Dit is de categorie voor blogs

Niet tijdig beslissen bij de Wob. Wie is veelpleger, welke standjes deelt de rechter uit en wat te denken van het hoger beroep van VWS

Na een uitspraak (zie update) in vervolg op een door Nieuwsuur zelf ingesteld beroep niet-tijdig beslissen door de Minister van VWS volgde een groot item in een uitzending waarbij veel werd gesproken over het niet tijdig beslissen door bestuursorganen (link voor de uitzending). Kort daarna volgde een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam met (veel) meer coulance en begrip (zie update). Dit alles dwong tot een eigen onderzoekje over de jaren 2018 tot en met 2021.

Nieuwsuur-item

Het Nieuwsuur-item was wat tendentieus: Nederland zou achter lopen, 71% van de Wob-verzoeken zou niet tijdig worden afgehandeld, er zouden maar 2 mensen per ministerie ‘Wob doen’ en het kabinet zou toch – ondanks een toezegging – de persoonlijke beleidsopvattingen niet hebben geschrapt uit de Wob. De Wob zou moeten werken als een bibliotheek waar je boeken op wil halen…

Er valt genoeg te nuanceren bij deze opmerkingen. Wob-documenten laten zich – anders dan aangekochte boeken in een bibliotheek – niet vooraf selecteren. De brief van 30 april – waarbij het kabinet toch een serieuze stap heeft gezet naar het lsolaten van de bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen door aan te kondigen anoniem verstrekken als uitgangspunt te hanteren (zie deze update) – is een serieuze stap (een kabinet kan natuurlijk niet even artikel 11 van de Wob schrappen) (die VWS, zie brief hierna, kennelijk nog niet gezet had). En ook het genoemde aantal aanwezige mensen per ministerie herken ik niet uit de praktijk.

21 juli: nieuwe aanpak VWS én hoger beroep

Dit alles leidde tot de nodige aandacht, mede gegeneerd door Nieuwsuur, ook in Den Haag. Het dwong VWS tot een nieuwe ‘Aanpak Corona Wob-verzoeken in licht van gerechtelijke uitspraken'(zie deze brief aan de Kamer). Het getuigt niet van veel behoefte tot naleving van de wet. Na de wat plichtmatige opmerkingen over de noodzaak van transparantie, wordt vooral gezegd dat de Rechtbank Midden-Nederland met zijn uitspraak heel veel andere verzoeken heeft gefrustreerd. “Vermoei me nu niet met individuele gevallen, maar laat me op mijn eigen tempo, naar eigen inzicht, openbaar maken wat ik wanneer openbaar wil maken” zou je kunnen lezen in de brief van de Minister. De individuele gevallen frustreren al die anderen, aldus de Minister en dat kan toch niet de bedoeling zijn!

Hoewel sympathiek, slaat het juridisch natuurlijk als een tang op een varken. Artikel 6 van de Wob is helder: een ieder heeft recht bij zijn verzoek op een besluit binnen vier weken, eventueel te verlengen met nog eens vier weken. Krijg je niets tijdig, dan volgt (indien gewenst) een ingebrekestelling en vervolgens een beroepsprocedure tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. In zoverre voor alle verzoekers een gelijk speelveld. Iedereen dezelfde wettelijke termijnen én bij overschrijding de zelfde rechten (niet-tijdig beroep) om dat aan de kaak te stellen. Alleen degenen die dat beroep instellen krijgen vervolgens een termijn van de rechter. Die heeft oog voor de omstandigheden en komt tot een redelijke termijn (daarover hierna meer). Het is al bijzonder dat die gegunde extra periode soms – na dus al lang wachten, een ingebrekestelling en een beroepsprocedure – even lang is als de oorspronkelijke wettelijke termijn van 8 weken, maar goed. De verzoeker heeft in elk geval een concrete stok achter de deur (want ook de dwangsom dreigt).

Met de brief van VWS wordt nu degene die de hiervoor genoemde weg niet bewandeld opgevoerd als reden om de gegunde termijn (2 maanden!!) niet redelijk te achten. Dat is onterecht, onjuist, onrechtmatig en bijna misleidend. Het is de keuze van die anderen geweest om de rechter niet in stelling te brengen. Dat mag niet ten koste gaan van degene die dat wel doet!

Begrijp me goed, natuurlijk ligt de vraag voor wat openbaarheid ons mag kosten. 50 Wob-ambtenaren extra, 10 miljoen op jaarbasis, een extern onderzoek. Het is allemaal niet “om niet” (en ook geen 9 miljoen ;-)) en dat is terecht, maar de vraag dringt zich op waar prioriteiten moeten komen te liggen. Ambtelijke inzet is toch niet onuitputtelijk zou men kunnen denken…

Gevaarlijke percentages en daarop volgende conclusies

Maar goed, terug naar de juridica en de data. Want al langer bestond de wens om vooral eens in te zoomen op cijfers. Dit mede getriggerd door de al genoemde Nieuwsuur-uitzending. Want opeens kwam daar 71% uit de hoge hoed. In zoveel Wob-gevallen zou te laat worden beslist. Dat getal komt kennelijk uit een onderzoek van de Volkskrant (zie bericht op villamedia). Zo strooien met zo’n getal is gevaarlijk. Een belangrijke nuance, het betrof alleen de bekende gegevens van ministeries, ontbrak bijvoorbeeld. Andere bestuursorganen – en dat zijn er nogal wat (gemeenten, provincies, waterschappen, zelfstandig bestuursorganen etc.) – zijn dus niet in dit onderzoek betrokken. Men kan niet zo maar uitgaan van een gelijke handelswijze op decentraal niveau.

Bovendien is ook al elders, zie dit SEO-onderzoek ‘Evaluatie afschaffing van de dwangsomregeling Wet openbaarheid van bestuur’ (zie hier voor het rapport), op goede gronden gesteld dat het onderzoek van de Volkskrant de nodige beperkingen kent (zie onder 3.2). Conclusie: de percentages Wob-verzoeken die ‘op tijd’ zijn afgehandeld worden in de cijfers van de Volkskrant onderschat.

Een beperking die SEO niet noemt, maar die wel relevant is en samenhangt met de laatste beperking (niet alle Wob-verzoeken worden gepubliceerd) is dat niet alle informatieverzoeken als Wob-verzoek worden herkend. Niet voor niets was een preciseringsuitspraak van de Raad van State (zie annotatie) nodig om duidelijk te maken voor de rechtspraktijk wanneer een verzoek om informatie nu een Wob-verzoek is. Dat lijkt een gegeven als de Wob wordt genoemd, maar daar zijn uitzonderingen op. Bovendien zegt die uitspraak niets over het wel als Wob-verzoek moeten aanmerken als de Wob niet wordt genoemd. Dat het nog stoeien is met deze uitspraak leerde meer recente uitspraken.

Kortom, er zijn meer bestuursorganen en er zijn (dus) meer verzoeken om informatie zodat er niet veel (beter: niets) te zeggen valt over de afhandeling van termijnen. De praktijk van een ieder die wil klagen – en ik heb de eigen ervaringen ook opgedaan – toont voorbeelden van te laat besluiten. Enig percentage durf ik er alleen niet aan te hangen. Het zou ook goed zijn met deze nuances wel te spreken over percentages om de discussie zuiver te houden.

Wat weten we wel?

Bij niet-tijdig beslissen door de overheid is de verzoeker die zit te wachten op een besluit gehouden tot actie, ik noemde het al eerder. Bezwaar niet tijdig kan worden ingediend, maar is af te raden (zie deze update). Beroep niet-tijdig kan worden ingesteld na een ingebrekestelling. Over dat beroep niet-tijdig is wel het nodige bekend. Niet alle uitspraken worden gepubliceerd, dus ook hier een slag om de arm, maar uit de wel bekende uitspraken (waarvan de aanleiding voor het Nieuwsuur-item er dus één was) valt het nodige op te maken over dat wat de verzoeker zich op de hals haalt.

Wat hebben we onderzocht? Alle uitspraken uit de jaren 2018 tot en met 2021 op www.rechtspraak.nl. Bezien is welke bestuursorganen betrokken zijn, hoelang de verzoeker uiteindelijk heeft moeten wachten na inmenging op een besluit en de redenen van de rechtbanken om extra tijd te gunnen. Wat viel ons op:

Veelplegers

We zien dat de afgelopen jaren (2020-2021) vooral op rijksniveau niet-tijdig wordt beslist waarbij ook de gang naar de rechter wordt gevolgd (50%, met LNV als koploper (11%)). De twee jaren ervoor lag het zwaartepunt bij gemeenten (40%) die te laat waren en daarvoor voor de rechter moesten verschijnen. In 33% betrof het bestuursorganen van het rijk, waarbij de Minister van LNV (13%) koploper was.

Welke rechtbank schiet een beetje op?

De VWS kwesties zijn bijzonder omdat een zitting werd ingelast. In de regel is dat niet nodig bij beroepen niet-tijdig beslissen. De termijnoverschrijding is helder. De omstandigheden van het geval kunnen schriftelijk worden meegedeeld. Op grond daarvan kan de extra tijd (zie hierna) worden bepaald.

Dit alles zou dus niet veel tijd hoeven kosten en zou bijna een standaard werkwijze veronderstellen. Toch maakt het uit bij welke rechtbank de procedure is opgestart. In de periode 2018-2019  werd er in 27% van de onderzochte zaken binnen twee maanden uitspraak gedaan. In 40% van de zaken was de termijn 6 maanden of langer. Met betrekking tot deze periode nam vooral Rechtbank Rotterdam haar tijd; in 70% van de gevallen deed de Rechtbank Rotterdam er 8 maanden of langer over om uitspraak te doen. In 2020-2021 werd er in 32% van de zaken binnen twee maanden uitspraak gedaan, tegenover 36% van de zaken waarbij de termijn opliep tot (langer dan) een half jaar. Hierbij is opvallend dat Rechtbank Zeeland-West redelijk snel uitspraak doet. In 75% van de onderzochte zaken doet Rechtbank Zeeland-West binnen drie maanden uitspraak. Rechtbank Midden-Nederland zit daarentegen boven het gemiddelde en doet er in 75% van de gevallen 8 maanden of langer over om tot een uitspraak te komen.

Extra tijd

Het maakt ook uit bij welke rechter je komt wat betreft de aan het bestuursorgaan gegunde extra tijd. De rechter moet immers – na een gegrond (want niet-tijdig) beroep – een nieuwe periode bepalen waarbinnen tot besluitvorming moet worden overgegaan. De door de rechtbanken gegunde tijd is soms twee weken (het uitgangspunt van de wet) en soms acht weken (met een uitschieter van 8 maanden dus recent). Vooral de omvang van het aantal documenten, of de noodzaak om nog zienswijzen te vragen worden aangegrepen om wat meer tijd dan twee weken te gunnen. Het onderzoek laat zien dat die extra tijd vooral de afgelopen 2 jaar wordt gegund. Daarvoor werd toch vooral aangehaakt bij de standaard twee weken.

Beslistermijn van 8 weken wordt uiteindelijk…

De uitkomst na dit alles, dus voor de verzoeker die ook nog de moeite heeft genomen een procedure op te tuigen, is enigszins treurig te noemen. Uiteindelijk krijgt het bestuursorgaan namelijk gemiddeld zo’n 15 maanden (in plaats van 8 weken dus) om uiteindelijk een besluit te nemen op een verzoek. Of dat wordt gehaald en de kwaliteit van die besluitvorming kon voor nu niet worden vastgesteld. Maar laten we ervan uitgaan dat de meeste bestuursorganen het (toch vriendelijke) standje van de rechter wel voldoende opvolgen. VWS zegt het te doen, maar – gegeven het hoger beroep – dus wel met de handrem erop! Wordt vervolgd…

Volgende ronde vragen van de Eerste Kamer over de Wet open overheid

Zoals vorige week al opgemerkt (zie update) zou nog een extra ronde aanvullende vragen – in de vorm van een nader voorlopig verslag – worden gesteld aan de initiatiefnemers van de Wet open overheid. De memorie van antwoord, waarin de eerste vragen werden beantwoord (zie deze update), was kennelijk onvoldoende. Dit nader voorlopig verslag verscheen op 8 juni. Nuttige vragen die open eindjes en onduidelijkheden verder moeten inkaderen zodat de rechter hier straks ook iets mee kan. Hieronder een eerste bespreking.

Wat te doen met het geanonimiseerd verstrekken van de persoonlijke beleidsopvattingen?

Een deel van de vragen ziet vooral op de nieuwe beleidslijn van het kabinet om beslisnota’s en beslisdocumenten openbaar te maken in geanonimiseerd vorm (zie de brief van 30 april jl. (zie update)). Of dit valt onder het begrip document. Nu kan genoeg commentaar worden geleverd op de definities van document en publieke informatie – zie deze blog bijvoorbeeld – maar duidelijk is wel dat de beslisnota’s e.d. gewoon op te vragen zijn via de Wob en de Woo.

Met de poging van de initiatiefnemers om het niet-juridische begrip ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ in artikel 5.2 te duiden lijkt de Kamer wel tevreden. Wel merkt men op – dat deed ik eerder al in de artikelsgewijze toelichting –  dat niet navolgbaar is waarom de waterschappen buiten beeld blijven. Het verzoek aan de regering wordt gedaan om alvast een wijziging van de Woo voor te bereiden na inwerkingtreding (kennelijk ziet de PvdA het dus grosso modo wel zitten met de Woo).

Uitleg van de actief openbaar te maken informatie

Verder is de kamer vooral bang voor de eigen transparantie. Zie bijvoorbeeld de vragen over de actieve openbaarmakingsplicht van artikel 3.3 en de informatie-uitwisseling tussen fractieleden, fracties etc.

Wel nuttig voor vele bestuursorganen zijn de verduidelijkingsvragen over een aantal categorieën van artikel 3.3. Want wat wordt precies bedoeld met ‘ter behandeling ingekomen stukken’ (ik merkte het al eerder op in 2016 in het Gemeentestem-artikel, deel II, onder paragraaf 5.4.2)? En wat geldt precies qua moment van actieve openbaarmaking als een document misschien in twee categorieën valt die zijn genoemd in artikel 3.3, lid 2?

Ook het verlies aan autonomie – door de plicht om PLOOI te gebruiken (door artikel 3.3b) – is een in trainingen veel gehoorde vraag. De PvdA stelt hem terecht. Wel opvallend, alleen vanuit de eigen positie redenerend, terwijl het natuurlijk alle organen die onder de Woo vallen raakt!

Ook de vragen over de nog wat onbestemde overgangsbepaling van artikel 10.2 e.v. (over de band van vragen over artikel 10.3) zijn nuttig. Want wanneer gaat nu welke verplichting gelden qua actieve openbaarmaking?

Eigen inbreng of opgelegd plan?

Ook relevant – ook voor anderen – is de vraag naar de rol en invloed van organen die onder de Woo zullen vallen over het meerjarenplan (wat moet leiden tot een goede informatiehuishouding).

We zien uit naar de antwoorden van de initiatiefnemers en de regering… Over vier weken zou dit moeten volgen.

Meer over dit – en al het andere van de Woo – is te horen a.s. 29 juni, bij de Praktijkgerichte training.

 

Initiatiefnemers Wet open overheid reageren op de Eerste Kamer

Eerst volgde de toch – voor de huidige praktijk al – baanbrekende brief vanuit BZK als reactie (ook) op de vragen van de Eerste Kamer fracties op 30 april jl. (zie deze update). Baanbrekend omdat het kabinet al vol vooruit loopt op de inwerkingtreding van de Wet open overheid. 7 mei was het de beurt aan de initiatiefnemers zelf om in een Memorie van Antwoord te reageren op alle vragen.

Wat leert deze MvA:

  1. er komt geld vanuit het rijk voor alle overheden zodat werk gemaakt kan worden van het op orde krijgen van de informatiehuishouding (om daarmee ook aan kritiek – zoals geuit in het kader van ‘Ongekend Onrecht’ – en de bottleneck voor het eerdere documentenregister weg te nemen).
  2. de roep van enkele fracties tot meer radicale wijzigingen stuit volgens de initiatiefnemers op de uitvoerbaarheid (zoals onder meer gesignaleerd door ABDTOP consult en in de Gemeentestem-artikelen I en II (binnenkort verschijnt deel III waarbij de Woo in de huidige staat wordt besproken)).
  3. ook overigens zien de initiatiefnemers voldoende basis in de Woo om aan te zetten tot een cultuuromslag (denk vooral aan de anoniem te verstrekken persoonlijke beleidsopvattingen (meer gebruik van artikel 5.2, tweede lid en de aanzet concreter in het derde lid van dit artikel).
  4. dit samenvattend stellen de initiatiefnemers vooral om nu maar door te gaan – de Woo als mooie start om verder te werken aan transparantie en cultuuromslag – in plaats van weer gaat praten (onder het huidige kader) over waar het nog anders of beter zou moeten.
  5. de spanning met Tromso wordt op onderdelen wel erkend, al wordt ook erkend dat dit verdrag politiek nooit is omarmd. De initiatiefnemers achten de Woo in elk geval meer in overeenstemming met het verdrag van de Wob.
  6. in reactie op de PvdA vragen – geïnspireerd op de artikelsgewijze commentaar op de Woo zo lijkt het – over intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen maken de initiatiefnemers een en ander duidelijk:
    1. het niet opnemen van een definitie van “intern beraad” wil niets zeggen. Hetzelfde wordt bedoeld als onder de Wob. Waarom dan toch niet definiëren zoals je dat ook doet in de Wob?
    2. het woord ambtelijk in de omschrijving van de persoonlijke beleidsopvatting betekent dus ook niet dat externen (zonder eigen belang) ook bij het intern beraad kunnen zijn betrokken. Waarom dan komen met een nieuwe definitie van “persoonlijke beleidsopvattingen” als je kennelijk toch hetzelfde hebt willen regelen als onder de Wob?
    3. overigens wordt wel iets veranderd, wat louter objectieve gegevens vallen er onder de Woo toch echt niet meer onder.
    4. het niet juridische begrip “formele bestuurlijke besluitvorming’ leggen de initiatiefnemers (met de tekst bij het amendement) uit dat het gaat om alle besluiten, ook over beleidsvoorbereiding e.d., dus niet alleen 1:3-Awb besluiten. Ook ‘besluitvorming dus van ambtsdragers die niet persé bestuursorgaan zijn (en dus strikt genomen niet tot besluitvorming op Woo-verzoeken zullen overgaan!).
  7. het niet naleven van de verplichtingen tot actieve openbaarmaking (3.3 Woo) kan volgens de initiatiefnemers enkel getoetst worden door de rechter n.a.v. een afgewezen verzoek om informatie (op grond van 4.1 Woo) dan wel politiek-bestuurlijk aan de kaak worden gesteld.
  8. artikel 5.4 Woo – strikt genomen alleen een absolute weigeringsgrond voor formatie-informatie – is breder, want ziet ook op informatie in de periode van verkenning (denk aan de gespreksverslagen met de verkenners die openbaar gemaakt werden na ‘Omtzigt, functie elders’).

Volgende belangrijke datum is 1 juni. Dan reageert de Eerste Kamer weer schriftelijk in de vorm van een nader voorlopig verslag.

BZK over de Wet open overheid (en 68 Grondwet én nu al de Wob)

De initiatiefnemers moeten nog reageren op de door de fracties van de Eerste Kamer gestelde vragen. Dat ontslaat de regering en de minister van BZK niet van haar taak om ook input te leveren. Zij is hierbij immers adviseur. Die input volgde 30 april, de dag na het debat over de ministerraadnotulen met direct ook maar een reflectie op artikel 68 van de Grondwet (link naar de brief). Belangrijker is nog dat het kabinet kennelijk heeft besloten ook onder de Wob nu al ruimhartiger om te gaan met het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen.

Belangrijk wetsvoorstel volgens het kabinet

Na alle hectiek rond Ongekend Onrecht, ‘functie elders’ en de ministerraadnotulen wordt de Wet open overheid door het kabinet – zo leert de brief – als een belangrijk wetsvoorstel gezien. Juist gelet op de gebleken noodzaak tot verandering in de bestuurscultuur, verbetering van de informatiehuishouding, meer transparantie en daarmee meer vertrouwen. Die steun voor de Woo van kabinetszijde was bij aanvang in 2012, en ook na aanvaarding in 2016 (de Woo zonder novelle), nog ver te zoeken.

Persoonlijke beleidsopvattingen

Sinds Ongekend Onrecht staan de persoonlijke beleidsopvattingen onverminderd in de spotlights. Bij een bespreking van artikel 5.2 in het Woo-boek wordt al opgemerkt dat door het woord ambtelijk mogelijk een beperking van betrokkenen bij het intern beraad (onbedoeld) wordt voorgesteld. De PvdA-fractie stelt daarover ook vragen (zie deze update op LinkedIn). Die worden door de minister niet beantwoord. Wel erkent de minister dat relevante wijzigingen zijn aangebracht inzake het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen (p. 5). Of zij de lezing deelt dat straks externen – ingehuurd door de overheid – niet meer bij het intern beraad zijn betrokken, wordt hiermee niet duidelijk. Wellicht dat ze enkel doelt op de verplichte anonieme openbaarmaking door bestuursorganen (en ambtsdragers) op het niveau van het rijk, de provincie en de gemeente.

Erg bijzonder wordt de brief daar waar de minister in elk geval stelt (p. 4) dat het kabinet toch wel – daar waar Rutte het mondeling wel zei, maar de kabinetsbrief na Ongekend Onrecht toch anders suggereerde – nu al anders om zal gaan ook bij Wob-verzoeken! De scherpere definitie van persoonlijke beleidsopvattingen wordt gehanteerd. Opvattingen in documenten ouder dan 5 jaar worden nog eerder openbaar gemaakt. En bij gevoelige dossiers zal eerder tot anonieme verstrekking over gegaan! De hint van de Raad van State op 24 februari is daarmee dus opgepakt.

Het eveneens in het Woo-boek gesignaleerde ‘vuiltje’ dat de wethouder wordt genoemd in artikel 5.2, derde lid, terwijl die natuurlijk geen bestuursorgaan is (en dus geen Woo-besluiten zal nemen) accepteert de minister wat impliciet.

Formatie-informatie (en ook verkennersinformatie)

Bij de ontwikkelingen rond ‘functie elders’ werd uiteindelijk besloten de gespreksverslagen van de gesprekken tussen fractievoorzitters en de verkenners openbaar te maken. Ik merkte toen al op dat hiermee een breuk met de harde geheimhouding werd geforceerd, regelrecht ingaand tegen artikel 5.4 van de Woo (zie deze tweet). Enige kritiek kwam daarop los door te stellen dat het natuurlijk ging om informatie in de verkenningsfase en dus niet de formatie. De minister past de door mij gesignaleerde analogie een op een toe en merkt de informatie bij de (in)formateur of verkenner aan als informatie waar artikel 5.4 op ziet.

68 Grondwet

Over de informatievoorziening aan de Kamers merkt de minister terecht op dat dit iets anders is dan de Woo (of Wob) (zie ook eerder al in dat kader deze column op Binnenlands bestuur). Wel merkt de minister op dat per 1 juli – zoals ook al aangekondigd in de kabinetsreactie op Ongekend Onrecht – dat de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen geen reden meer zal zijn voor het niet verstrekken van informatie aan de Kamers (geen rol meer bij het inroepen van ‘het belang van de Staat’ als in artikel 68 Grondwet). Zie daarover deze column op Binnenlands bestuur.

Terecht stelt de minister dat de weigeringsgrond van 68 Grondwet beperkter is dan de uitzonderingen van de Woo. Erkend wordt dat Kamerleden meer informatie tegemoet zouden moeten kunnen zien, desnoods vertrouwelijk. De afgelopen week besproken mogelijkheid – dat het niet verstrekken aan de Kamer wegens ‘het belang van de Staat’ de Wob-weg onverlet laat (zie deze update) – wordt niet besproken.

Wel wordt gesteld dat de mogelijkheid van vertrouwelijk verstrekken aan Kamerleden en – indien de Kamer zich daarin niet kan vinden – de mogelijkheid om een bewindspersoon daarop aan te spreken, onder de Woo niet bestaat. In bepaalde gevallen is dat natuurlijk wel aan de orde. Bij de bijzondere verstrekkingen van artikel 5.5, artikel 5.6 en artikel 5.7. Degene die inzage krijgt kan natuurlijk bezwaar maken tegen het besluit en de gestelde voorwaarden.

Hoe ook, de brief vormt een mooie laatste indruk van kabinetszijde. Een visie dit een aanzet kan vormen voor de Tweede Kamer-commissie die zich, na een aangenomen motie van Volt, zal gaan buigen over de opvatting van de Kamer over 68 Grondwet (zie hierover deze LinkedIn-update).

 

Boekoverhandiging aan de initiatiefnemers van de Wet open overheid, Bart Snels en Steven van Weyenberg

De laatste tijd ging het veel over openbaarheid van overheidsinformatie, denk maar aan de Kinderopvangtoeslagenaffaire. De Wet openbaarheid van bestuur vormt daarbij een belangrijk kader. Die wet zou niet goed meer werken. Volgens journalisten, wetenschappers, én enkele Kamerleden.

Die Kamerleden kwamen uiteindelijk met de Wet open overheid. Die werd aangenomen in 2016. Een wijzigingswet bleek daarna nog nodig. Die wet – van de Kamerleden Bart Snels en Steven van Weyenberg – is op 26 januari 2021 aanvaard door de Tweede Kamer. Aan deze Kamerleden mocht Cornelis van der Sluis het boek ‘Wet open overheid’ overhandigen. Hieronder en videoverslag van dit moment.

Het boek ook ontvangen én een training volgen over de Woo? Dat kan op 4 mei en weer in juni.

Bart Snels ziet het belang van de Woo en het boek voor de leden van de Eerste Kamer, “En verder natuurlijk voor heel veel mensen in de praktijk, journalisten, wetenschappers. Iedereen die informatie zoekt en wil van de overheid kan het een manier zijn om te kijken hoe je de informatie sneller krijgt.”

“Zonder transparantie geen controle en zonder controle geen democratie”, zo laat Steven van Weyenberg optekenen om het belang van de Woo te onderstrepen. “de Wet openbaarheid bestuur die was ooit heel modern, maar is dat eigenlijk al niet meer.
En met deze wet kiezen we voor meer actieve openbaarmaking en zorgen we dat je ook makkelijker kunt vinden wat de overheid heeft gedaan, waarom ze besluiten heeft genomen.”

Met Pro Facto: ‘DoeMee-onderzoek’ van NVRR uit over de Wob

Samen met Pro Facto zal Cornelis van der Sluis de komende tijd een onderzoek uitvoeren. Het betreft een onderzoek in het kader van het jaarlijkse NVRR-DoeMee-onderzoek. De NVRR is de Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR). Het thema van DoeMee2021 is De praktijk van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij decentrale overheden. Naar verwachting doen er deze keer meer dan 70 rekenkamer(commissie)s mee; samen goed voor bijna 90 decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen).

Zie verder dit bericht op de site van Pro Facto.

Wet open overheid; webinar actieve openbaarmaking

Recent verzorgde Overheid en Openbaarheid samen met Content Strategy een webinar over actieve openbaarheid. Dit webinar is hier terug te zien.

Wet open overheid, een indruk van de opvattingen van de Eerste Kamer

Na aanvaarding van het wijzigingswetsvoorstel op 26 januari jl. was het wachten op de vragen van de fracties van de Eerste Kamer in de vorm van een voorlopig verslag. Dat is vastgesteld op 13 april 2021 en zojuist online verschenen. Niet alle partijen maken gebruik van de mogelijkheid schriftelijke vragen te stellen. Wel is – zo lijkt het – gebruik gemaakt van het toegezonden boek.

Zo valt op dat de PvdA fractie terechte verduidelijking vraagt bij artikel 5.2. Want waarom is het begrip ‘intern beraad’ nu niet gedefinieerd (terwijl dit wel gebeurt in artikel 1 van de Wob). En dreigt het gevaar door het woord ‘ambtelijk’ bij de omschrijving van de ‘persoonlijke beleidsopvatting’ niet dat daarmee externen die bij het intern beraad betrokken zijn geen bescherming meer genieten van hun persoonlijke beleidsopvattingen (zie bijv. deze annotatie). Bovendien is het bij amendement ingevoegde derde lid van 5.2 onduidelijk. Gesuggereerd wordt dat een wethouder een bestuursorgaan is (wat het niet is natuurlijk). Bovendien is niet direct duidelijk wat nu onder formele besluitvorming moet worden verstaan.

De initiatiefnemers zullen met hun antwoorden de ‘bedoeling van de wetgever’ nog verder duidelijk moeten maken. Voornoemde punten lijken vooral ‘verschrijvingen’ zonder de ook door mij geconstateerde mogelijke gevolgen c.q. wijzigingen ten opzichte van de Wob. Gelukkig geven de vragen nu de gelegenheid om die mogelijke discussiepunten in de toekomst alvast de kop in de drukken.

 

Geen register, toch een register met de Wet open overheid

De Wob en de Woo blijven onverminderd de aandacht opeisen. Zondag op Lubach was druk met een grappige variant op het eerdere (ook al wat ongenuanceerde) item van Tros Radar. Alles moet veel meer openbaar want ik moet toch kunnen weten waarom iets is besloten, door wie, waarom en voor hoeveel? aldus Lubach. Aan het slot wordt terecht aandacht besteed aan de Wet open overheid.

Terecht wordt gewezen op het mooie van een documentenregister. Zien wat er allemaal is en kunnen opvragen wat al openbaar is of door erop te klikken het verzoek tot openbaarmaking doen, klinkt natuurlijk fantastisch. Toch valt er ook hierbij het nodige te nuanceren (zie bijv. deze column eerder). Die nuance leidde er dan ook toe dat het register in de oorspronkelijke variant dat bij de behandeling van de Woo is geschrapt. Alle betrokkenen kwamen tot het inzicht dat zo’n register (voor nu) niet opportuun is. De informatiehuishouding is niet op orde zodat een goed werkend register een utopie is (en nogal kostbaar). Artikel 3.2 van de Woo is dus geschrapt.

Wel is met de behandeling in januari een register (light) opgenomen in de Woo (artikel 3.3b). Gebruik wordt gemaakt van een platform dat al in ontwikkeling was: PLOOI. Wat dat is wordt kort aan de hand van enkele vragen erover door de projectleider beantwoordt in een special van iBestuur. Enige toelichting is nodig zo blijkt wel uit de verschillende trainingen over de Woo. Een kleine nuance op de antwoorden. De verplichting voor gebruik van PLOOI zal – zoals de Woo nu zou komen te luiden – gelden voor alle informatie die actief openbaar gemaakt moet worden (op grond van artikel 3.3). Op basis van vrijwilligheid kán PLOOI gebruikt worden voor alle andere informatie die actief openbaar wordt gemaakt.

Wat personen zelf al kunnen doen is zich inlezen in de Woo, aldus de projectleider. Een goede tip waarvoor wellicht de toelichting elders op deze site van dienst kan zijn. Meer uitgebreid is de verdieping te vinden in het boek ‘Wet open overheid’.

 

De avondklok als test voor de nieuwe Ruttedoctrine

De Tweede Kamer komt terug van reces om te debatteren over het gedoe rond de avondklok. De Kamerleden zullen zich vooraf willen laten informeren hoe een en ander toch heeft kunnen gebeuren. Daarmee vormt het debat en de voorbereiding daarop een interessante eerste kwestie van gewicht om te bezien of en op welk wijze de nieuwe Ruttedoctrine zal uitpakken.

Ruttedoctrine of vaste praktijk van bestuurders?

Kort nog even over die nieuwe Ruttedoctrine na “Ongekend Onrecht”. Voor de val van het kabinet zou een zogeheten (populair gestelde) Ruttedoctrine gelden waarbij men ervan uit ging dat de opvattingen van ambtenaren en adviseurs geen onderwerp mogen worden van het publieke debat. Persoonlijke beleidsopvattingen zouden nooit openbaar mogen worden gemaakt. De oorsprong van die doctrine ligt overigens helemaal niet bij Rutte. De Wet openbaarheid van bestuur kent die weigeringsgrond al sinds 1980 (zie artikel 11). En ook veel bestuurders gingen Rutte al voor in die lijn van bescherming van ambtenaren en andere adviseurs. Illustratief is bijvoorbeeld de vergelijking van toenmalig minister Donner van wetten met worstjes (zie dit artikel in de NRC) Het was beter dat men niet wist hoe die worden gemaakt, zo liet hij zich ontvallen in een speech op de Dag van de Persvrijheid in 2011.

Nieuwe Ruttelijn

Maar goed, met de nieuwe Ruttelijn worden persoonlijke beleidsopvattingen gedeeld bij nota’s, kamerbrieven en wetsvoorstellen die de regering aan de Kamerleden zendt. De precieze invulling daarvan is nog altijd ongewis. En hoewel voor velen tegenviel dat dit niet zou gelden bij de afhandeling van verzoeken op grond van de Wob (terwijl Rutte dit in zijn mondelinge toelichting bij de val van Rutte III wel suggereerde) was bijzonder dat eind januari in een besluit op een verzoek om informatie op grond van de Wob die bescherming toch expliciet niet meer werd gehanteerd. Het ging om een verzoek om informatie over de kinderopvangtoeslagenaffaire. Maar of je die lijn alleen voor dat onderwerp kunt inzetten en niet voor andere onderwerpen, zoals de avondklok, is nog maar de vraag.

Informatievoorziening in dit geval

Maar goed, los daarvan zal het debat over de avondklok dus een goede testcase zijn over wat de Kamer nu tegemoet kan zien. Want veel vragen zullen met name zien op de (juridische) voorbereiding van de maatregel en de route die gekozen is. Dat zal vast voorafgegaan zijn met de nodige adviezen van ambtenaren en externe adviseurs. Het inroepen van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen ligt gelet op de goede voornemens van het gevallen kabinet in zoverre niet in de rede. Toch zou het mij niet verbazen als het kabinet het belang van de Staat toch meent te moeten inroepen vanwege het hoger beroep dat vrijdag dient.

Adviezen landsadvocaat

In die procedure zal de landsadvocaat wederom de Staat vertegenwoordigen. Interessant in de voorbereiding op het Kamerdebat zal zijn of ook de waarschijnlijk onder het kabinet berustende adviezen van diezelfde landsadvocaat over de juridische basis van het invoeren van de avondklok worden gedeeld. Over dergelijke adviezen stelt de nieuwe Ruttelijn dat ook die worden toegezonden aan de Kamer. Bijzonderheid hierbij is dat dit alleen zou gelden voor adviezen die na die kabinetsreactie van 15 januari jl. zijn ontstaan en dat adviezen over lopende procedures ook buiten beeld blijven. Bovendien wil het demissionaire kabinet pas beginnen met het delen van die adviezen van de landsadvocaat per 1 juli.

Toch zou ik menen dat het kabinet er goed aan doet de nodige transparantie aan de dag te leggen. Het vertrouwen van de Kamer in dit kabinet wat informatievoorziening betreft kan wel een oppepper gebruiken. Bovendien kan die transparantie bijdragen aan het (herstel van) draagvlak voor alle coronamaatregelen. En hoewel er best wat valt te zeggen voor het inroepen van ‘het belang van de Staat’ gelet op de lopende procedure, zou het m.i. juist in het belang van de Staat zijn als duidelijk wordt dat de mogelijke zwakke juridische basis in beeld is geweest maar andere belangen zwaarder gewicht zijn toegekend. Het treffen van een maatregel als de avondklok moet toch goed zijn uit te leggen, ook als er adviezen liggen die de mogelijke zwakke juridische grondslagen hebben benoemd?!

Kortom, de tijd zal het leren in hoeverre die nieuwe Ruttelijn nu echt tot transparantie leidt, ook als het net wat minder goed uitkomt. Want als er iets duidelijk is als het gaat om openbaarheid van informatie die bij de overheid berust, dan is het wel dat het in algemene zin door een ieder wordt omarmd en wordt gestimuleerd. Totdat het nu net in dat ene concrete geval, als het net niet helemaal uitkomt, je in de weg zit. Eens zien hoe dat nu uitpakt.