Dit is de categorie voor blogs

Geheimhouding binnen de gemeente

Geheimhouding binnen de gemeente is geen rustig bezit. Zeker in de gemeente Bloemendaal is de informatievoorziening tussen college van B&W en gemeenteraad een ‘hot item’. Juist vanwege andere dossiers waarbij raadsleden zijn betrokken. Informatievoorziening wordt – en dat is niet iets dat louter in Bloemendaal speelt – lastig als gemeenteraadsleden in hun privéhoedanigheid zodanig tegenover een college of gemeente komen te staan of in het verleden stonden, dat de informatievoorziening naar de raad door het college onder spanning komt te staan. Dit schuurt met het uitgangspunt dat veel in de openbaarheid wordt gedeeld door het college zelf of op verzoek (na raadsvragen). Is eenmaal geheimhouding opgelegd (en bekrachtigd door de raad), dan staat het raadsleden niet vrij om iets met die informatie te doen, dat levert een strafbaar feit op. Reden dus om die geheimhouding ter discussie te stellen. Dat kan als vanzelf worden afgedwongen via een Wob-verzoek door eenieder (dus ook een raadslid), of natuurlijk door een verzoek daartoe van een individueel raadslid. Dat laatste speelde in een kwestie in Bloemendaal, waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich 18 juli oordeelde.

Wat leert de uitspraak?

Kort en goed geeft de uitspraak enkele interessante kaders voor andere gevallen van het opleggen van geheimhouding op stukken door het college van B&W aan de gemeenteraad. Ik stip ze hier kort aan:

  • Geheimhouding wordt opgelegd op documenten, maar soms ook op onderdelen van documenten

In de praktijk wordt nog wel eens gedacht dat de Gemeentewet het simpel maakt; geheimhouding leg je op documenten in z’n geheel. Deze uitspraak laat nog maar eens zien dat dit niet vanzelfsprekend is. Erkend wordt immers dat een invulling van de geheimhouding ook had kunnen zijn dat louter namen verwijderd zouden worden. Dat dit geen solaas zou bieden omdat de rest van het document de identiteit zou bekendmaken, levert in dit concrete geval evenwel toch een gerechtvaardigde geheimhouding voor het gehele document op.

  • Bekendheid met de geheime documenten levert geen grond op voor een zitting achter gesloten deuren

Uitgangspunt in het bestuursrecht is dat zittingen in het openbaar plaatsvinden. Bij zittingen over geheime stukken is het soms lastig praten. De reden van geheimhouding moet immers juist geheim blijven. Eerder is al eens geoordeeld dat de praktische invulling door rechtbanken om bij Wob-zaken de verzoeker soms even de gang op te sturen om openlijker te discussiëren met het bestuursorgaan wat de stukken niet wil geven, niet kan volgens artikel 6 EVRM. In deze Bloemendaalse kwestie stelde het raadslid voor om achter gesloten deuren te praten. Hij kende immers de stukken en dat maakte een besloten sessie in potentie zinvoller was zijn gedachte. Hoewel begrip voor die omstandigheden en reden ziet de Afdeling (terecht) geen reden voor een afwijking van het uitgangspunt van een openbare zitting.

  • Ter inzage geven door een wethouder aan raadsleden, doet de geheimhouding niet verdwijnen

In dit geval had een (voormalig) wethouder ingestemd met het ter inzage leggen van enkele documenten voor een aantal raadsleden. Dat doet niet ter zake volgens de Afdeling. Terecht ook nu juist de geheimhouding erop is gelegd na dat moment en bovendien één wethouder geen toezegging kan doen voor een voltallig college.

  • Inhoudelijk beoordeling van het geheimhoudingsbesluit conform eerdere jurisprudentie

Vervolgens is de inhoud aan de orde waarbij de Afdeling de lijn bevestigt dat bij een geheimhoudingsbesluit de rechter vol toetst of er wel een ‘artikel 10 Wob’ grond aanwezig is voor de geheimhouding. Als die er is, toetst de rechter (wat beperkter) of men in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die grond. In dit geval is de geheimhouding gemotiveerd door te wijzen op de persoonlijke levenssfeer (art. 10 lid 2 onder e Wob) en de onevenredige benadeling van betrokkenen (art. 10 lid 2 onder g Wob). Het betreft e-mails van personen waarbij juist de persoonlijke levenssfeer aan de orde is (vanwege de naam) en anonimiseren niet helpt doordat de inhoud makkelijk te koppelen valt aan personen. Bovendien is de aard van de informatie zodanig dat beschuldigingen op de persoon niet zijn uit te sluiten, zodat dus sprake is van onevenredige benadeling.

  • Het raadslid heeft een kans om zijn belang tegen geheimhouding op te werpen

Verder laat de uitspraak zien dat de stelling van het raadslid, dat hij in zijn werk wordt belemmerd door de geheimhouding, een argument is dat gewicht in de schaal kan leggen. In dit geval is dit standpunt evenwel niet (voldoende) onderbouwd, waardoor het niet leidt tot het onderuit gaan van het geheimhoudingsbesluit.

Misbruik van de Wob; ook een gemachtigde kan worden geweigerd

In verschillende blogs is in deze blogreeks ingegaan op het fenomeen dat misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heet. Eerst werd nog misbruik gemaakt met het oog op het incasseren van dwangsommen vanwege het te laat besluiten op verzoeken om informatie op grond van de Wob. Dat kan al enige tijd niet meer omdat de regeling over niet tijdig beslissen niet meer van toepassing is bij de Wob. Toch is voor een enkeling ook nog de mogelijke proceskostenvergoeding reden voor het indienen van veel of omvangrijke Wob-verzoeken. Nog altijd moeten overheden dus zo nu en dan beoordelen of sprake is van misbruik en daar consequenties aan verbinden. Ook de rechter voert nog geregeld de toets uit of een beroep wellicht niet ontvankelijk moet worden verklaard vanwege misbruik.

Misbruik en de gevolgen

Eerder werd dus al duidelijk dat verzoeken buiten behandeling konden worden gelaten bij misbruik. Ook werd door sommige rechters erkend dat bij bepaalde gemachtigden misbruik mocht worden aangenomen, tenzij zij konden bewijzen dat dit in een specifiek geval niet aan de orde was. Recent werd uitgemaakt dat uitgangspunt bij een verzoek om informatie gedurende een procedure tegen een verkeersboete vanzelf misbruik oplevert. Tot slot is duidelijk gemaakt dat misbruik tot een proceskostenveroordeling kan leiden van de misbruiker.

Nieuw mogelijk gevolg; weigeren van de gemachtigde

Op 9 mei 2018 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een langverwachte uitspraak waarin een nieuwe optie wordt toegevoegd indien sprake is van Wob-misbruik; het bestuursorgaan dat het verzoek in behandeling moet nemen kan een gemachtigde weigeren. Dit kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht alleen als sprake is van ernstige verwijten jegens die gemachtigde. Een track record van misbruik vond het bestuursorgaan in kwestie voldoende reden om te spreken van dergelijke verwijten.

De Raad van State wijst op het ingrijpende karakter van de bevoegdheid tot weigering van een gemachtigde. Zorgvuldigheid is dus geboden. Concrete feiten en omstandigheden moeten worden gepresenteerd om aan te geven welke ernstige bezwaren een bestuursorgaan aanwezig acht tegen de persoon. Dat had het bestuursorgaan bij de rechtbank – in de eerste fase dus – nog onvoldoende gedaan. In hoger beroep gaat het beter:

Ter onderbouwing hiervan heeft het college uiteengezet dat het in voormelde jaren Wob-verzoeken heeft ontvangen die ondertekend waren door verschillende personen, waarbij [wederpartij] in bezwaar als gemachtigde van die personen optrad. Tezamen met het college van Barendrecht, met welke gemeente ambtelijk wordt samengewerkt, heeft het college in die jaren meer dan 100 van dergelijke verzoeken ontvangen. De betrokkenheid van [wederpartij] ging daarbij veel verder dan een zakelijke relatie tussen een rechtsbijstandverlener en zijn cliënten. Onder meer uit de metadata van elektronisch ingediende documenten is gebleken dat [wederpartij], anders dan de ondertekening van de Wob-verzoeken doet vermoeden, reeds vóór de indiening van de Wob-verzoeken bij de procedures betrokken was. [wederpartij] heeft voorts namens [persoon] onderhandeld met een bedrijf over het maken van de website ‘ikwilinformatie.nl’, waar in het briefhoofd van het Wob-verzoek ook naar is verwezen. Verder was [wederpartij] zelf aanvankelijk als houder van het domein ‘ikwilinformatie.nl’ geregistreerd. Dat dit, naar gesteld, een fout was van het bedrijf dat de website heeft gemaakt en deze fout binnen enkele weken is hersteld, laat onverlet dat ook dit erop wijst dat [wederpartij] bij de inleidende Wob-verzoeken betrokken was. Verder heeft het college naar voren gebracht dat [persoon] zich reeds ten tijde van het indienen van de Wob-verzoeken in een schuldsaneringstraject bevond. Om die reden is het uiterst onwaarschijnlijk dat [wederpartij], zoals hij heeft gesteld, op grond van een overeenkomst van opdracht € 200,00 per uur in rekening bracht bij [persoon] voor de werkzaamheden die samenhangen met diens Wob-verzoek. Daarom moet worden aangenomen dat [persoon] niet voor de werkzaamheden van [wederpartij] behoefde te betalen en dat proceskostenvergoedingen en dwangsommen aan [wederpartij] ten goede kwamen.

 

Met de aanvullende informatie in beroep en hoger beroep heeft het college alsnog geconcretiseerd waaruit de ernstige bezwaren tegen [wederpartij] bestaan. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] niet in een incidenteel en op zichzelf staand geval misbruik heeft gemaakt van het recht om Wob-verzoeken in te dienen en daartegen rechtsmiddelen aan te wenden, maar dat hij dit stelselmatig heeft gedaan. De Afdeling volgt voorts het college in de stelling dat de procedure op grond van de Wob waarin [wederpartij] in bezwaar als gemachtigde van [persoon] is geweigerd, kenmerken vertoonde die duidden op een voortzetting van het patroon van misbruik van recht. Dat de handelwijze van [wederpartij] misbruik van recht inhield, wordt bevestigd door de uitspraken van heden, ECLI:NL:RVS:2018:1499ECLI:NL:RVS:2018:1500ECLI:NL:RVS:2018:1501 en ECLI:NL:RVS:2018:1502.

 

Daarmee erkent de Raad van State dus voor het eerst de mogelijkheid om specifieke gemachtigden te weigeren. Een welkome aanvulling voor de Wob-praktijk voor veel bestuursorganen die nogal eens te maken hebben met juridisch adviseurs waarbij het niet altijd lijkt te gaan om het verkrijgen van informatie ten behoeve van hun cliënten.

Verkeersboete + WOB-verzoek ≠ altijd misbruik

Het jaar 2017 werd afgesloten met een blog naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Uit die uitspraak volgde dat het doen van een Wob-verzoek parallel aan een procedure tegen een verkeersboete in beginsel leidt tot de stelling dat het doen van een Wob-verzoek misbruik van dat recht behelst. Op de eerste dag van 2018 waarop de Raad van State uitspraak doet, wordt duidelijk dat dit genuanceerd(er) ligt.

Wat wordt gevraagd?

Het geval wil dat de verzoeker om informatie vraagt om:

openbaarmaking van de foto’s van verkeersovertredingen, geconstateerd op dinsdag 6 januari 2015 tussen 15:00 en 18:00 met behulp van het vernieuwde handhavingsmiddel, geplaatst aan de Maasboulevard ter hoogte van perceel 10 te Rotterdam. Daarnaast heeft hij gevraagd om openbaarmaking van een overzicht van de in 2014 en 2015 geregistreerde snelheidsovertredingen door het handhavingsmiddel. Ook wenst [appellant sub 1] openbaarmaking van het logboek waarin alle onderhoudswerkzaamheden aan het handhavingsmiddel zijn geregistreerd en documenten uit 2014 en 2015 waarin wordt gesproken over het vernieuwde handhavingsmiddel. Verder heeft hij verzocht om documenten over zowel het gebruik als de installatie van radarsnelheidsmeters van het type TraffiStar S290F, waarbij valt te denken aan de installatiehandleiding en de gebruikershandleiding. Daarnaast heeft [appellant sub 1] verzocht om openbaarmaking van documenten over het gebruik en de installatie van de antenne-eenheid van het type RRS24F-ST3. Tot slot heeft hij gevraagd om openbaarmaking van de richtlijnen rondom de communicatie richting het publiek over de ingebruikname van vaste meetapparatuur.

Is het een Wob-verzoek?

De stelling van de minister (het CJIB) dat het geen Wob-verzoek betrof nu het samen hing met een procedure tegen de verkeersboete sneuvelt al omdat expliciet de Wob is genoemd. Zie eerder een blog over dit onderwerp nu het noemen van de Wob niet altijd doorslaggevend lijkt te zijn.

Misbruik, maar niet altijd

Echter belangrijker in het licht van eerder genoemde laatste blog is dat de Raad van State in dit geval dus geen misbruik aanneemt. Relevant hierbij is volgens de Raad van State dat de verzoeker vraag naar informatie over het handhavingsmiddel tegenover zijn huis. Dat zijn verzoek is gericht aan zowel de gemeente Rotterdam als het CJIB kon hij verklaren, hij wist niet aan welk orgaan hij het Wob-verzoek moest richten en heeft hij uiteindelijk een instructie van een ambtenaar van de gemeente Rotterdam (die hem wees op het CJIB) opgevolgd. Het was dus geen bewuste actie om ‘overheden te pesten’. Nu ook een groot deel van de opgevraagde informatie niet ziet op de eventueel te voeren procedure over een verkeersboete (die had verzoeker namelijk wel ontvangen) is het doel volgens de Raad van State dus kennelijk legitiem in het licht van de Wob; gericht op het openbaar maken van informatie. Dat was dus anders in de uitspraak van 27 december waar het laatste blog op zag (en een uitspraak van een week eerder al) waar op grond van het dossier de conclusie kon worden getrokken dat het doel van het Wob-verzoek enkel en alleen was gelegen in het aanvechten van een opgelegde verkeersboete.

Verkeersboete + WOB-verzoek = misbruik

Het fenomeen Wob-misbruik is al geregeld langsgekomen in verschikllende blogreeksen. Hoewel het thema redelijk uitgekristalliseerd lijkt te zijn, heeft de Raad van State ook op de laatste dag van 2017 waarop zij uitspraak doet, nog een verrassing in petto. Ging zij de week er voor nog ‘om’ als het om ‘intern beraad’ gaat, 27 december was bewaard voor een aanscherping van de misbruik-jurisprudentie. Conclusie: verkeersboete + Wob-verzoek = misbruik.

Misbruik

De jurisprudentie rond misbruik laat zien dat een gedegen dossier vereist is alvorens misbruik wordt aangenomen. Elders heb ik drie elementen onderscheiden die relevant zijn voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van Wob-misbruik:

  • Inhoudelijke component (onbekendheid van de gemachtigde met de reden waarom de informatie wordt gevraagd; het doen van het verzoek bij vele bestuursorganen of het niet kunnen duiden van het verband tussen het vermeende doel en het verzoek zelf; de algemene bewoordingen van een machtiging);
  • Financieel aspect (het ogenschijnlijk gericht zijn op geldelijk gewin in de vorm van een proceskostenveroordeling en / of een dwangsom vanwege niet tijdig beslissen);
  • Aard gemachtigde en/of verzoeker (het business model van de gemachtigde; de gemachtigde of verzoeker als repeat player; bekendheid met andere wegen om informatie te verkrijgen).

Combinatie met een verkeersboete

In de uitspraak van 27 december legt de Raad van State de lat aanzienlijk lager als iemand een Wob-verzoek doet gedurende een procedure tegen een verkeersboete:

Thans is de Afdeling van oordeel dat in beginsel ook misbruik van de Wob wordt gemaakt indien om informatie over een verkeersboete wordt verzocht en het doel van het verzoek redelijkerwijs slechts gelegen kan zijn in het aanvechten van de verkeersboete. Dit geldt te meer indien een dergelijk verzoek is gedaan door een rechtzoekende of een gemachtigde die blijk heeft gegeven veelvuldig procedures tegen het opleggen van een verkeersboete te hebben gevoerd en derhalve geacht moet worden ter zake over de nodige kennis en ervaring te beschikken, zodat een dergelijk verzoek niet anders dan tegen beter weten in is gedaan. SOM heeft geen omstandigheden aangevoerd die het aanwenden van de Wob desondanks rechtvaardigen.

De verzoeker om informatie die ook opkomt tegen zijn verkeersboete moet dus aantonen dat de Wob toch ter hand moet worden genomen. Een omkering van de bewijslast dus, nu het aanwenden van de Wob een recht is voor een ieder en een belang niet hoeft te worden gesteld. Kennelijk is de Raad van State alle met verkeersboete samenhangende Wob-procedure beu. Een krachtig statement voor 2018 e.v.

Berichten via WhatsApp en sms wel degelijk te Wobben

Een belangrijke vraag voor de Wob-praktijk wordt (vooralsnog) beantwoord met een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland: elektronische berichten als WhatsApp-berichten of SMS-berichten zijn wel degelijk op te vragen met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Dergelijke berichten zijn immers documenten volgens de definitie van de Wob. Dat betekent dus dat deze berichten kunnen worden opgevraagd als in die berichten wordt gesproken over het onderwerp van het verzoek.

Stelling van de Minister

De uitspraak wordt gedaan in een geschil waarbij ondergetekende verzoeker bijstond. Informatie werd opgevraagd bij de Minister van VWS. Het verzoek was ruim opgezet en betrof onder meer, zo was de stelling, elektronische berichten als WhatsApp- en SMS-berichten. Die berichten maakten alleen geen onderdeel uit van het besluit waarmee informatie (gedeeltelijk) werd verstrekt.

Rijksbreed (want er zijn inmiddels meer besluiten van een minister bekend waarin dit punt wordt opgeworpen) is de stelling dat dergelijke berichten niet onder de Wob vallen. Dit vooral vanwege de vluchtigheid van dergelijke berichten. Het zou te veel als vervanger dienen voor telefoonverkeer en dat is – indien niet vastgelegd – ook niet op te vragen via de Wob. De tekst zou bovendien geknipt en geplakt moeten worden in bijvoorbeeld een Word-document. Tot slot wordt verwezen naar de stellingname van de initatiefnemers van de Wet open overheid in reactie op vragen van de Tweede Kamer.

Oordeel rechtbank

De rechtbank volgt dit betoog dus niet. Hierbij wordt simpelweg gekeken naar het ‘document’-begrip van de Wob (artikel 1, lid 1, onder a): een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. De rechtbank pelt een en ander op heldere manier af.

Schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat

Duidelijk is al langer dat elektronische documenten ook onder deze definitie vallen. Uiteraard zijn telefoongesprekken geen document, totdat het wordt vastgelegd (in een telefoonnotitie). Een SMS- of WhatsApp-bericht wordt vastgelegd, in zoverre lijken ze volgens de rechtbank meer op e-mails die sowieso te ‘Wobben’ zijn. Eventueel dagelijks ‘gebabbel’ – zoals de rechtbank het noemt – dat mogelijk veel voorkomt in dit soort berichten, maakt een en ander niet anders. Aanwezigheid van dergelijke informatie zou alleen betekenen dat dit buiten het bereik van het Wob-verzoek valt; het gaat immers dan mogelijk niet over het onderwerp waarover informatie wordt opgevraagd.

Berustend bij het bestuursorgaan

Belangrijke overweging is vervolgens dat de rechtbank meent dat het feit dat een document niet op de harde schijf of de server van verweerder staat, niet doorslaggevend meer kan zijn in de huidige tijd voor het onderdeel ‘berusten onder’. De mogelijkheid om te werken in de cloud e.d. zou het dan mogelijk maken documenten bewust niet onder de Wob te laten vallen. De eigen server of harde schijf zijn dus niet belangrijk, maar meer dat de documenten “van” het bestuursorgaan zijn.

De techniek van opslaan als zodanig mag niet bepalen of de Wob wel of niet op een document van toepassing is: een bestuursorgaan kan een papieren document in een kast leggen, een digitaal document op een harde schijf of eigen server opslaan of een digitaal document opslaan in de cloud en in al die gevallen berusten zij onder het bestuursorgaan.

Anders wordt dat als de digitale weg verder zou strekken dan de “papieren werkelijkheid”, bijvoorbeeld als een bestuursorgaan op relatief eenvoudige wijze kan beschikken over digitale documenten die bij een andere organisatie berusten, zoals toezichthouders van een bestuursorgaan relatief eenvoudig de beschikking kunnen krijgen over documenten van de ondertoezichtgestelden. Dat laatste gaat verder dan “berusten onder” en valt buiten de werkingssfeer van de Wob. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 11 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX1061). Sms- en WhatsApp-berichten die staan op telefoons met een abonnement op naam van verweerders organisatie vallen naar het oordeel van de rechtbank daarom wel onder de term “berusten onder” verweerder, terwijl soortgelijke berichten die staan op privételefoons van ambtenaren niet vallen onder de term “berusten onder” verweerder.

Het feit dat de Minister niet zo maar in de telefoon “van” een ambtenaar mag kijken, vindt de rechtbank niet relevant zolang het abonnement op naam van de Minister (of het ministerie) staat.

Andere aspecten

De uitspraak is ook informatief (of voer voor discussie) op andere onderdelen, zoals de in de praktijk gebruikelijke manier van het opdelen van verzoeken gelet op de omvang e.d. Mogelijk komen die aspecten in een ander blog nog aan bod.

Plasterk wint van de Woo; (nog) niet op K.O.!

Zojuist heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel van minister Plasterk ter bestrijding van Wob-misbruik aangenomen. Met dit voorstel kan van een dwangsom vanwege het te laat besluiten op een Wob-verzoek geen sprake meer zijn. Bovendien kan een proceskostenvergoeding aan de neus van de Wob-verzoeker voorbij gaan.

Ongelijke strijd
In een eerder blogbericht – waar ook naar wordt verwezen voor een meer inhoudelijke analyse van de wijziging van de Wob – werd al opgemerkt dat beide wetsvoorstellen een wedstrijd aangingen. Begin juli werd al duidelijk dat de strijd was gestreden, nu de Eerste Kamer zich al snel voldoende voorgelicht achtte en vandaag zou stemmen. De uitkomst mocht dan ook geen verrassing zijn; enkel de PvdD, SP en PVV stemden tegen. Over de precieze inwerkingtreding volgt later duidelijkheid al lijkt het 1 oktober 2016 te worden. Een en ander is afhankelijk gesteld van de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst.

Knock-out voor de Woo?
Dit betekent nog geen knock-out voor de Wet open overheid. De wijziging van Plasterk houdt er namelijk rekening mee dat die wet er komt. Is dat het geval, dan komt de Wob en daarmee ook deze wijziging te vervallen. Dat het zich steeds meer laat aanzien van die Woo er komt, blijkt overigens wel uit de gemeentelijke tegenkrachten die zich bundelen teneinde zich af te wenden van de lobby die de VNG tegen de Woo voert. Over de juistheid van de argumenten van die tegenkrachten verscheen vandaag ook een column.

Wob-misbruik; drie treurige zaken op 6 juli, de oplossing op 12 juli?

Zo maar een dag in de week, woensdag 6 juli. Een dag waarop de hoogste bestuursrechter (de Raad van State) zich moet uitlaten over een drietal procedures waarbij de Wet openbaarheid van bestuur het wettelijk kader vormt. Drie zaken die blijk geven van andere motieven dan de drang naar openbaarheid van overheidsinformatie. Zonde van de tijd en van gemeenschapsgeld.

Wanneer misbruik?
Is sprake van misbruik dan wordt een beroep al snel niet-ontvankelijk geacht. In een enkel geval leidt het tot een proceskostenveroordeling voor de misbruiker. Ogenschijnlijk dreigt ook buiten behandeling stellen van het verzoek. In de regel leidt het linksom of rechtsom in elk geval niet tot openbaarmaking van overheidsinformatie.

Uit alle rechtspraak kan inmiddels een aantal bouwstenen worden onderscheiden op grond waarvan kan worden gesteld dat sprake is van Wob-misbruik:

  • Inhoudelijke component: onbekendheid van de gemachtigde met de reden waarom de informatie wordt gevraagd; het doen van het verzoek bij vele bestuursorganen of het niet kunnen duiden van het verband tussen het vermeende doel en het verzoek zelf; de algemene bewoordingen van een machtiging;
  • Financieel aspect: het ogenschijnlijk gericht zijn op geldelijk gewin in de vorm van een proceskostenveroordeling en / of een dwangsom vanwege niet tijdig beslissen;
  • Aard gemachtigde en/of verzoeker: het business model van de gemachtigde (no cure no pay); de gemachtigde of verzoeker als repeat player; bekendheid met andere wegen om informatie te verkrijgen.

Bezigheidstherapie voor de Raad van State
Deze onderverdeling zien we ook in een drietal uitspraken van 6 juli 2016. Een drietal uitspraken die de wenkbrauwen doen fronzen en de vraag opwerpen “moet de hoogste bestuursrechter zich hier mee bezig houden?”

Kort de meest opvallende aspecten. In de eerste zaak gaat het om een bekend verzoek (met een bekende gemachtigde, Salus Juristen). Gevraagd wordt om allerlei stukken die enigszins verband houden met een opgelegde verkeersboete. Een bekende handelswijze van bepaalde adviesbureaus. Met een algemene machtiging om op te mogen treden voor personen die geconfronteerd worden met een boete wordt een opeenstapeling van procedures opgestart. Dit alles met de hoop op te late of gebrekkige besluitvorming wat leidt tot dwangsommen of proceskostenvergoedingen. De Raad van State vindt het ook in dit geval mooi geweest. Ze wijst daar onder meer op al bekende aspecten: Salus wordt mede verweten deskundig genoeg te zijn om te weten hoe procedures werken en welke wegen er zijn (anders dan de Wob) om informatie te verkrijgen; het business-model (no cure no pay) wordt van belang geacht. Opvallend is dat de vaagheid van het verzoek als aanvullend argument wordt genoemd. Hoewel er wat voor te zeggen valt, is het gebruikelijk bij de Wob om verzoeken soms wat te veralgemeniseren, juist omdat de verzoeker niet precies weet wat er bij de overheid aan informatie voor handen is. Toch vindt de Raad van State hier het volgende van belang:

De verzoeken zijn aldus geformuleerd dat het voor de korpschef niet mogelijk is om er volledig en adequaat op te beslissen. Zo wordt verzocht om stukken die bij de korpschef ‘zouden moeten berusten’, wordt verzocht om ‘in ieder geval’ alle zaaks bescheiden die voor een beoordeling van belang ‘(kunnen)’ zijn ‘zoals, doch niet uitsluitend’, het zaakoverzicht. Onduidelijk is voorts wat wordt bedoeld met ‘documenten die zien op scholing en bekwaamheid’, met ‘alle personeelsbescheiden’ en ‘andere vergelijkbare bescheiden’. De vaagheid van de verzoeken doet afbreuk aan het gestelde doel ervan en maakt de op de verzoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures.

In de tweede kwestie is verzocht om openbaarmaking van alle documenten waaruit de complete verzendadministratie van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie over de maand juli 2014 onderscheidenlijk augustus 2014 inzichtelijk wordt gemaakt. Een bijzonder verzoek dat vragen oproept. Die had de Raad van State willen stellen ter zitting. Ondanks een verplichting om te verschijnen, komt verzoeker niet op de zitting. Ook zijn gemachtigde verschijnt niet. Zonde van de tijd van de gemachtigden van het CVOM en de staatsraden van de Raad van State; het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Tot slot bespreekt de Raad van State een procedure waarbij dezelfde gemachtigde lijkt te zijn betrokken (een juridisch adviseur te Helmond). Nu wordt gevraagd om allerlei documenten die horen bij een Mulderbeschikking of transactievoorstel met een specifiek nummer. Buiten de bekende bouwstenen om misbruik aan te nemen en de vage omschrijvingen van het verzoek, betrekt de Raad van State hier (ogenschijnlijk voor het eerst) ook bij haar beoordeling, het feit dat de gemachtigde al bij ongeveer 300 beroepsprocedures met de korpschef (de verwerende partij) betrokken is geweest wat in 2016 alleen al tot ongeveer EUR 48.000,– aan proceskostenvergoeding heeft geleid.

Kortom, ‘a day in the life’ van de Raad van State die niet vrolijk stemt…

Licht aan het eind van de tunnel
In eerdere blogs is al gewezen op de Wet open overheid en de Wet ter voorkoming van Wob misbruik. In beide wetten wordt de dwangsom losgekoppeld van de Wob en is een proceskostenvergoeding minder snel aan de orde. Hoewel de Woo nog wel even op zich laat wachten (de vraag is of het voorstel daadwerkelijk wordt aangenomen in de Eerste Kamer) lijkt de Wet ter voorkoming van Wob misbruik een vliegende vaart te krijgen. De vaste commissie in de Eerste Kamer acht zich voldoende voorbereid en wil op 12 juli stemmen over het wetsvoorstel. Dat zou een belangrijke prikkel voor alle procedures weg moeten nemen.

Misbruik van de Wob; misbruiker betaalt proceskosten en aan de schandpaal?

Rechtspraak is almaar in ontwikkeling, zeker als het gaat om (vermeend) misbruik van de mogelijkheid om informatie op te vragen bij de overheid op grond van de Wet openbaarheid van bestuur; Wob-misbruik. Werd eerder dit jaar al duidelijk dat bij misbruik een verzoek om informatie buiten behandeling kan worden gesteld. Recent deed de rechtbank Rotterdam een interessante uitspraak waaruit volgt dat de misbruiker de portemonnee moet trekken. In een ander geval wordt duidelijk dat misbruik ook door journalisten (al dan niet ingefluisterd door de overheid) minder goed gepruimd wordt. Tijd voor een korte update.

Proceskostenveroordeling van de misbruiker
Procederen kost geld. Om ervoor te zorgen dat niet al te gemakkelijk naar de rechter wordt gestapt, dreigt (bij verlies) soms een veroordeling in de proceskosten van de ander. In de regel is in het bestuursrecht sprake van een proceskostenveroordeling van de overheid, ten gunste van de particulier of onderneming die een besluit van de overheid bestrijdt en daarbij (gedeeltelijk) gelijk krijgt. In een uitzonderlijk geval kan ook een particulier veroordeeld worden in de proceskosten van de overheid. Er moet dan sprake zijn van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

In het verleden zijn gevallen bekend waarbij de rechter dergelijk gebruik vaststelde bij kwaadwillende vertragingstactieken. Relatief vaak ging het om het instellen van beroep in bij voorbaat kansloze zaken.

Op 1 mei 2015 (!) (gepubliceerd op 22 juni 2016) vulde de rechtbank Rotterdam deze rij van voorbeelden aan. Eerst stelt de rechtbank vast dat sprake is van Wob-misbruik. De gemeente Nissewaard is gevraagd openbaar te maken en te verstrekken alle documenten die betrekking hebben op de laatste bekeuring in 2010 die tot een Mulderbeschikking hebben geleid, uitgeschreven door een bij verweerder in dienst zijnde bijzondere opsporingsambtenaar. De rechtbank stelt vast dat dit verzoek bij veel gemeenten in Nederland is gedaan. Dit gevoegd bij de proceshouding en de algemene machtiging op grond waarvan geprocedeerd wordt, leidt tot de inmiddels bekende conclusie dat van misbruik van bevoegdheid sprake is. Conclusie is dan ook dat het beroep niet-ontvankelijk is. Van dergelijk misbruik is dan volgens de rechtbank ook al sprake in de voorfase van bezwaar. Dat leidt tot de conclusie dat beroep is ingesteld in de wetenschap dat geen positief resultaat mocht worden verwacht.

Dat laatste is opmerkelijk nu misbruik pas vastgesteld wordt door de rechtbank. De rechtbank heeft deze overweging echter nodig om vervolgens in te kunnen gaan op de proceskostenveroordeling en overweegt daarover als volgt:

Uit het voorgaande volgt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door eiser in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat biedt grond om eiser (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Een proceskostenveroordeling kan enkel betrekking hebben op kosten die zijn genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu gemachtigde van verweerder geen ambtenaar in dienst van de gemeente Nissewaard is, maar een speciaal voor deze procedure aangestelde, als zelfstandige werkende jurist, ziet de rechtbank aanleiding om tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

Deze lijn volgend – hoewel de wetenschap in beroep over het misbruik doortrekken naar bezwaar en de overweging om in beroep te gaan ver gaat – is het nuttig voor de overheid om bij vermeend misbruik met een externe adviseur op de proppen te komen. Vanwege de waardering per punt leidt dit niet tot exorbitante bedragen (in dit geval EUR 980,–). Wel draagt dit bij aan het ontmoedigingsbeleid dat door de rechtspraak is ingezet.

Naming and shaming
Een andere ontwikkeling is dat (vermeend) Wob-misbruik een journalist – al dan niet ingefluisterd door een gefrustreerde gemeente of bezwaarcommissie – zowel gemachtigde als bezwaarmaker met naam en toenaam doet noemen in een artikel dat een bezwaarprocedure bespreekt.

Een particulier was aangelopen tegen een parkeerboete. Dat bracht het adviesbureau ertoe namens haar een Wob-verzoek in te dienen. Dat leidde tot openbaarmaking van een aantal documenten, met uitzondering van de ambtelijke akte waarin de bevoegdheden van de buitengewone opsporingsambtenaar (boa) zijn te vinden. De onafhankelijke bezwaarcommissie van de gemeente Hellendoorn merkt dit aan als Wob-misbruik. Bijzonder is dat de gemeente het kennelijk niet als zodanig bestempelde, nu het een deel van het verzoek al had ingewilligd. De journalist van de Tubantia vond het een artikel waard, met naam en toenaam dus.

Zo dreigt dus, naast een proceskostenveroordeling, ook nog eens de (digitale) schandpaal!