Dit is de categorie voor blogs

De Woo; verbetering die voor verbetering vatbaar is, actieve openbaarmaking

Vandaag dus de behandeling (zie deze update) van het wijziginswetsvoorstel tot aanpassing van de al aangenomen Wet open overheid. Gisteren wees (zie blog) ik op de nodige kritiek op al geschrapte onderdelen (register en Informatiecommissaris) van het oorspronkelijke voorstel waar nog door een aantal partijen voor wordt gepleit.

Vandaag wijs ik op de valreep nog op een ander thema waar ik eerder aandacht voor vroeg. Nadat het wetsvoorstel Wet open overheid was aangenomen in de Tweede Kamer schreef ik een aantal artikelen over het wetsvoorstel (zie onder andere deze twee (I en II) in de Gemeentestem). Vooral ook om aan te geven wat voor effecten een en ander zou hebben voor de praktijk. De impactanalyse bewezen mijn gelijk wat dat aangaat.

Ten behoeve van de behandeling in de Eerste Kamer schreef ik een position paper (update). Goed is om te zien dat het wijzigingswetsvoorstel dat vandaag behandeld wordt in de Tweede Kamer deels ingaat op de door mij aangestipte verbeterpunten. De verplichting tot actieve openbaarmaking is weer een inspanningsverplichting geworden en met de uitbreiding van de categorieën van actieve openbaarmaking (3.3) is iets meer helderheid gebracht in de soort documenten die openbaar gemaakt moeten worden. Toch valt er nog genoeg op de Woo aan te merken (de Raad van State doet dat ook in zijn advies) en zijn de opmerkingen in de position paper nog altijd actueel.

Dit en nog veel meer (de vreemde definities van “document” en “publieke informatie”, de introductie bij wet van een Woo-coordinator, de relativering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens, etc (zie verder mijn artikelen over de Woo) pleit er voor nog eens kritisch te kijken naar nut en noodzaak van de Woo. Maar zoals eerder al opgemerkt lijkt het spel al te ver op de wagen, “Praktijk says Woo!”.

De Woo; laatste schermutselingen over register en commissaris…

Over de Wet open overheid komen de pennen nu (weer) in beweging, uiteraard vanwege de behandeling morgen in de Tweede Kamer (zie deze update). Zie onder meer een opinie in de Volkskrant met een pleidooi voor de Informatiecommissaris en het documenten-register (zie ook eerder dit stuk vanuit de journalistiek).

Register

Bij een bespreking van het oorspronkelijke wetsvoorstel (met register en commissaris) ben ik al ingegaan op het register o.a. deze columns op Binnenlands Bestuur:

– het gevaar van een register (column)

– de problematiek van veel actief openbaar maken (column)

Die kritiek geldt nog altijd.

Commissaris

Over de Commissaris die al redelijk snel sneuvelde merkte ik in het artikel in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht (artikel) niet meer op dan dat er sprake was van “niet ongefundeerde kritiek”. Ik was dus niet rouwig om het feit dat dit instituut het niet heeft gehaald tijdens de eerste behandeling in de Tweede Kamer.

Waarom zult u misschien denken? Nu, ik meen dat de mogelijkheden van in elk geval beroep en hoger beroep (bezwaar voelt al snel als een rituele dans bij de Wob) toereikend zijn om de overheid indringend te controleren. Dat de rechter daar misschien soms nog actiever en indringender mag zijn is iets om te verkennen. Want wordt niet al te gemakkelijk uitgegaan van de mededeling van ambtenaren dat Appjes er niet meer zijn bijvoorbeeld (zie deze update)?

Maar goed, daarvoor is de Woo niet nodig. Toch lijkt in alles die Woo er wel te komen als we de vragen die nu kennelijk leven in de Tweede Kamer zien (update). Waarschijnlijk zonder register en commissaris. Wat die laatste betreft zeker nu die nog een herkansing krijgt bij de evaluatie van de Woo, vijf jaar na inwerkingtreding (zie artikel 8.9).

Meer informatie

Meer over dat wat nu voorligt bij de Tweede Kamer is hier te lezen: update.

De artikelsgewijze toelichting bij de Woo zoals deze nu zou komen te luiden is hier te vinden: tekst en commentaar.

Meer weten over de Woo, op 10 december wordt u bijgepraat via TEAMS (nog 11 plekken beschikbaar): informatie en aanmelden.

De Wet open overheid in een volgende fase

Op 29 juni zijn de nodige Kamerstukken ingediend over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet open overheid, de zogeheten novelle. Voor de liefhebber zijn hier de stukken te vinden (inmiddels zijn de artikelsgewijze toelichtingen en de wetsteksten elders op de website aangepast):

Het belangrijkste aspect qua wetgeving is natuurlijk het advies van de Raad van State en wat daarmee is gedaan. De Raad van State deelt complimenten uit wat betreft de novelle en de tegemoetkoming daarmee aan bezwaren tegen het oorspronkelijke wetsvoorstel (zoals dus wel aangenomen door de Tweede Kamer). Vooral de focus op het tegengaan van hoge uitvoeringskosten wordt daarbij genoemd.

Complexiteit toegenomen?

De Raad van State merkt evenwel op dat het daarmee niet simpeler is geworden. Zowel voor de informatie zoekende burger als het bestuursorgaan dat bepaalde informatie actief openbaar moet maken. De Raad stelt voor niet te werken met een uitputtende lijst van openbaar te maken documenten. De initiatiefnemers menen dat die lijst nodig is en een uitvloeisel van de quickscans en overleg met de praktijk.

De complexiteit aldus de Raad van State vloeit voort uit de complexe regeling van artikel 3.3. Hieruit volgt dat bepaalde documenten (maar welke dan precies) door bepaalde bestuursorganen (maar welke dan precies) op een zeker moment (maar welk moment dan precies, want wisselend) openbaar gemaakt moeten worden. Volgens de initiatiefnemers valt die complexiteit wel mee, helemaal door de verdere uitbreiding van de lijst beschikkingen (we komen van 10 categorieën en zijn inmiddels aanbeland in 21! categorieën van beschikkingen).

Bovendien wordt bij afwijking in een individueel geval een besluit verwacht waaruit de afweging van belangen (o.g.v. artikel 5.1 of artikel 5.2, waarom een document niet actief openbaar wordt gemaakt, zal blijken. Een administratieve belasting die dus blijft.

De complexiteit vanwege het overgangsrecht (bepaalde informatie wordt niet of nog niet actief openbaar gemaakt) wordt weggezet als een noodzakelijk kwaad. De complexiteit voor bestuursorganen zou volgens de initiatiefnemers ook wel mee vallen door de verfijning en dat bestuursorganen kunnen werken met sjablonen zodat in elk geval in de toekomst makkelijk bij voorbaat al namen e.d. kunnen worden weggelakt alvorens tot actieve openbaarmaking wordt overgegaan.

Adviescollege en -commissie

Door de Raad geconstateerde onduidelijkheid over de openbaarheid van adviezen van adviescollege of -commissie wordt erkend en leidt tot een wijziging van het wetsvoorstel.

Tijdelijke adviescollege informatiehuishouding

Verder heeft de Raad kritiek op het instituut van het Tijdelijke adviescollege informatiehuishouding. Met name het hybride karakter van het college; het bereidt de rapportage van de minister aan de Kamer voor maar is ook onafhankelijk wat betreft het adviseren over de aanpassing van het meerjarenplan. Ook dit leidt tot een aanpassing van de wet. Het college stelt de rapportage over onder meer de stand van de informatiehuishouding in het bestuur, zelfstandig op. De rapportage zal onderdeel uitmaken van de periodieke advisering door het adviescollege aan de minister over aanpassing van het meerjarenplan. De minister is vervolgens aan zet om de beide Kamers binnen drie maanden na ontvangst van het advies in kennis te stellen van zijn standpunt over het advies.

Overgangsrecht bij ministeriële regeling en Wiv 2017

Zoals al opgemerkt vindt de Raad van State ook het nodige van het overgangsrecht, vooral gekoppeld aan de actieve openbaarmaking. Problemen heeft zij met de vormgeving van het overgangsrecht in een ministeriële regeling. De initiatiefnemers stellen dat niet beoogd wordt van de wet af te wijken maar om de wet gefaseerd in werking te laten treden. Vanwege de onduidelijkheden in de praktijk wanneer de ICT en informatiehuishouding klaar is voor de ruimere actieve openbaarmaking, stelt men voor de fasering niet via een koninklijk besluit of algemene maatregel van bestuur te laten plaatsvinden. De ministeriële regeling maakt een en ander wat flexibeler.

Ook wordt iets aangepast om de samenloop tussen de Woo en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 beter af te stemmen.

Andere wijzigingen

Overigens zijn er meer wijzigingen doorgevoerd die niet zo duidelijk zijn gemaakt, maar wel nieuw zijn. Zo valt op dat een nieuw artikel 3.3a wordt geïntroduceerd. Hiermee wordt mogelijk gemaakt dat met een soort van registers (waar zagen we die eerder) gewerkt kan worden voor het actief openbaar maken op andere wijzen dan sec via integrale documenten. Het zou dan gaan om de ‘wezenlijke elementen’ uit documenten zoals subsidiebeschikkingen, andere beschikkingen en schriftelijke oordelen over klachten.

Ook de codificatie (in artikel 4.1a) van rechtspraak over het behoud van documenten na ontvangst van een verzoek, springt in het oog al voegt dat weinig toe vanwege juist die rechtspraak (zie bijv. ook dit bericht). Eerder zou het de suggestie kunnen wekken dat andere Wob-rechtspraak niet meer relevant is tenzij verwerkt in het wetsvoorstel, maar zo zal het vast niet zijn bedoeld.

O.a. de eerdere door ondergetekende opgemerkte bijzonderheid dat alleen een regeling was gegeven voor kabinetsformaties (in artikel 5.4) is opgepakt. Inmiddels wordt voorgesteld om de regeling ook voor formaties op decentraal niveau van toepassing te laten zijn.

De eerder geconstateerde bijzonderheid dat de initiatiefnemers menen dat de bestuurlijke aangelegenheid als begrip kan worden gemist, maar dit begrip wel in de antimisbruikbepaling terug laten komen kan in de herhaling. Ook een aanvulling in artikel 5.5 hanteert het begrip aangelegenheid bij de verplichting voor de verzoeker om de aangelegenheid (of het specifieke document) te noemen.

Uitvoerbaarheid aangetoond?!

Daarmee lijkt weer een belangrijke hobbel genomen door de initiatiefnemers. Helemaal als nu blijkt dat minister Ollongren kan melden dat de uitvoeringstoetsen laten zien dat de Woo uitvoerbaar is. Ook kostentechnisch, want was eerst nog EUR 1 mld. aan kosten geraamd, inmiddels is dat EUR 48 mln. voor het Rijk en EUR 51 mln. voor de medeoverheden. En incidentele kosten worden geschat op EUR 60 mln. voor het Rijk en EUR 140 mln voor de medeoverheden. Zoals eerder al gezegd, “Praktijk says Woo!

Evaluatie afschaffing dwamgsomregeling Wob. Geen reden tot klagen?

Na veel ontwikkelingen in de rechtspraak kwam uiteindelijk de wetgever in actie om Wob-misbruik een halt toe te roepen (zie uitgebreid hierover deze bijdrage aan de JB Select jubileumbundel). Per 1 oktober 2016 werd de dwangsomregeling losgekoppeld van de Wet openbaarheid van bestuur. Te laat besluiten op een Wob-verzoek leidt niet direct meer tot een dwangsom voor het bestuur. De plicht om tot betaling vanwege niet tijdige besluitvorming is nog niet helemaal uit beeld. Na een beroep vanwege niet-tijdig besluiten dreigt altijd nog een een dwangsom, opgelegd door de rechter (zie hierover het nog altijd veel gelezen blog “Dwangsom en de Wet openbaarheid van bestuur, hoe zit het nu?“). Een wet behoeft zo nu en dan een evaluatie. Werkt het zoals bedacht of moet er iets veranderd worden? Over de loskoppeling van de dwangsomregeling verscheen recent zo’n evaluatie. Een bespreking waard.

Die evaluatie verscheen in de vorm van een SEO-onderzoek naar de effecten van het loskoppelen van de dwangsomregeling bij de Wob. Hier enkele van de belangrijkste bevindingen van de onderzoekers met een enkele opmerking daarbij:

“De afschaffing van de dwangsom bij de Wob heeft ertoe geleid dat er (vrijwel) geen financieel gemotiveerd misbruik meer is. Misbruik met het oog op het frustreren van een bestuursorgaan of een obsessief streven naar openbaarmaking van overheidsinformatie blijft in gelijke mate bestaan.”

Gegeven het hier bestaande inzicht in de praktijk klopt dit deels. Een enkeling probeert nog aan te sturen op onjuiste besluitvorming zodat een proceskostenveroordeling voor het bestuursorgaan dreigt, maar die aantallen zijn beperkt. De querulant die ook de Wob hanteert blijft inderdaad een vast fenomeen in menig gemeente.

“Er zijn indicaties dat de doorlooptijd van Wob-verzoeken sinds de afschaffing van de dwangsom-regeling bij de Wob jaarlijks toeneemt. Hiervoor bestaan twee ‘concurrerende’ verklaringen:
• de omvang en complexiteit van Wob-verzoeken is toegenomen, door digitalisering van de overheid en toegenomen bekendheid van de Wob; en
• door het verdwijnen van de dwangsomregeling bij de Wob is de prikkel voor de overheid om tijdig te reageren afgenomen.”

Na de nodige jaren in de Wob-praktijk werkzaam te zijn (zowel voor overheden als belanghebbenden als verzoekers) trek ik deze conclusie toch in twijfel. Complexer zijn de verzoeken toch niet geworden. Eerder zijn de zoekmogelijkheden toegenomen om snel door digitale omgevingen te gaan om te kijken wat er allemaal is. Dan is er dus mogelijk meer, maar dat kan ook weer makkelijk worden doorzocht.

De toegenomen bekendheid met de Wob kan ik moeilijk beoordelen, ook niet op basis van het rapport van SEO. Dat zou overigens betekenen dat er dus veel meer Wob-verzoeken worden ingediend. Ook dat is me niet direct duidelijk en bekend en blijkt ook niet uit het overzicht van het aantal Wob-verzoeken bij het Rijk in 2014 tot en met 2018.

Uiteindelijk is de voorzichtige conclusie dat de doorlooptijden dus toenemen. Die conclusie baseert men vooral op het Volkskrant-artikel dat eerder verscheen. De Volkskrant stelt dat 10 weken of langer dus sowieso een termijn overschrijding is. Hoewel dat niet helemaal klopt – de zienswijzetermijn die gegund kan worden kan langer zijn dan twee weken bijvoorbeeld (SEO gaat uit van maximaal 6) – is de stelling van SEO dat de uitgangspunten van de Volkskrant niet kloppen ook voor discussie vatbaar. Want dat de omvang van een verzoek of schoolvakanties een reden voor opschorting geven is natuurlijk niet juist.

“Er zijn geen signalen dat het misbruik zich grootschalig heeft verplaatst naar andere wetten of regelingen.”

Dat eerste is een gegeven, al geeft de AVG toch zo nu en dan een makkelijke ingang om te procederen. Vooralsnog lijkt dit beperkt tot een enkeling en is misbruik in dat verband in de rechtspraak nog niet breed aangenomen.

“Het aantal (hoger) beroepszaken over de Wob is niet structureel toegenomen.”

Al die complexe zaken en de toegenomen bekendheid met de Wob leiden dus in elk geval niet tot veel meer procedures bij de rechtbanken en hogere rechtscolleges. Dat scheelt! Maar zegt dit nu iets over de kwaliteit van de besluitvorming, de door partijen ingeschatte kansrijkheid van een procedure of toch iets over de doorlooptijden (de nieuwswaarde is van de informatie, de zin van procederen is komen te vervallen)?

De conclusie van de Minister? Geen aanleiding tot wijziging, aldus de aanbiedingsbrief. En vooral de oproep om tijdig tot besluitvorming te komen. Juist ook in tijden van crisis aldus de Minister. Interessant gegeven de mededelingen van menig (rijks-)overheidsorgaan om vanwege corona zichzelf wat meer tijd te gunnen.

Wet openbaarheid van bestuur en het coronavirus (COVID-19); termijn om te beslissen op een verzoek

De Wet openbaarheid van bestuur kent (in artikel 6) een duidelijke termijn van vier weken om te beslissen. Deze termijn vangt aan na ontvangst van het verzoek. Dit stappenplan laat verder zien hoe het proces moet verlopen en bespreekt de mogelijkheden van verdagen met nog eens vier weken. Onder normale omstandigheden worden genoemde termijnen soms al als knellend ervaren. In de bijzondere tijd waarin we nu leven – van ‘social distancing’ vanwege het rondwarende coronavirus – zal dit extra gelden. Te meer nu de (digitale) informatiehuishouding van veel overheden te wensen over laat (vandaar ook het meerjarenplan waar de Wet open overheid op inzet).

Beslistermijnen Awb

In het reguliere bestuursprocesrecht kennen we de mogelijkheid voor de overheid om zich te beroepen op overmacht waardoor zij niet in staat is te beslissen op een aanvraag (Artikel 4:15 Algemene wet bestuursrecht, meer specifiek lid 2, onder c). De overheid moet dit beroep op overmacht laten weten aan de aanvrager. Blijft dit uit, en verstrijkt de termijn, dan is men te laat en kan na een schriftelijke ingebrekestelling beroep wegens niet tijdig beslissen worden ingesteld.

De overmacht moet gelegen zijn in een onmogelijkheid om te beslissen die veroorzaakt wordt door abnormale en onvoorziene omstandigheden buiten toedoen van de overheid zelf en die ook buiten zijn risicosfeer liggen. Het afbranden of onder water lopen van het gemeentehuis zijn voorbeelden. Van veel geslaagde beroepen op overmacht is geen sprake. Het willen afwachten van een rechterlijke uitspraak of informatie van een andere overheid is onvoldoende.

Nu geen sprake is van een totale ‘lock down’ lijkt het niet vanzelfsprekend dat sprake is van overmacht. Een specifieke motivering en duiding is wel op zijn plaats. Specifieke omstandigheden in een concreet geval die maken dat het onmogelijk is om tot besluitvorming te komen wegens de nu geldende maatregelen kunnen natuurlijk wel maken dat sprake is van overmacht. De tijdelijkheid – vooralsnog – van de maatregelen maakt dat een dergelijk beroep niet snel nodig zou moeten zijn. Die omstandigheden maken ook dat een beroep wellicht niet snel zal slagen.

Bijzonderheden Wob

De ‘stok achter de deur’ voor de aanvrager – de ingebrekestelling en een dreigende dwangsom – is niet aan de orde bij aanvragen om informatie op grond van de Wob (dit volgt uit artikel 15). Wel bestaan de mogelijkheden van beroep (artikel 15b) én bezwaar (artikel 15a) indien te laat op een Wob-verzoek wordt beslist (zie hierover uitgebreid het veelgelezen blog “Dwangsom en de Wet openbaarheid van bestuur, hoe zit het nu?“).

De hiervoor genoemde mogelijkheid – om op te schorten wegens overmacht – van 4:15 Awb blijft wel gelden voor de afhandeling van een Wob-verzoek. Of het beroep op overmacht ook in dit kader snel slaagt is de vraag. Hoewel de impact van het coronavirus natuurlijk een abnormale en onvoorziene omstandigheid is, is ook hier het gegeven dat geen sprake is van een totale ‘lock down’ relevant. Er kan feitelijk gezocht worden naar de documenten zou gesteld kunnen worden. En het niet op orde hebben van de digitale huishouding (waardoor ook niet goed vanuit huis gezocht zou kunnen worden) zou weer als omstandigheid een rol kunnen spelen bij het “door toedoen van de overheid zelf” aspect zoals hiervoor genoemd. En ook hier geldt, gegeven de termijnen van twee keer vier weken (want een goede reden voor het verdagen lijkt wel gegeven) én de tijdelijkheid van de maatregelen die nu gelden (van thuiswerken e.d.) zou moeten betekenen dat tijdig besluiten nog tot de mogelijkheden behoort.

Een andere reden waardoor de termijn om te beslissen bij de Wob overigens nog wordt opgeschort is de termijn om eventuele belanghebbenden de gelegenheid te geven een zienswijze te geven over een voorgenomen besluit tot openbaarmaking (zie artikel 6, lid 3). In de bijzondere omstandigheden van dit moment kan gedacht worden aan het gunnen van een langere termijn dan gebruikelijk om tot een zienswijze te kunnen komen. Dat geeft nog iets meer lucht wellicht.

Overigens lijkt de omstandigheid van het coronavirus geen reden om af te kunnen zien van een uiteindelijke proceskostenveroordeling vanwege het niet tijdig beslissen. De opties van artikel 15a lid 4 en artikel 15b lid 3 en 4 bieden hiervoor geen basis.

 

Wel of geen Wob-verzoek. De doorslaggevende betekenis van het expliciet wel of niet noemen van de Wob

Of een verzoek om informatie wel of geen Wob-verzoek is, kan van groot belang zijn. Het maakt veel uit voor het van toepassing zijnde wettelijk kader. En zodoende kan het ook relevant zijn voor eventuele termijnen waarbinnen moet worden beslist. Ook kan het gevolgen hebben voor de status van een reactie op zo’n verzoek. Is het bijvoorbeeld wel of geen besluit waar bezwaar tegen open staat?

Is het verzoek wel of geen Wob-verzoek of is het onduidelijk?

Elk verzoek om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid dat wordt gericht tot een bestuursorgaan is in feite een ‘Wob-verzoek’. Dat betekent dat elk verzoek in het kader van de Wob dient te worden beoordeeld. Op de verzoeker rust de plicht de bestuurlijke aangelegenheid te noemen of het daarop betrekking hebbende document. Deze eis van een bepaalde mate van concreetheid volgt uit artikel 3 lid 2. Is die concreetheid er niet, dan dient het bestuursorgaan verzoeker ingevolge lid 4 zo spoedig mogelijk te verzoeken om het verzoek te preciseren en dient het verzoeker hierbij behulpzaam te zijn. Een belang van verzoeker is niet vereist (lid 3). Ingevolge artikel 3 lid 5 wordt een verzoek om informatie ingewilligd tenzij de uitzonderingen (artikel 10) of beperkingen (artikel 11) daaraan in de weg staan. Zie hierover ook uitgebreid het begin van het stappenplan, elders op deze site.

Meer over het benoemen van Wob

Van het wel of niet noemen dan niet uit maakt 

Duidelijk was voorheen dat het niet nodig was dat de verzoeker bij zijn vraag om informatie uitdrukkelijk een beroep op de wet doet of ernaar verwijst. Echter, ogenschijnlijk mede ingegeven door het bestrijden van Wob-misbruik, leek de jurisprudentie een en ander kritischer te benaderen. De oorspronkelijke lijn zoals hiervoor geschetst (‘Vraag bij de overheid om een niet openbaar stuk en je bent binnen in de Wob.’) leek wat te zijn losgelaten.

Naar het niet noemen van de Wob als belangrijk apect

Zo wordt een verzoek om informatie in een brief met het thema aansprakelijkstelling van het bestuursorgaan niet als Wob-verzoek aangemerkt (ABRvS 13 november 2013). Ook een verzoek om informatie gedurende procedures – opgenomen in beroepschriften of andere processtukken – kwalificeren niet als een verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wob (ABRvS 4 december 2013ABRvS 16 april 2014ABRvS 7 mei 2014). Voorts leiden ook een verzoek tot medewerking (ABRvS 22 januari 2014), het indienen van een klacht (ABRvS 26 maart 2014) en het stellen van een vraag (ABRvS 7 augustus 2013ABRvS 27 november 2013) allemaal tot de slotsom dat van een verzoek om informatie op grond van de Wob geen sprake is. Interessant in dit kader is de strikte lijn van de Afdeling waar het gaat om informatieverzoeken die niet gericht zijn aan het bestuursorgaan, maar aan een ambtenaar ervan (ABRvS 23 april 2014).

Tot het ook niet doorslaggevend achten van het expliciet wel noemen van de Wob

Zelfs het noemen van de Wob leek op een gegeven moment niet bepalend (ABRvS 20 augustus 2014) of in ieder geval het ‘voor zover nodig’ een beroep doen op de Wob was onvoldoende om van een Wob-verzoek te spreken (ABRvS 11 juni 2014). Van belang werd geacht dat het ging om een verzoek tot openbaarmaking voor een ieder (ABRvS 23 april 2014 en ABRvS 19 november 2014).

In een uitspraak van 26 november 2014 lijkt de Raad van State duidelijkheid te geven in wat zij doorslaggevend acht bij de vraag of een verzoek om informatie behandeld moet worden volgens de kader van de Wob. In rechtsoverweging 8.1 merkt ze namelijk het volgende op:

“[wederpartij] heeft in haar verzoek om openbaarmaking van documenten uitdrukkelijk en alleen een beroep op de Wob gedaan. Daarnaast heeft zij ter zitting te kennen gegeven met haar verzoek de openbaarmaking van de verzochte documenten voor een ieder te hebben beoogd. De rechtbank heeft reeds hierom terecht in dit geval geen grond gevonden voor het oordeel dat het verzoek van [wederpartij] van 8 november 2011 geen verzoek op grond van de Wob is. Hetgeen de RvA heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. De door de RvA aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling bevat geen met deze zaak vergelijkbare situaties, nu in die gevallen niet uitdrukkelijk en alleen een beroep op de Wob was gedaan en evenmin op andere gronden kon worden aangenomen dat de verzoeker had beoogd een verzoek op grond van de Wob te doen.”

Kortom, als gevraagd wordt om niet openbare informatie, met een uitdrukkelijk beroep op de Wob, met het oogmerk dat het openbaar wordt voor een ieder, dan is zeker sprake van een Wob-verzoek. Ook als dit gebeurt in een lopende procedure gelden alle verplichtingen van de Wob voor een bestuursorgaan. Voor de verzoeker om informatie is het dus zaak zekerheidshalve duidelijk te zijn dat de Wob als grondslag wordt gekozen en dat geaccepteerd wordt dat de informatie voor een ieder openbaar wordt. Dat laatste kan nog wel eens een reden zijn om toch geen Wob-verzoek te doen als het om informatie gaat van de verzoeker zelf.

Tot het expliciet maken dat de Wob niet de grondslag vormt

Over het expliciet noemen van de Wob, is ook een uitspraak van 16 oktober 2019 relevant. In dat kader hadden verzoeker (om inzage) en het bestuursorgaan expliciet besproken dat ten behoeve van de inzage geen beroep op de Wob werd gedaan. Nu dat niet het geval was en louter inzage in de agenda van de Commissaris van de Koning het doel was, was volgens de Raad van State geen sprake van openbaarmaking voor een ieder en geen sprake van een besluit op grond van de Wob. Hoewel deze zienswijze praktisch is voor veel bestuursorganen (en journalisten) staat het ook op gespannen voet met de wijze van verstrekken, zoals het toestaan van kennisneming (artikel 7, lid 1, onder b). Kennelijk is het doorslaggevend dat verzoeker dus expliciet niet de Wob-weg wil bewandelen en (dus) ook niet openbaarmaking voor een ieder voor ogen heeft.

Toegang tot overheidsinformatie; over de exhibitieplicht (843a Rv), de Wob en de Gemeentewet

In de afgelopen periode was er zo nu en dan aanleiding om te spreken over de civielrechtelijke weg om informatie die bij de overheid berust te verkrijgen. Het gaat dan om de exhibitieplicht van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die verschillende berichten geven aanleiding om eens wat dieper in te gaan op deze materie, juist ook in het licht van de samenhang met de Wob, de Gemeentewet en andere relevante wettelijke kaders voor de overheidspraktijk.

Exhibitieplicht 843a Rv

De genoemde civielrechtelijke weg tot (overheids)informatie is dus geregeld in artikel 843a Rv. Met een rechtmatig belang kan, vanwege een rechtsbetrekking gevraagd worden om inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden. Dat laatste maakt dan dat het gaat om gegevens op een gegevensdrager waarbij, denkend aan het documentbegrip van de Wob, ook usb-sticks of WhatsApp-berichten in beeld kunnen komen (zie verder de toelichting bij artikel 1 Wob).

Anders dan bij de Wob dient het verzoek wel concreet te zijn. Duidelijk moet worden gemaakt welke documenten worden opgevraagd. Het enkel noemen van het onderwerp (de bestuurlijke aangelegenheid in Wob-termen) is dus onvoldoende.

Van belang is dus wel dat er een rechtsbetrekking is (of zal zijn) tussen de partij die informatie wil verkrijgen van degene die de informatie zou hebben. Zo’n rechtsbetrekking kan bijvoorbeeld ontstaan uit een onrechtmatige daad met een mogelijke aansprakelijkheid met schadevergoedingsplicht als uitkomst. De update over de luchtaanvallen door Nederlandse F16’s laat zien dat het daarop kan stranden als onvoldoende duidelijk is dat er een rechtsbetrekking is.

Beperking van de exhibitieplicht; gewichtige redenen

Niet elke vordering om informatie wordt toegewezen. Buiten het ontbreken van een rechtsbetrekking kan er ook aanleiding zijn om op andere gronden niet tot informatievoorziening over te hoeven gaan. De grondslagen zijn ‘gewichtige redenen’ of het feit dat iemand de informatie niet nodig heeft om goed gesteld te staan in een procedure over de rechtsbetrekking.

Wat die gewichtige redenen betreft dringt de parallel met het al eerder besproken overleggen van stukken onder geheimhouding in een bestuursrechtelijke procedure zich op. En in zekere zin lijkt de motiveringslast voor degene die de gewichtige redenen inroept – die weer deels lijken op het motivering van het weigeren van openbaarmaking op grond van de weigeringsgronden van de Wob – op de last die op degene ligt die zich in het kader van 843a Rv beroept op de gewichtige redenen.

Zo zien we – weer in de casus van de luchtaanvallen – dat de rechtbank (ten overvloede) duidelijk maakt dat als de rechtsbetrekking er wel zou zijn, de Staat zich zou hebben kunnen beroepen op de gewichtige redenen. Hierbij is vooral oog voor de belangen van de Staat en zijn bondgenoten, waarbij een parallel met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a van de Wob (de internationale betrekkingen) al snel is gemaakt.

Net als eerder geconstateerd bij 8:29 (zie uitgebreid deze annotatie) is ook in dit geval de uitkomst van een Wob-procedure niet leidend en bepalend voor het al dan niet aanwezig achten van ‘gewichtige redenen’. Het eerdere oordeel dat de Wob geen toegang gaf voor taxatierapporten, maakt dus niet dat als vanzelfsprekend ook de gewichtige redenen aanwezig zijn zodat een gemeente ontkomt aan de exhibitieplicht (zie deze update).

Beperking van de exhibitieplicht; verschoningsrecht van de Gemeentewet

Een andere beperking aan de exhibitieplicht is gelegen in het gegeven dat iemand gehouden is tot geheimhouding. Voor de gemeentepraktijk springt dan in het oog het geregelde in de Gemeentewet omtrent geheimhouding (opgelegd op stukken of volgend uit de beslotenheid van een raads(commissie)vergadering) (zie uitgebreid de verschillende berichten op deze site).

Een casus waarbij de Gemeente Nijmegen – leidend tot deze uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden-Arnhem – was betrokken geeft een aardig inzicht hoe dit werkt. Het ging om de koop door de gemeente van een slachterij en vleeshandel waar uiteindelijk iets mis ging. In de daarop volgende procedure wordt informatie door de verkoper gevorderd. O.a. omdat bij de weigering van een Wob-verzoek van Omroep Gelderland de gemeente nog stelde dat informatie niet kan worden verstrekt vanwege de aanhangige procedure. Kennelijk, zo was de stelling, werd iets achtergehouden.

Onder verwijzing naar geheimhouding, opgelegd door het college van B&W en bekrachtigd door de gemeenteraad, meent de gemeente dat het niet kan toekomen aan de exhibitieplicht. Te meer omdat een andere rechtsgang open staat om die geheimhouding op te laten heffen of de afwijzing daarvan aan een rechter voor te leggen (zie uitgebreid deze annotatie).

Het Hof maakt duidelijk dat inderdaad vanuit de opgelegde en bestaande geheimhouding voor hen die bij de besloten vergadering met opgelegde geheimhoudingsverplichting aanwezig waren tevens een verschoningsrecht voortvloeit. Via de band van artikel 22 Gemeentewet kan dan ook niet worden bevolen tot het verstrekken van een ongecensureerde versie van de documenten die betrekking op de geheimhouding en de besloten vergadering.

Net als in de luchtaanvallen-casus merkt het hof ook nog ten overvloede op dat ook de gewichtige redenen een blokkade zouden hebben opgeleverd. Dat geldt weer niet voor andere documenten, zoals overeenkomsten tussen de gemeente en een andere partij. Het enkel noemen van artikel 10 Wob is daarbij volgens het hof onvoldoende (zie onder 3.15).

Samenloop met de Wob; extra route

Tot slot nog de constatering dat de route via 843a Rv ‘tegen’ een rechtspersoon van de overheid los staat van de mogelijkheden om via de Wob aan dezelfde informatie te komen. De luchtaanvallen-casus leert dat betrokkenen de Wob-weg hebben beëindigd door niet in beroep te gaan tegen een beslissing op bezwaar waarbij de bezwaren ongegrond werden verklaard.

Een ander voorbeeld leert de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (zie deze update) waaruit volgt dat eerst een Wob-procedure is doorlopen naar informatie omtrent een aanbestedingsprocedure. Daarna volgde een beroep op 843a. Een weg die het Gerechtshof niet afsluit, ook niet vanwege de nodige weigeringsgronden van de Wob of de geheimhoudingsbepalingen van de Aanbestedingswet.

Misbruik van de Wob?

Hoewel niet hiermee vergelijkbaar, dient het bestuursorgaan bij het ontvangen van een Wob-verzoek niet blind te zijn en te blijven voor mogelijk misbruik als de weg van de Wob kennelijk voor een ander doel (zie bijvoorbeeld deze update) wordt ingezet (een andere (civielrechtelijke) procedure) dan waarvoor de Wob is bedoeld: openbaarheid voor een ieder.

Over het inbrengen van documenten onder geheimhouding (over de lastige toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht)

In de eigen praktijk werd – tijdens een apart belegde 8:29-zitting (uitspraak) – duidelijk dat de Afdeling indringender toetst of sprake is van gewichtige redenen als stukken worden overgelegd met de mededeling dat alleen de Afdeling er kennis van mag nemen (via artikel 8:29 Awb). Zo is het enkele feit dat een WOB-procedure over die documenten is afgerond en die documenten deels niet openbaar zijn, onvoldoende. In elke bestuursrechtelijke procedure kan het een rol spelen, tijd dus voor een blog. Te meer nu de Afdeling recent – 15 april 2019 – nog eens liet zien hoe zij (soms niet heel eenduidig) toepassing geeft aan deze bepaling uit de Awb.

Regeling van beperkte kennisneming door de rechter

Artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht heeft betrekking op de kennisneming van de gedingstukken door partijen in een gerechtelijke procedure. Het kan voor komen dat bepaalde stukken wel moeten worden ingebracht maar dat de andere partij daarvan geen kennis zou mogen nemen. Denk aan de WOB-procedure waarbij de oorspronkelijke verzoeker om de informatie uiteraard de stukken die niet zijn verstrekt nog niet zou mogen zien. De rechter moet die stukken natuurlijk weer wel kunnen zien. Hij moet immers beoordelen of het bestuursorgaan de informatie wel terecht niet verstrekt heeft. Het kan ook gaan om andere documenten die een procespartij verplicht is in te brengen. Voor een zodanige onevenwichtigheid in de procedure – die op gespannen voet staat met de uitgangspunten van gelijkwaardigheid en ‘fair trial” – is een wettelijke basis nodig. Die biedt dit artikel 8:29 Awb voor het uitwisselen van dergelijke informatie (en bijvoorbeeld weer niet voor het tijdens een zitting naar buiten sturen van een van de partijen, zie uitgebreid deze annotatie).
De regeling oogt wat complex en dat is hij ook wel zo blijkt wel eens in de praktijk. Zo moet een partij die een beroep doet op deze bepaling (die moet leiden tot kennisnemen van stukken door de rechter en niet door de wederpartij) zich beroepen op gewichtige redenen. De motivering voor die gewichtige redenen is vergelijkbaar met de motivering waaruit volgt of sprake is van de WOB gronden van artikel 10 of artikel 11.
Die WOB wordt ook genoemd als mee te nemen aspect. Als bestuursorganen gebruik willen maken van deze regeling dan is geen sprake van ‘gewichtige redenen’ als de WOB al zou verplichten tot het verstrekken van de informatie (lid 2).

Invloed van een WOB-procedure; 8:29 in een WOB-procedure

Die WOB – of een bijzondere openbaarmakingsregeling die voorgaat op de WOB – is ook een factor van belang als sprake is van een WOB-procedure. In dat kader is het vanzelfsprekend dat de geweigerde stukken overgelegd kunnen c.q. moeten worden onder geheimhouding, vanwege gewichtige redenen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven beschrijft die vanzelfsprekendheid als volgt:

“Doorslaggevend is hierbij dat het in deze beroepszaken nu juist draait om de vraag of terecht en op juiste gronden toepassing is gegeven aan een in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden opgenomen bijzondere openbaarmakingsregeling. Indien (alle) partijen onbeperkt over de documenten zouden kunnen beschikken, zou op onaanvaardbare wijze worden vooruitgelopen op de rechtmatigheid van de in bezwaar gehandhaafde afwijzing, respectievelijk van de beslissing om de 35 documenten alsnog openbaar te maken. Aldus zou materieel een eindoordeel in de zaak worden gegeven en zou de voorziening die wordt geboden door artikel 8:29 van de Awb in feite zinledig worden gemaakt. De vertrouwelijkheid van de documenten dient dan ook in ieder geval te worden bewaard tot de einduitspraak.”

De rechter mag ook uitgaan van die vanzelfsprekendheid. Deze komt ook terug in het Procesreglement Bestuursrecht (zie artikel 2.8).

Invloed van een WOB-procedure; 8:29 in een andere procedure 

Iets anders is het als in een andere procedure stukken betrokken worden waarover ook een WOB-traject loopt of heeft gelopen. Dat kan – zie de al genoemde 8:29-uitspraak uit de eigen praktijk – aan de orde zijn bij een verdelingsprocedure bij een schaarse vergunning. De verliezer doet een WOB-verzoek naar de aanvraag en andere documenten van de uiteindelijke verkrijger van de schaarse vergunning. Er wordt geprocedeerd over de vergunning maar ook over het WOB-besluit. De vraag dringt zich op – als de WOB-procedure in de tussentijd een uitkomst heeft gekregen waar iedereen zich bij heeft neergelegd (stukken worden deels verstrekt) – op welke wijze dat WOB-resultaat bepalend is voor de 8:29 vraag in de procedure over de vergunning. Worden dezelfde stukken op dezelfde wijze deels onder geheimhouding verstrekt onder verwijzing naar die WOB-uitkomst of ligt dit anders.

De Afdeling kijkt sec naar 8:29 en het kader dat daarbij speelt. Uitkomsten van andere procedures – al dan niet in rechte vastgesteld – zijn in zoverre niet op zichzelf staand doorslaggevend en relevant (zie ook deze eerdere uitspraak al). Simpel gesteld, 8:29 vraagt om een verhaal over gewichtige redenen. Dat verhaal is niet gegeven met het enkele feit dat een WOB-besluit formele rechtskracht heeft gekregen. De aanwezigheid van gewichtige redenen volgt enkel uit de informatie zelf en de belangen die op dat moment wel of niet aan de orde zijn.

Invloed van een bijzondere regeling; 8:29 in een andere procedure

In een uitspraak van 15 april maakt de Afdeling ook duidelijk dat het enkel wijzen op een bijzonder regeling waar geheimhouding uit volgt, in een procedure die niet gaat over het al dan niet toepasselijk zijn van die bijzondere regeling, eveneens onvoldoende is. Dat documenten vanwege een bijzondere wettelijke regeling (Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) geheim zijn (enkele bijzondere personen uitgezonderd) is onvoldoende om te kunnen spreken van gewichtige redenen. Een afzonderlijke motivering is dus vereist.

Wat meer meedenkend wordt de Afdeling in die zaak overigens wel aangaande het beroep van het bestuursorgaan op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Bij dat beroep ‘interpreteert’ de Afdeling uit eigen beweging dat kennelijk bedoeld is te wijzen op de persoonlijke levenssfeer. Een beoordeling van de stukken leidt vervolgens tot de conclusie dat dit belang inderdaad zwaarder dient te wegen dan het belang bij kennisneming van de stukken. Ook in deze zaak slaagt uiteindelijk dus – met een zekere omweg – het beroep op 8:29 Awb.

Lessen voor de praktijk

Deze uitspraken – en er zijn er meer – laten duidelijk zien dat het al te gemakkelijk nadenken over het onder geheimhouding inbrengen van processtukken niet (meer) wordt toegestaan. Een indringende beoordeling en opvolgende motivering, waarom sprake is van gewichtige redenen is een vereiste. Bijzondere regelingen of de WOB zijn daarbij relevant maar niet op zichzelf doorslaggevend.

De Bruijn – Oplossingsrichtingen voor de praktijk na de WhatsApp-uitspraak

Eerder is al uitgebreid geblogd over de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit volgt dat sms- en WhatsApp-berichten onder de Wet openbaarheid van bestuur (“WOB”) vallen als het om zakelijke berichten gaat die zien op een bestuurlijke aangelegenheid. Dit geldt zowel voor berichten op zakelijke alsook op privé telefoons.

Het gebruik van sms en WhatsApp door ambtenaren neemt een grote vlucht. Sommigen zien sms en WhatsApp als informele media. De uitspraak van de Raad van State maakt echter duidelijk dat dit niet juist is. Onder de WOB valt alle vastgelegde informatie van zakelijke aard, ongeacht het gebruikte medium en de gegevensdrager waarop die is opgeslagen.

Gevolgen

Zoals gebruikelijk bij de WOB dient het bestuursorgaan, op het moment dat het WOB-verzoek voldoende duidelijk is, in de eigen archieven na te gaan welke documenten onder het verzoek vallen. Daarbij wordt in de regel gezocht door het papieren en het digitale archief. Gevolg van deze uitspraak is dat bestuursorganen bij WOB-verzoeken ook dienen na te gaan of er relevante sms- of WhatsApp-berichten zijn.

Verzamelen en bewaren

Het verzamelen en bewaren van sms- en WhatsApp-berichten kan een complexe opgave zijn, zeker met in het achterhoofd dat deze berichten zich op telefoons van ambtenaren bevinden. In dit kader verdient het dan ook aanbeveling voor bestuursorganen dat dergelijke sms- en WhatsApp-berichten worden opgeslagen in bijvoorbeeld documentmanagementsystemen. Overigens, speelt dit niet alleen bij sms- of WhatsApp-berichten. Dit geldt evenzeer voor e-mails en andere elektronische berichten. Geregeld worden die ook niet goed gearchiveerd. Gevolg daarvan is dat de behandelend ambtenaren bij een WOB-verzoek de hele organisatie door moeten om e-mails te verzamelen. De betrokken ambtenaren worden in dat geval verzocht om de e-mails die zich nog in de eigen e-mailboxen bevinden ter beschikking te stellen aan de behandelaars van het WOB-verzoek. In de praktijk levert deze zoektocht – naast het uiteindelijk beoordelen van de documenten – doorgaans het meeste werk op. Deze zoektocht zal nu dus moeten worden uitgebreid naar sms- en WhatsApp-berichten.

Werkprotocollen

Verder is het van belang dat nagedacht wordt over de wijze waarop binnen de organisatie over bestuurlijke aangelegenheden wordt gecommuniceerd. Leent ieder medium zich daar wel voor is een keuze die gemaakt moet worden. Mag er wel of niet gecommuniceerd worden over bestuurlijke aangelegenheden via de telefoon, en indien het wel is toegestaan, mag dat dan alleen via de zakelijke telefoon?

Het verdient aanbeveling dat bestuursorganen hierover regels of protocollen gaan opstellen, zodat het voor ambtenaren duidelijk is hoe hiermee moet worden omgegaan. Ook de Raad van State geeft in de uitspraak expliciet aan dat het bestuursorgaan werkprotocollen kan opstellen voor de omgang met dergelijke berichten op telefoons. Hierin kan bijvoorbeeld worden omschreven hoe moet worden omgegaan met berichten die het werk betreffen. Zo kan de ambtenaar die de privételefoon gebruikt voor het ontvangen en verzenden van werkgerelateerde berichten worden verplicht dat deze berichten worden overgedragen aan zijn werkgever. Overigens lijkt de Archiefwet zelf die verplichting ook al te geven. Ook kan de werkgever hierover regelingen maken die bijvoorbeeld bepalen dat de ambtenaar dit soort berichten alleen op een werktelefoon zet.

Verschillende varianten zijn hierop dus denkbaar. Varianten die moeten volgen op meer beleidsmatige keuzes over wat wel en niet wordt gebruikt als communicatiemiddel binnen de organisatie.

Wordt WhatsApp of sms-gebruik voor bestuurlijke aangelegenheden via de telefoon toegestaan, dan is het raadzaam om in het protocol op te nemen dat een ambtenaar verplicht is ontvangen en verzonden werkgerelateerde berichten over te dragen aan het bestuursorgaan, bijvoorbeeld door deze te laten opslaan in een documentmanagementsysteem. Overigens zal, al naar gelang de inhoud van de werkprotocollen, de Ondernemingsraad en in voorkomend geval het Georganiseerd Overleg hierbij moeten worden betrokken.

AVG

Daarnaast komt ook de Algemene Verordening Gegevensverwerking (“AVG”) om de hoek kijken. Immers, wanneer het bestuursorgaan berichtenverkeer van de ambtenaar ontvangt, verwerkt deze persoonsgegevens en is de AVG van toepassing. Het bestuursorgaan zal de doeleinden voor de verwerking moeten bepalen (bijvoorbeeld het kunnen voldoen aan WOB-verzoeken) en ook moeten vastleggen in het verwerkingsregister. Daarnaast dienen de ambtenaren over de verwerking te worden geïnformeerd (bijvoorbeeld in de interne privacyverklaring).

Kortom, er komt bij het opstellen van werkprotocollen het een en ander kijken. Voor hulp bij het opstellen van dergelijke werkprotocollen hebben wij concrete ideeën. Om die te toetsen en verder vorm te geven volgt op 27 juni a.s. de “Training eerste hulp na de WhatsApp-uitspraak”. Tijdens deze training wordt stilgestaan bij deze uitspraak en de praktische gevolgen ervan. Meer informatie hierover vindt u via deze link.

Hoe informeert het kabinet de Kamer over Wob-besluit en de daarbij behorende stukken?

In haar kamerbrief van 29 april jl. gaat minister Ollongren in op de vragen die in de commissie gesteld zijn aan de minister van Financiën omtrent het informeren van de Tweede Kamer over besluitvorming naar aanleiding van Wob-verzoeken en het aanbieden van daaronder vallende stukken aan de Kamer. In de kamerbrief licht zij toe dat dit gezien haar verantwoordelijkheid binnen het kabinet invulling geeft aan de inlichtingenplicht richting de Tweede Kamer.

In de kamerbrief komt een aantal onderwerpen aan de orde:

  • aantal Wob-verzoeken aan de Rijksoverheid gedurende de afgelopen 5 jaar en het aantal afwijzingen daarvan;
  • op welke wijze en hoe vaak de Tweede Kamer geïnformeerd wordt over Wob-verzoeken;
  • de verhouding tussen de inlichtingenplicht richting de Tweede Kamer en de openbaarmaking op grond van de Wob;
  • het weigeren van informatie ondanks de inlichtingenplicht en de rol van staatsgeheime informatie;
  • of beslistermijnen worden gehaald en/of bewust vertraagd.

Aantal Wob-verzoeken

In haar antwoord gaat de minister alleen in op de Wob-verzoeken van een deel van de ministeries. Zo worden Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet meegenomen in het overzicht. Ook worden uitvoeringsorganisaties en agentschappen niet meegenomen in het overzicht. Dat is opmerkelijk, omdat bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en Rijkswaterstaat benaderd worden met Wob-verzoeken. Dat sprake zou zijn van 6669 Wob-verzoeken over de afgelopen vijf jaar is daarmee onvolledig. Met dat getal wordt namelijk maar een deel van het aantal Wob-verzoeken weergegeven.

Ten aanzien van het aantal weigeringen kan de minister geen inzage geven, omdat de integrale weigering naar aanleiding van een Wob-verzoek niet geregistreerd wordt. Dat leidt tot de aanname dat sprake is van een fractie van de besluiten. Hoe groot die fractie is, wordt (helaas) niet toegelicht (in absolute zin) en evenmin wordt ingegaan op het feit dat alleen de gegeven, onvolledige cijfers daarbij betrokken worden.

Informeren Tweede Kamer

De minister geeft aan dat voor elk Wob-verzoek de bewindspersoon een afweging maakt of actief geïnformeerd wordt. Dat hangt af van de relevantie voor de Tweede Kamer, maar ook – zo volgt uit de brief – in verband met het niet willen overladen van de Kamerleden. Los van wat er aangemerkt kan worden op de cijfers van de minister, zou het constant en actief informeren van de Tweede Kamer leiden tot meer dan 1000 berichten per jaar. Dat is dan nog zonder eventuele toelichting, publicatie en/of verstrekking van documenten. Kortom, een enorme vracht aan documenten. Reden dat de minister opmerkt dat Wob-besluiten gepubliceerd worden op www.rijksoverheid.nl.

Verhouding informatieplicht en Wob

De minister merkt op dat de inlichtingenplicht in beginsel verder strekt en breder is dan de informatie die op grond van de Wob verstrekt wordt. Zo kan de inlichtingenplicht betrekking hebben op nieuwe documenten, kan de gevraagde informatie mondeling gedeeld worden, kunnen technische briefings gegeven worden en kan vertrouwelijk inzage geboden worden in documenten. Bovendien geldt de inlichtingenplicht in de relatie regering – Staten-Generaal en de Wob in de relatie overheid – burger.

Het voorgaande neemt echter niet weg dat – zoals uit de vragen volgt – het nog steeds voorkomt dat de Tweede Kamer bepaalde informatie niet krijgt op grond van de inlichtingenplicht, maar diezelfde informatie wel openbaar gemaakt wordt naar aanleiding van een Wob-verzoek. Dat is een voor de Kamerleden frustrerende werkwijze, waarvan de minister opmerkt dat het niet de bedoeling is en dat het aan de bewindspersoon is om de Tweede Kamer te informeren.

Uit deze beantwoording volgt duidelijk dat de Wob en de omvang van de documenten die onder een verzoek op basis daarvan kunnen vallen voor de nodige ‘problemen’ kan zorgen. Zo is het enerzijds ondoenlijk om als de Tweede Kamer over alles geïnformeerd te worden, terwijl anderzijds wel van de Kamerleden verwacht wordt dat zij op de hoogte zijn. Dat geldt helemaal als via een Wob-verzoek (alsnog) bepaalde informatie openbaar gemaakt wordt die eerder op grond van de inlichtingenplicht was gevraagd (en geweigerd). Een actievere wijze van het informeren van de Kamerleden licht zodoende in de rede, zij het dat daarbij uiteraard gewaakt moet worden voor het overladen van de Kamerleden met informatie.

Weigeren informatie en staatsgeheime informatie

De minister licht toe dat voor een beroep op de staatsveiligheid vereist is dat dat belang is afgestemd in de ministerraad. Hoe vaak dat gebeurt, wordt overigens niet bijgehouden. Als sprake is van staatsgeheime informatie kan een bewindspersoon weigeren informatie te verstrekken. Als daarvan geen sprake is, zal de Tweede Kamer zich moeten neerleggen bij de algemene weigering of moeten persisteren. Vervolgens is het aan de bewindspersoon om al dan niet alsnog tot verstrekking over te gaan. Indien alsnog geen informatie verstrekt wordt, kan de vertrouwensregel ingeroepen worden door de Tweede Kamer (het indienen van een motie van wantrouwen).

Beslistermijnen en bewuste vertraging

De minister gaat zeer algemeen in op de gestelde vragen. Daarbij wijst zij erop dat in vele gevallen zeer snel antwoord wordt gegeven op vragen, zonder dat een Wob-verzoek in behandeling wordt genomen. Verder wijst zij op de wettelijke termijnen en het beleid dat gericht is op een zo spoedig mogelijk afhandeling. Daarbij spelen de omstandigheden van een verzoek (bestuurlijke aangelegenheid, omvang, reikwijdte) een rol.

Het zou interessant zijn om te bezien in hoeverre de beslistermijnen worden gehaald; de Shell-zaak zal daar wellicht enig inzicht in bieden.