelijk openbaar maken van de documenten. De vrijheid over de vorm waarin informatie wordt verstrekt is zeer beperkt. Zo kan nagenoeg niet worden volstaan met wat algemene antwoorden over wat er in de documenten zou staan.

 

Kortom, die Wob is echt iets anders dan de Grondwet (of Gemeentewet). Vervelend is natuurlijk wel dat parlementsleden (of raadsleden), geconfronteerd met de uitkomst van zo’n Wob-procedure, zich misleid voelen. Een journalist of nieuwsgierige burger krijgt zo maar documenten terwijl het parlementslid het heeft moeten doen met antwoorden op gestelde vragen! Dat kan toch niet? Nou, volgens de regels dus eerlijk gezegd wel. Helpt dat? Nou nee. Je zou je dus ook kunnen voorstellen dat het kabinet standaard uitkomsten van Wob-verzoeken bekend maakt. Eerlijk gezegd gebeurt dat ook op de website van de rijksoverheid. Maar goed, welk Kamerlid kijkt daar dagelijks op? Is er dan een plicht om hen daarop te attenderen. Ik zou denken van niet, zo ver reikt de inlichtingenplicht niet. Politiek verstandig is het wel. Is het Kamerlid vervolgens gelukkig? Ik waag het te betwijfelen. De informatie komt in grote hoeveelheden, soms zonder context, op het Kamerlid af waardoor een overdaad aan informatie dreigt.

 

Is er dan nu iets mis? Misschien wel als je de voorbeelden uitlicht waaruit achteraf blijkt dat antwoorden op vragen niet juist lijken te zijn bij bestudering van later bekend gemaakte documenten (via de Wob of via de Grondwet). Dat wekt geen vertrouwen, al mag het ook niet als bevestiging worden gezien van dat “het allemaal niet deugt”. Die nuance, die ook Thom de Graaf naar voren brengt, lijkt te ontbreken bij de nodige commentaren op het advies van de Raad van State. Zonde, omdat het ook niet bijdraagt aan een eerlijke discussie over verwachtingen, mogelijkheden en uitdagingen als het gaat om openbaarheid van overheidsinformatie. En laten we eerlijk zijn, uiteindelijk heeft een parlement altijd het laatste woord, ook over de invulling van 68 Grondwet.