Dit is de categorie voor blogs

BZK over de Wet open overheid (en 68 Grondwet én nu al de Wob)

De initiatiefnemers moeten nog reageren op de door de fracties van de Eerste Kamer gestelde vragen. Dat ontslaat de regering en de minister van BZK niet van haar taak om ook input te leveren. Zij is hierbij immers adviseur. Die input volgde 30 april, de dag na het debat over de ministerraadnotulen met direct ook maar een reflectie op artikel 68 van de Grondwet (link naar de brief). Belangrijker is nog dat het kabinet kennelijk heeft besloten ook onder de Wob nu al ruimhartiger om te gaan met het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen.

Belangrijk wetsvoorstel volgens het kabinet

Na alle hectiek rond Ongekend Onrecht, ‘functie elders’ en de ministerraadnotulen wordt de Wet open overheid door het kabinet – zo leert de brief – als een belangrijk wetsvoorstel gezien. Juist gelet op de gebleken noodzaak tot verandering in de bestuurscultuur, verbetering van de informatiehuishouding, meer transparantie en daarmee meer vertrouwen. Die steun voor de Woo van kabinetszijde was bij aanvang in 2012, en ook na aanvaarding in 2016 (de Woo zonder novelle), nog ver te zoeken.

Persoonlijke beleidsopvattingen

Sinds Ongekend Onrecht staan de persoonlijke beleidsopvattingen onverminderd in de spotlights. Bij een bespreking van artikel 5.2 in het Woo-boek wordt al opgemerkt dat door het woord ambtelijk mogelijk een beperking van betrokkenen bij het intern beraad (onbedoeld) wordt voorgesteld. De PvdA-fractie stelt daarover ook vragen (zie deze update op LinkedIn). Die worden door de minister niet beantwoord. Wel erkent de minister dat relevante wijzigingen zijn aangebracht inzake het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen (p. 5). Of zij de lezing deelt dat straks externen – ingehuurd door de overheid – niet meer bij het intern beraad zijn betrokken, wordt hiermee niet duidelijk. Wellicht dat ze enkel doelt op de verplichte anonieme openbaarmaking door bestuursorganen (en ambtsdragers) op het niveau van het rijk, de provincie en de gemeente.

Erg bijzonder wordt de brief daar waar de minister in elk geval stelt (p. 4) dat het kabinet toch wel – daar waar Rutte het mondeling wel zei, maar de kabinetsbrief na Ongekend Onrecht toch anders suggereerde – nu al anders om zal gaan ook bij Wob-verzoeken! De scherpere definitie van persoonlijke beleidsopvattingen wordt gehanteerd. Opvattingen in documenten ouder dan 5 jaar worden nog eerder openbaar gemaakt. En bij gevoelige dossiers zal eerder tot anonieme verstrekking over gegaan! De hint van de Raad van State op 24 februari is daarmee dus opgepakt.

Het eveneens in het Woo-boek gesignaleerde ‘vuiltje’ dat de wethouder wordt genoemd in artikel 5.2, derde lid, terwijl die natuurlijk geen bestuursorgaan is (en dus geen Woo-besluiten zal nemen) accepteert de minister wat impliciet.

Formatie-informatie (en ook verkennersinformatie)

Bij de ontwikkelingen rond ‘functie elders’ werd uiteindelijk besloten de gespreksverslagen van de gesprekken tussen fractievoorzitters en de verkenners openbaar te maken. Ik merkte toen al op dat hiermee een breuk met de harde geheimhouding werd geforceerd, regelrecht ingaand tegen artikel 5.4 van de Woo (zie deze tweet). Enige kritiek kwam daarop los door te stellen dat het natuurlijk ging om informatie in de verkenningsfase en dus niet de formatie. De minister past de door mij gesignaleerde analogie een op een toe en merkt de informatie bij de (in)formateur of verkenner aan als informatie waar artikel 5.4 op ziet.

68 Grondwet

Over de informatievoorziening aan de Kamers merkt de minister terecht op dat dit iets anders is dan de Woo (of Wob) (zie ook eerder al in dat kader deze column op Binnenlands bestuur). Wel merkt de minister op dat per 1 juli – zoals ook al aangekondigd in de kabinetsreactie op Ongekend Onrecht – dat de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen geen reden meer zal zijn voor het niet verstrekken van informatie aan de Kamers (geen rol meer bij het inroepen van ‘het belang van de Staat’ als in artikel 68 Grondwet). Zie daarover deze column op Binnenlands bestuur.

Terecht stelt de minister dat de weigeringsgrond van 68 Grondwet beperkter is dan de uitzonderingen van de Woo. Erkend wordt dat Kamerleden meer informatie tegemoet zouden moeten kunnen zien, desnoods vertrouwelijk. De afgelopen week besproken mogelijkheid – dat het niet verstrekken aan de Kamer wegens ‘het belang van de Staat’ de Wob-weg onverlet laat (zie deze update) – wordt niet besproken.

Wel wordt gesteld dat de mogelijkheid van vertrouwelijk verstrekken aan Kamerleden en – indien de Kamer zich daarin niet kan vinden – de mogelijkheid om een bewindspersoon daarop aan te spreken, onder de Woo niet bestaat. In bepaalde gevallen is dat natuurlijk wel aan de orde. Bij de bijzondere verstrekkingen van artikel 5.5, artikel 5.6 en artikel 5.7. Degene die inzage krijgt kan natuurlijk bezwaar maken tegen het besluit en de gestelde voorwaarden.

Hoe ook, de brief vormt een mooie laatste indruk van kabinetszijde. Een visie dit een aanzet kan vormen voor de Tweede Kamer-commissie die zich, na een aangenomen motie van Volt, zal gaan buigen over de opvatting van de Kamer over 68 Grondwet (zie hierover deze LinkedIn-update).

 

Boekoverhandiging aan de initiatiefnemers van de Wet open overheid, Bart Snels en Steven van Weyenberg

De laatste tijd ging het veel over openbaarheid van overheidsinformatie, denk maar aan de Kinderopvangtoeslagenaffaire. De Wet openbaarheid van bestuur vormt daarbij een belangrijk kader. Die wet zou niet goed meer werken. Volgens journalisten, wetenschappers, én enkele Kamerleden.

Die Kamerleden kwamen uiteindelijk met de Wet open overheid. Die werd aangenomen in 2016. Een wijzigingswet bleek daarna nog nodig. Die wet – van de Kamerleden Bart Snels en Steven van Weyenberg – is op 26 januari 2021 aanvaard door de Tweede Kamer. Aan deze Kamerleden mocht Cornelis van der Sluis het boek ‘Wet open overheid’ overhandigen. Hieronder en videoverslag van dit moment.

Het boek ook ontvangen én een training volgen over de Woo? Dat kan op 4 mei en weer in juni.

Bart Snels ziet het belang van de Woo en het boek voor de leden van de Eerste Kamer, “En verder natuurlijk voor heel veel mensen in de praktijk, journalisten, wetenschappers. Iedereen die informatie zoekt en wil van de overheid kan het een manier zijn om te kijken hoe je de informatie sneller krijgt.”

“Zonder transparantie geen controle en zonder controle geen democratie”, zo laat Steven van Weyenberg optekenen om het belang van de Woo te onderstrepen. “de Wet openbaarheid bestuur die was ooit heel modern, maar is dat eigenlijk al niet meer.
En met deze wet kiezen we voor meer actieve openbaarmaking en zorgen we dat je ook makkelijker kunt vinden wat de overheid heeft gedaan, waarom ze besluiten heeft genomen.”

Met Pro Facto: ‘DoeMee-onderzoek’ van NVRR uit over de Wob

Samen met Pro Facto zal Cornelis van der Sluis de komende tijd een onderzoek uitvoeren. Het betreft een onderzoek in het kader van het jaarlijkse NVRR-DoeMee-onderzoek. De NVRR is de Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR). Het thema van DoeMee2021 is De praktijk van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij decentrale overheden. Naar verwachting doen er deze keer meer dan 70 rekenkamer(commissie)s mee; samen goed voor bijna 90 decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen).

Zie verder dit bericht op de site van Pro Facto.

Wet open overheid; webinar actieve openbaarmaking

Recent verzorgde Overheid en Openbaarheid samen met Content Strategy een webinar over actieve openbaarheid. Dit webinar is hier terug te zien.

Wet open overheid, een indruk van de opvattingen van de Eerste Kamer

Na aanvaarding van het wijzigingswetsvoorstel op 26 januari jl. was het wachten op de vragen van de fracties van de Eerste Kamer in de vorm van een voorlopig verslag. Dat is vastgesteld op 13 april 2021 en zojuist online verschenen. Niet alle partijen maken gebruik van de mogelijkheid schriftelijke vragen te stellen. Wel is – zo lijkt het – gebruik gemaakt van het toegezonden boek.

Zo valt op dat de PvdA fractie terechte verduidelijking vraagt bij artikel 5.2. Want waarom is het begrip ‘intern beraad’ nu niet gedefinieerd (terwijl dit wel gebeurt in artikel 1 van de Wob). En dreigt het gevaar door het woord ‘ambtelijk’ bij de omschrijving van de ‘persoonlijke beleidsopvatting’ niet dat daarmee externen die bij het intern beraad betrokken zijn geen bescherming meer genieten van hun persoonlijke beleidsopvattingen (zie bijv. deze annotatie). Bovendien is het bij amendement ingevoegde derde lid van 5.2 onduidelijk. Gesuggereerd wordt dat een wethouder een bestuursorgaan is (wat het niet is natuurlijk). Bovendien is niet direct duidelijk wat nu onder formele besluitvorming moet worden verstaan.

De initiatiefnemers zullen met hun antwoorden de ‘bedoeling van de wetgever’ nog verder duidelijk moeten maken. Voornoemde punten lijken vooral ‘verschrijvingen’ zonder de ook door mij geconstateerde mogelijke gevolgen c.q. wijzigingen ten opzichte van de Wob. Gelukkig geven de vragen nu de gelegenheid om die mogelijke discussiepunten in de toekomst alvast de kop in de drukken.

 

Geen register, toch een register met de Wet open overheid

De Wob en de Woo blijven onverminderd de aandacht opeisen. Zondag op Lubach was druk met een grappige variant op het eerdere (ook al wat ongenuanceerde) item van Tros Radar. Alles moet veel meer openbaar want ik moet toch kunnen weten waarom iets is besloten, door wie, waarom en voor hoeveel? aldus Lubach. Aan het slot wordt terecht aandacht besteed aan de Wet open overheid.

Terecht wordt gewezen op het mooie van een documentenregister. Zien wat er allemaal is en kunnen opvragen wat al openbaar is of door erop te klikken het verzoek tot openbaarmaking doen, klinkt natuurlijk fantastisch. Toch valt er ook hierbij het nodige te nuanceren (zie bijv. deze column eerder). Die nuance leidde er dan ook toe dat het register in de oorspronkelijke variant dat bij de behandeling van de Woo is geschrapt. Alle betrokkenen kwamen tot het inzicht dat zo’n register (voor nu) niet opportuun is. De informatiehuishouding is niet op orde zodat een goed werkend register een utopie is (en nogal kostbaar). Artikel 3.2 van de Woo is dus geschrapt.

Wel is met de behandeling in januari een register (light) opgenomen in de Woo (artikel 3.3b). Gebruik wordt gemaakt van een platform dat al in ontwikkeling was: PLOOI. Wat dat is wordt kort aan de hand van enkele vragen erover door de projectleider beantwoordt in een special van iBestuur. Enige toelichting is nodig zo blijkt wel uit de verschillende trainingen over de Woo. Een kleine nuance op de antwoorden. De verplichting voor gebruik van PLOOI zal – zoals de Woo nu zou komen te luiden – gelden voor alle informatie die actief openbaar gemaakt moet worden (op grond van artikel 3.3). Op basis van vrijwilligheid kán PLOOI gebruikt worden voor alle andere informatie die actief openbaar wordt gemaakt.

Wat personen zelf al kunnen doen is zich inlezen in de Woo, aldus de projectleider. Een goede tip waarvoor wellicht de toelichting elders op deze site van dienst kan zijn. Meer uitgebreid is de verdieping te vinden in het boek ‘Wet open overheid’.

 

De avondklok als test voor de nieuwe Ruttedoctrine

De Tweede Kamer komt terug van reces om te debatteren over het gedoe rond de avondklok. De Kamerleden zullen zich vooraf willen laten informeren hoe een en ander toch heeft kunnen gebeuren. Daarmee vormt het debat en de voorbereiding daarop een interessante eerste kwestie van gewicht om te bezien of en op welk wijze de nieuwe Ruttedoctrine zal uitpakken.

Ruttedoctrine of vaste praktijk van bestuurders?

Kort nog even over die nieuwe Ruttedoctrine na “Ongekend Onrecht”. Voor de val van het kabinet zou een zogeheten (populair gestelde) Ruttedoctrine gelden waarbij men ervan uit ging dat de opvattingen van ambtenaren en adviseurs geen onderwerp mogen worden van het publieke debat. Persoonlijke beleidsopvattingen zouden nooit openbaar mogen worden gemaakt. De oorsprong van die doctrine ligt overigens helemaal niet bij Rutte. De Wet openbaarheid van bestuur kent die weigeringsgrond al sinds 1980 (zie artikel 11). En ook veel bestuurders gingen Rutte al voor in die lijn van bescherming van ambtenaren en andere adviseurs. Illustratief is bijvoorbeeld de vergelijking van toenmalig minister Donner van wetten met worstjes (zie dit artikel in de NRC) Het was beter dat men niet wist hoe die worden gemaakt, zo liet hij zich ontvallen in een speech op de Dag van de Persvrijheid in 2011.

Nieuwe Ruttelijn

Maar goed, met de nieuwe Ruttelijn worden persoonlijke beleidsopvattingen gedeeld bij nota’s, kamerbrieven en wetsvoorstellen die de regering aan de Kamerleden zendt. De precieze invulling daarvan is nog altijd ongewis. En hoewel voor velen tegenviel dat dit niet zou gelden bij de afhandeling van verzoeken op grond van de Wob (terwijl Rutte dit in zijn mondelinge toelichting bij de val van Rutte III wel suggereerde) was bijzonder dat eind januari in een besluit op een verzoek om informatie op grond van de Wob die bescherming toch expliciet niet meer werd gehanteerd. Het ging om een verzoek om informatie over de kinderopvangtoeslagenaffaire. Maar of je die lijn alleen voor dat onderwerp kunt inzetten en niet voor andere onderwerpen, zoals de avondklok, is nog maar de vraag.

Informatievoorziening in dit geval

Maar goed, los daarvan zal het debat over de avondklok dus een goede testcase zijn over wat de Kamer nu tegemoet kan zien. Want veel vragen zullen met name zien op de (juridische) voorbereiding van de maatregel en de route die gekozen is. Dat zal vast voorafgegaan zijn met de nodige adviezen van ambtenaren en externe adviseurs. Het inroepen van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen ligt gelet op de goede voornemens van het gevallen kabinet in zoverre niet in de rede. Toch zou het mij niet verbazen als het kabinet het belang van de Staat toch meent te moeten inroepen vanwege het hoger beroep dat vrijdag dient.

Adviezen landsadvocaat

In die procedure zal de landsadvocaat wederom de Staat vertegenwoordigen. Interessant in de voorbereiding op het Kamerdebat zal zijn of ook de waarschijnlijk onder het kabinet berustende adviezen van diezelfde landsadvocaat over de juridische basis van het invoeren van de avondklok worden gedeeld. Over dergelijke adviezen stelt de nieuwe Ruttelijn dat ook die worden toegezonden aan de Kamer. Bijzonderheid hierbij is dat dit alleen zou gelden voor adviezen die na die kabinetsreactie van 15 januari jl. zijn ontstaan en dat adviezen over lopende procedures ook buiten beeld blijven. Bovendien wil het demissionaire kabinet pas beginnen met het delen van die adviezen van de landsadvocaat per 1 juli.

Toch zou ik menen dat het kabinet er goed aan doet de nodige transparantie aan de dag te leggen. Het vertrouwen van de Kamer in dit kabinet wat informatievoorziening betreft kan wel een oppepper gebruiken. Bovendien kan die transparantie bijdragen aan het (herstel van) draagvlak voor alle coronamaatregelen. En hoewel er best wat valt te zeggen voor het inroepen van ‘het belang van de Staat’ gelet op de lopende procedure, zou het m.i. juist in het belang van de Staat zijn als duidelijk wordt dat de mogelijke zwakke juridische basis in beeld is geweest maar andere belangen zwaarder gewicht zijn toegekend. Het treffen van een maatregel als de avondklok moet toch goed zijn uit te leggen, ook als er adviezen liggen die de mogelijke zwakke juridische grondslagen hebben benoemd?!

Kortom, de tijd zal het leren in hoeverre die nieuwe Ruttelijn nu echt tot transparantie leidt, ook als het net wat minder goed uitkomt. Want als er iets duidelijk is als het gaat om openbaarheid van informatie die bij de overheid berust, dan is het wel dat het in algemene zin door een ieder wordt omarmd en wordt gestimuleerd. Totdat het nu net in dat ene concrete geval, als het net niet helemaal uitkomt, je in de weg zit. Eens zien hoe dat nu uitpakt.

Wet open overheid is aangenomen door de Tweede Kamer

Het zat er al aan te komen. Op 26 januari is het wijzigingswetsvoorstel aangenomen door de Tweede Kamer. Het was al te voorzien in 2019 (zie column in de Staatscourant). De grootste criticasters van de in 2016 door de Tweede Kamer aangenomen wet (over de wet van toen zie deze artikelen in de Gemeentestem deel I en deel II), de koepels (VNG, IPO en UvW) en kabinet, leken immers akkoord met het wijzigingswetsvoorstel.

Grootste wijzigingen Woo

De eerste grote wijzigingen die met het wijzigingswetsvoorstel werden voorgesteld werden eerder al beschreven in dit blog. Belangrijkste wapenfeiten:

  • De koepels vielen niet onder de Woo (artikel 2.2).
  • Duidelijker werd wat actief openbaar moet worden gemaakt (artikel 3.3).
  • Het documentenregister kwam te vervallen.
  • De plicht tot actieve openbaarmaking werd weer (duidelijker) een inspanningsverplichting (artikel 3.1).
  • Een meerjarenplan tot het op orde krijgen van de informatiehuishouding moest worden opgesteld met een adviescollege dat daar (tijdelijk op moest toezien) (artikel 6.2).

Impact “Ongekend Onrecht”

De Woo kan de laatste tijd in stroomversnelling, mede door alle ontwikkelingen rondom de kindertoeslagenaffaire en “Ongekend Onrecht”.

De initiatiefnemers zagen hun kans schoon om de eerder gesneuvelde Informatiecommissaris deels terug te laten komen in een aangepaste vorm van het adviescollege. Het kreeg de naam Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding om de verbreding van het takenpakket te onderstrepen.  Het adviescollege krijgt een permanente status én een ombudsfunctie. Bepaalde personen, journalisten en onderzoekers, krijgen de mogelijkheid en klacht in te dienen over de afhandeling van Woo-verzoeken (zie o.a. dit blog). Zie voor wat opmerkingen bij dit college en de regeling deze update en dit blog.

Actieve openbaarmaking wordt makkelijker gemaakt doordat voor sommige documenten gewerkt kan worden met een overzicht (artikel 3.3a). Dwingend wordt voorgeschreven dat bestuursorganen gaan werken met een soort documentenregister (PLOOI, een platform van BZK)(artikel 3.3b).

Succesvolle amendementen

Vele amendementen verschenen nog in november en meer recent. De amendementen zelf en een meer uitvoerige analyse zijn te vinden c.q. te lezen in dit blog. Opvallende, aangenomen, amendementen verdienen een bespreking hier.

De persoonlijke beleidsopvattingen die voorafgegaan zijn aan ‘formele besluiten’ (van enkele bestuursorganen) moeten worden verstrekt (artikel 5.2, lid 3). Op het laatst is nog wel toegevoegd dat hier toch weer van kan worden afgeweken als schade aan het intern beraad kan worden aangetoond.

De bedrijfsgegevens zijn weer absoluut beschermd (artikel 5.1, lid 1). De mogelijke uitbreiding naar semipublieke instellingen (eerder geregeld in artikel 2.3) is geschrapt. Een grondslag wordt geboden voor overleg bij omvangrijke verzoeken (in een artikel 4.2a).

Amendementen bij de Wet open overheid besproken

Zoals aangekondigd tijdens het debat over het wijzigingswetsvoorstel tot wijziging van de Wet open overheid op 12 januari jl. (zie hier voor het verslag) – ook nog herhaald door de minister-president tijdens het debat over “Ongekend Onrecht” op 19 januari jl. – volgde op 20 januari een brief vanuit BZK over de amendementen bij de Woo (er zat kennelijk zo’n druk op de brief dat verwezen wordt naar het verkeerde Kamerstukken-dossier 35512 in plaats van 35 112). De amendementen zijn op deze site en op Twitter en LinkedIn ook al besproken. Hieronder per amendement een korte weergave van het beoogde doel, de reactie van BZK en mijn opmerkingen daarbij.

De uiteindelijke stemming zal leiden tot een aangenomen wijzigingswetsvoorstel. De totale wet – dus inclusief de al aangenomen Woo – wordt besproken in een bundel die in maart beschikbaar komt. Meer over dit boek is hier te lezen.

Vooraf nog het volgende. Op 15 januari liet de minister-president zich uit over het niet meer hanteren van de uitzonderingsgrond persoonlijke beleidsopvattingen. Mondeling suggereerde hij dat die grond (artikel 11  Wob) helemaal zou komen te vervallen. Dat leek nogal ongeloofwaardig en bovendien onwenselijk. De kabinetsreactie maakte al duidelijk(er) dat bedoeld is dat de bescherming van die opvattingen geen rol meer speelt bij het onthouden van informatie aan de Eerste en Tweede Kamer (in het kader van 68 Grondwet). Dat wordt met deze brief van BZK nog eens expliciet bevestigd.

Maar goed, de amendementen:

Geanonimiseerd verstrekken van persoonlijke beleidsopvattingen (Van der Molen) (nr. 27) 

Dit amendement vormt een tweede aanpassing van een eerder amendement van Van der Molen (amendement nr. 14, besproken in deze update en nadien gewijzigd in amendement  24).  Met dit nieuwe amendement wordt voorgesteld – in de vorm van een derde lid bij artikel 5.2 van de Woo – dat persoonlijke beleidsopvattingen geanonimiseerd worden verstrekt als deze zijn geuit in de voorbereiding op formele besluitvorming van een aantal bestuursorganen. Daarmee wordt dit uitgangspunt dus slechts de regel bij de bestuursorganen die politieke verantwoording afleggen aan democratisch verkozen organen. Overigens missen de dagelijkse besturen van waterschappen en dagelijkse besturen van openbare lichamen als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Terecht wijst BZK op een mogelijk noodzakelijk beroep op andere “weigeringsgronden” (de Woo spreekt van “uitzonderingen”) zoals het nieuwe “goed functioneren” van de overheid (zie hierover o.a. het blog over het wijzigingswetsvoorstel) en oppert ze nog een wijziging van het amendement door toe te voegen dat geanonimiseerde verstrekking niet plaatsvindt bij onevenredige schade aan het intern beraad. Dit is overgenomen in het op 26 januari nog aangepaste amendement door de laatste bijzin.

Dat laatste haalt net de angel uit het voorstel en geeft de mogelijkheid van een cirkelredenering zoals we die nu ook kennen bij het motiveren waarom niet wordt overgegaan tot het toepassen van de bevoegdheid van artikel 11 lid 2 Wob (anoniem verstrekken) (zie deze update). De bescherming van intern beraad ligt besloten in het eerste lid (van artikel 11 Wob en van artikel 5.2 Woo). Afwijken kan gelet op de goede en democratische bestuursvoering. Verplicht afwijken wordt geregeld met het derde lid. Met de toevoeging dat verstrekking achterwege kan blijven wegens onevenredige schade aan het intern beraad – hoezeer ook wenselijk zal zijn in de praktijk – herleeft de optie tot weigering die een motivering moet vinden in de schade aan het interne beraad. De motiveringslast neemt toe. De vraag zal zijn of de rechter gelet hierop kritischer toetst dan nu bij het niet toepassen van de mogelijkheid van artikel 11, tweede lid, van de Wob.

Met dit voorstel wordt het herijkte Rutte-beleid (alle of vooraf geselecteerde opvattingen; de precieze invulling én wensen van de Kamer zijn nog wat ongewis zo leert het toeslagendebat) landelijk uitgerold en niet alleen in de informatievoorziening aan de controlerende, gekozen organen.

Absoluut maken van de weigeringsgrond “vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens” ( Snoeren en Bisschop) nr. 26)

Eerder gaf ik al aan te wachten op de effecten van de lobby van VNO-NCW (zie deze update) en redelijk snel daarna verscheen dit amendement. Het schrappen van de absolute weigeringsgrond “vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens” en het als relatieve uitzondering introduceren van het belang van “bedrijfs- en fabricagegegevens” en “andere concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens” wordt met dit amendement teruggedraaid.

Eerder stelt BZK dat daarmee werd teruggekeerd naar de situatie onder de Wob. Dat werd ook gesteld tijdens de behandeling op 12 januari jl. Bovendien stelt BZK dat de belangen van het bedrijfsleven nog altijd worden beschermd. Ik ga in een eerdere versie van dit blog al aan dat ik een andere mening was toegedaan – zoals ook geuit tijdens het Twitterverslag. Door het extra relatief maken en het niet als subsidiaire uitzondering mogen opvoeren van de onevenredige benadeling (zie artikel 5.2, lid 5) werden andere concurrentiegevoelige gegevens immers niet meer beschermd.

De Kamerleden hebben de handschoen opgepakt en het voordeel van de huidige opzet van artikel 5.1, tweede lid onder f, behouden. De vertrouwelijk verstrekte bedrijfs- en fabricagegegevens worden – net als onder de Wob – absoluut beschermd. De andere concurrentiegevoelige informatie wordt beschermd door de nieuwe relatieve uitzondering. Dan zijn we pas echt terug bij de situatie onder de Wob. Een terechte vervanging van amendement nr. 17 door amendement nr. 26 derhalve.

Meenemen van documenten van na ontvangst van het verzoek (Sneller en Buitenweg) (nr. 19)

In afwijking van de huidige lijn – voortgezet onder de Woo – dat het moment van ontvangst van het verzoek bepalend is voor waar het verzoek over kan gaan (zie onder 2.4 in dit artikel), willen Sneller en Buitenweg met dit amendement dat een Woo-verzoek gaat over alle documenten die bestonden tijdens de ontvangst van het verzoek én die nadien – tot het moment van het besluit – nog zijn ontstaan. Een nieuw artikel 4.2a van de Woo maakt dit verplicht voor de primaire fase van besluitvorming (lid 1) en facultatief voor tijdens de behandeling van een bezwaarschrift (lid 2). Motief is vooral dat sneller tot besluitvorming wordt overgegaan. Deze Kamerleden verwachten veel van de dreiging dat nog meer documenten beoordeeld moeten worden.

BZK wijst m.i. denk ik terecht op het vertragende element. Zeker bij doorlopende bestuurlijke aangelegenheden blijft beoordelen dan een continu proces. Eens moet het besluit op het verzoek toch echt geschreven worden. Dat volgt na een beoordeling van die documenten. Nadien moet het besluit nog ‘de lijn’ in. Niet valt uit te sluiten dat daar enige tijd voor nodig is. Wat dreigt is dat het besluit op dit onderdeel altijd gebrekkig zal blijken te zijn.

Overleg bij omvangrijke verzoeken (Van der Molen) (nr. 20)

Over dit amendement – dat een aanpassing vormt van een eerder amendement waar ik al kritiek op had – heb ik al het nodige opgemerkt in deze update. Van der Molen wil graag dat overleg mogelijk is bij een omvangrijk verzoek.

Met mij merkt BZK terecht op dat de mogelijkheid van overleg ook zonder dit wettelijk voorschrift tot de mogelijkheden behoort. Mijn kritiek komt niet terug. Ik zou menen dat dit amendement – vanwege de bijkomende discussie en effecten (zie mijn update) – niet moet worden aangenomen.

Voorschriften inzake het Adviescollege openbaarheid en informatiehuishouding (Sneller) (nr. 21) 

Met het upgraden van het Adviescollege – door de Tweede Nota van Wijziging maar ook de kabinetsreactie op “Ongekend Onrecht” – is een en ander geregeld dat ruimte voor interpretatie en discussie laat. Zie ook mijn eerdere blog over dit college en de onduidelijkheden over de taken. De snelheid van handelen komt de kwaliteit van wetgeving ogenschijnlijk niet ten goede. Enkele verbeteringen zijn dus zeer wenselijk.

Voorgesteld wordt dat na advies van het adviescollege in de primaire fase (dus als een besluit is genomen en de verzoeker mogelijk nog bezwaar wil maken) zoals nu voorgesteld de termijn om bezwaar te maken wel wordt geschorst (en dus de totale termijn van afhandeling van een uiteindelijk bezwaar verlengd) maar dat na advies en bemiddeling wel binnen twee weken op het bezwaar moet worden beslist.

Hoewel logisch lijkt dat de fase van bemiddeling en advisering al voldoende grond kan bieden voor het goed kunnen beoordelen van de bezwaren en het heroverwegen van het primaire besluit, zou ik menen dat de totale omvang van het bezwaar zodanig kan zijn dat het niet realistisch is om tot een goede en weloverwogen heroverweging te komen binnen twee weken. Ook moet nog worden gehoord zou ik menen! Kortom, niet aannemen alstublieft.

Openbaarheid van gemeenschappelijke regelingen (Buitenweg) (nr. 22) (nog niet gepubliceerd)

Ogenschijnlijk een wijziging van het al ingediende amendement nr. 18 (van Buitenweg, Sneller en Kuiken) (of een verschrijving van BZK) wat maakt dat ook de gemeenschappelijke regelingen verplichtingen krijgen tot actieve openbaarmaking van vergaderstukken, agenda’s en besluitenlijsten (een aanvulling van artikel 3.3 van de Woo derhalve).

Een prima aanvulling. Een combinatie met het amendement van Van der Molen (over de toevoeging van een derde lid bij artikel 5.2) ligt bij aanvaarding van beide amendementen wel in de rede.

Schrappen uitbreiding semipublieke sector (Bisschop) (nr. 23)

De mogelijke uitbreiding van de werking van de Woo naar semipublieke instellingen bij AMvB (zie artikel 2.3) wordt geschrapt met dit amendement. BZK geeft aan niet voornemens te zijn over te gaan tot een AMvB om deze instellingen aan te wijzen.

Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Een gelukkige keuze?

In de categorie blogs over de wat rammelende teksten van de Woo (zie eerder dit blog) een volgende editie.

Vorige week werd het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding opeens een permanent college (zie eerder al deze update). Mét ombudsfunctie bovendien. Dit alles met de laatste majeure wijziging bij de wijzigingswet Wet open overheid. Dit werd behandeld op 12 januari jl. en leek niet op veel kritiek te stuiten. Inmiddels wordt veel heil van het college verwacht. Niet alleen door de initiatiefnemers, maar ook door het inmiddels gevallen kabinet (die er overigens nog wel een regeringscommissaris naast zet) (zie dit blog over de kabinetsval).

Toch tijd voor een snelle bespreking van een kernbepaling van dit college: artikel 7.2 van de Woo zoals nu voorgesteld. Te meer nu er best wat valt te klagen maar a.s. dinsdag misschien al wordt gestemd! De regeling lijkt het resultaat van een wat haastige klus. Dat zal te maken hebben met het feit dat de initiatiefnemers hun kans schoon zagen het college wat meer statuur te geven. Dit gegeven alle “Ongekend Onrecht”-aandacht voor de informatiehuishouding. De kans om een eerder gesneuveld initiatief – de Informatiecommissaris – in aangepaste vorm weer te introduceren wilden zij duidelijk niet laten liggen.

Daarmee hebben de initiatiefnemers dus een combinatie gemaakt van die commissaris met het al voorgestelde college. Dat komt de duidelijkheid van de regeling niet ten goede. Bovendien kan de vraag worden gesteld of een dergelijk veelkleurig Adviescollege met al haar taken wel tot een gezonde situatie kan leiden. Want door die combinatie ontstaat een college dat de Eerste en Tweede Kamer moet gaan adviseren over de uitvoering van openbaarheidsregels (artikel 7.2, eerste lid). Moet zij de Minister adviseren bij het meerjarenplan van artikel 6.2 (op grond van artikel 7.2, tweede lid). Daarnaast moet het college wetgevingsadvies geven bij wetsvoorstellen en ontwerpen van AMvB’s die over openbaarheid gaan (artikel 7.2, derde lid) en ook moet zij in algemene zin gaan adviseren en opleiden (artikel 7.2, vijfde lid).

Dat laatste voelt wat ongemakkelijk gegeven de ombudsfunctie die wordt voorzien (artikel 7.2, vierde lid). Klachten over hen die zij opleidt moeten dus onafhankelijk worden beoordeeld! Die klachten gaan (vooral) over de afhandeling van Woo-verzoeken. Die weg staat niet eenieder te beschikking maar louter onderzoekers, journalisten en andere groepen waarvan het college vindt dat zij hiervoor in aanmerking moeten komen. Dat laatste maakt wat onbestemd en blinkt uit in rechtsonzekerheid. Meer principieel is het onderscheid in aard van de verzoeker om informatie voor discussie vatbaar. Het recht op toegang tot publieke informatie is toch voor een ieder gegeven (artikel 1.1 van de Woo) en eenieder moet toch gelijk worden geacht voor die Woo? De toelichting meent een rechtvaardiging te vinden in het beroepsmatige belang dat er zou zijn op een snelle afdoening van geschillen. Ik zou menen dat een ieder een dergelijk belang heeft.

Overigens lijkt de toelichting te suggereren dat de klachtmogelijkheid ter beschikking staat in samenhang met Woo-verzoeken. De wetstekst zelf maakt dat niet duidelijk. Gesproken wordt immers van het kunnen klagen over “de wijze van openbaar maken van publieke informatie”. Ik zou dus menen dat een klacht over het niet naleven van de verplichtingen om bepaalde informatie actief openbaar te maken (artikel 3.3 van de Woo) evenzeer in aanmerking zou moeten kunnen komen voor een bemiddeling door het Adviescollege.

De hier gekozen woorden – de klacht gaat over “de wijze waarop dat bestuursorgaan publieke informatie openbaar maakt” – is met nog een reden niet gelukkig. Want waar de toelichting vooral lijkt uit te gaan van het klagen over een te trage afhandeling van een verzoek of een te beperkte lezing van het verzoek, gaat de wet zelf alleen over de wijze van openbaar maken. Dat moment – van feitelijk verstrekken – ligt toch echt pas na afhandeling van het verzoek en is onderdeel van het besluit. De tekst zou dus vooral zelf ook duidelijk moeten maken dat het klagen moet zijn gericht op “de wijze van afhandelen van verzoeken als bedoeld in artikel 4.1 van de Woo”. Dan hebben we het over het proces, de lezing van het verzoek én de wijze van verstrekken. Daarmee is ook meteen duidelijk gemaakt dat niet geklaagd kan worden over  de actieve openbaarmaking of het ontbreken daarvan.

Toch nog even nadenken over (de regeling bij) het Adviescollege!