Dit is de categorie voor blogs

De Woo moet er komen of niet, maar dan op goede gronden

De afgelopen week vond de behandeling plaats van de Wet open overheid in de Eerste Kamer (zie blog met verslaglegging en enkele links). In een Twitter-verslag (zie hier het stenografisch verslag van de Eerste Kamer zelf) besprak ik ook de inbreng van senator Rombouts. Die inbreng leidde uiteindelijk tot een motie. Die motie is tamelijk verstrekkend. Het is er immers op gericht de Woo niet aan te nemen, maar te volstaan met een evaluatie van de Wob om vervolgens te komen tot een voorstel tot het investeren in een deugdelijk systeem van informatiehuishouding en een mentaliteitsverandering onder bestuurders. A.s. dinsdag is de stemming voorzien (zie agenda). Alle reden dus om nog even in de pen te klimmen.

Cultuurverandering door wetgeving?

Toegegeven, de motie raakt aspecten van mijn artikelen in 2016 (I, II en III). Daarin uitte ik de nodige kritiek op de Woo die toen werd aangenomen. Ik voorzag een juridificering van relaties (o.a. door onnodige complexiteit). Onduidelijkheid door gerommel met definities. En ik meende ook dat een cultuurverandering, die Kamerlid Peters al beoogde te bewerkstellingen met de ‘Nieuwe Wet openbaarheid van bestuur’, niet (per sé) iets is dat volgt op wetgeving (of dat wetgeving daarvoor als ‘paardenmiddel’ moet worden ingezet).

Wetgeving nodig voor actie?

Het wetsvoorstel is sindsdien evenwel danig aangepast. Je kunt er nog steeds voldoende van vinden (een deel van de kritiek uit 2016 blijft bestaan), maar je moet erkennen dat enkel de ‘dreiging’ van de komst van de Woo al veel in gang heeft gezet wat betreft de verbetering van de informatiehuishouding. Hierbij mag de wind in de rug vanwege ‘Ongekend Onrecht’ niet worden miskend. Hoewel je goed kunt stellen dat daarvoor geen nieuwe wet nodig is, schat ik inmiddels toch in dat juist iets als de concrete lijst van artikel 3.3 Woo – de tamelijk omvangrijke lijst van documenten die actief openbaar moeten worden gemaakt – pas ook daadwerkelijk leidt tot concrete stappen in de praktijk en bewustwording van het feit dat ‘we iets moeten met actieve openbaarmaking’. Het zou niet moeten misschien, maar kennelijk werkt het ‘gewoon’ zo.

De complexiteit aangaande artikel 3.3 Woo is er wel degelijk. Die raakt in beginsel alleen de bestuursorganen die er mee aan de slag moeten. De tijd is er om daaraan te wennen. Minister Ollongren kondigde dinsdag immers al aan dat er dit najaar een plan komt met data waarop aan de verplichtingen van artikel 3.3 moet zijn voldaan. Maar bovenal dat voor het rijk per 2023 de verplichting (deels) zou gaan gelden en pas daarna voor andere overheden. Die mogelijk geeft artikel 10.2 natuurlijk ook. Daarnaast is een eerder gesignaleerd mogelijk probleem. Namelijk dat die actieve openbaarmaking belangen van anderen raakt en dat je die dus ook vooraf in kennis moet stellen of dat die belangen moeten leiden tot het lakken vooraf van bepaalde informatie. Hobbels die de initiatiefnemers, maar ook Minister van Ollongren en kennelijk de geconsulteerde decentrale overheden en zelfstandig bestuursorganen (mits voldoende geld die kant op gaat vanuit het Rijk), denken te kunnen nemen.

Wetenschappers die stellen…

Terug naar de motie. Zoals in het twitterverslag al opgemerkt wordt tamelijk stellig geschermd met wetenschappers die scherpe kritiek zouden hebben. Het ging vervolgens met name over de complexiteit van de Woo (“uitzondering op uitzondering en regel op regel, en heel hybride en gedetailleerd geregeld”). Los van het gegeven dat dit vooral over het hiervoor genoemde artikel 3.3 ging, viel het me al op dat niet concreet werd gemaakt welke wetenschappers dat dan zouden zijn en welke concrete argumenten zij naar voren hadden gebracht. Een vast volger van mijn berichten of frequent bezoeker van deze website kan zich niet aan de indruk onttrekken dat goed wordt bijgehouden wat zich in de praktijk én wetenschap qua Wob en Woo afspeelt. Een concretisering (vindplaatsen, namen etc.) bleef in het debat vervolgens uit.

Kritiek?!

Ik ben kritiek tegen gekomen van Wim Voermans op de website voor onderzoeksjournalisten (zie link). Kamerlid Van der Linden wees ook op dit artikel. Kritiek op de complexiteit lees ik er niet in (wel wat andere punten, waar ik eerder al iets over opmerkte in dit bericht op LinkedIn). Terecht stelt Voermans dat de Woo wat tandeloos is. Daarmee doelend op het ontbreken van dwangsommen bij te traag beslissen. Dit ontbreekt nu ook in de Wob, bewust vanwege alle misbruik van de Wob die we kenden (Sneller, vertegenwoordiger van de Tweede Kamer als initiatiefnemer van het voorstel, wijst hier ook op). Ook zie ik niet direct dat actieve openbaarmaking achteruit zou kachelen. Wellicht wel als je de Woo nu vergelijkt met wat het was. Maar het is nog altijd meer dan nu onder de Wob. Al is het maar wat betreft het allerminst vrijwillige register PLOOI (verplicht via artikel 3.3b) voor de openbaarmaking via 3.3 Woo. Artikel 3.3 dwingt straks sowieso dus tot actief handelen wat dus een stap voorwaarts genoemd kan worden (voor hen die voor openbaarheid zijn – en dat is de hele Eerste Kamer zo wekte men de indruk). Vergelijk het maar eens met de huidige praktijk van artikel 8 Wob (die wordt meer gebruikt als grondslag als het bestuursorgaan beleidsmatig graag openbaar wil maken, maar een specifieke regeling nog niet voor handen is). En ook het onder de Wob nog niet bestaande Adviescollege kan toch alleen maar een (potentiële) verbetering betekenen (vreemde ogen dwingen).

Verder heb ik alleen nog het nodige aan wetenschappelijke bijdragen van Annemarie Drahmann gezien de afgelopen jaren. Zij schreef eerder dit jaar een mooi overzichtsartikel in Computerrecht waarbij op onderdelen wordt opgemerkt dat het best wat ambitieuzer kon. Zij sluit wel als volgt af: “Met het op het laatste moment ingevoerde PLOOI en de verplichting om de informatiehuishouding te verbeteren met meerjaren- en actieplannen, is echter alsnog een kleine, maar goede eerste stap gezet naar een verbetering van de openbaarheid van overheidsinformatie. Daarmee kan mijns inziens toch worden geconcludeerd dat de Woo een verbetering is ten opzichte van de huidige Wob. Maar we zijn er nog niet.”

En net eerder dit jaar verscheen dus mijn derde deel in de Gemeentestem, met de volgende conclusie:

“Daarmee is de Woo na een lange en roerige totstandkomingsgeschiedenis wat betreft de Tweede Kamer een ogenschijnlijk voldragen product. Er zijn genoeg vraagtekens te plaatsen. Want wat is het nut en wat is de noodzaak van de Woo in de huidige vorm? Voegt het echt iets toe aan de Wob en de rijke rechtspraak daarbij? Geeft al wat nieuw is niet juist aanleiding voor discussie en volgen er dus veel procedures over interpretatieverschillen? En meer belangrijk, brengt de Woo echt veranderingen op die onderdelen waarvoor Kamerlid Peters het op 5 juli 2012 vooral voor leek te doen: meer actieve openbaarmaking, minder uitzonderingsgronden die aan openbaarmaking in de weg worden gesteld, minder kosten voor verzoekers om informatie, een omslag stimuleren in de bestuurscultuur bij overheden en semioverheden?[94]  Veel is hetzelfde als onder de huidige Wob, een deel is geschrapt van wat eerder nog was opgenomen in de Woo en een deel is weer aangevuld.

Het is – de balans opmakend – kennelijk tijd voor iets nieuws. In dit nieuwe ‘post-Ongekend Onrecht’-tijdperk is het bijna ondenkbaar dat de Eerste Kamer veel weerstand zal tonen. Temeer nu alle betrokkenen in meer of mindere mate wel akkoord lijken te zijn met de Woo.[95]

Motie ontneemt momentum

Kortom, een gevaarlijk verstrekkende motie met zo op het oog een niet erg overtuigende onderbouwing. Natuurlijk is het de vraag of alle aspecten van de Woo nu echt nodig zijn – want die Wob werkt best naar behoren als kader voor kwestie over openbaarheid. Maar om hierin een aanleiding te vinden om de Wob te gaan evalueren terwijl daarmee de aanzet die de Woo geeft tot actie direct wordt weggenomen, zou oprecht zonde zijn. De Woo heeft momentum: er wordt nu gewerkt aan het op orde brengen van de informatiehuishouding, er wordt nagedacht over (en uitvoering gegeven aan) actieve openbaarmaking en los daarvan geeft de Woo ook enkele nuttige aanvullingen ten opzichte van de Wob. Een evaluatie van de Wob zou ik er eerlijk gezegd niet voor willen inruilen…

Komt de Wet open overheid er?

Na een lange dag Woo (beginnend om 14 uur en eindigend om 23:45 uur) kunnen we balans opmaken. In een lange tweet-draad (zie hier) is live verslag gedaan van het debat. Op de site van de Eerste Kamer volgde ook al een impressie van het debat én stenografisch verslag (zie link).

Velen zien de noodzaak van een omslag van de bestuurscultuur. Allen erkennen dat wetgeving daartoe niet dwingt (zo schreef ik ook al in 2016, zie onder 1. in dit artikel). De voorstanders (waaronder dit demissionaire kabinet) zien in de Woo een duidelijke aansporing en aanzet tot die cultuurverandering. Anderen willen de Wob maar eens evalueren, zo nodig aanpassen en dan weer door. Dit vooral vanwege de bouwval die de Woo zou zijn geworden, na alle aanpassingen sinds 2012.

Verrassend voor een enkeling was wellicht de kritische ChristenUnie. Men stond nog wel open voor een overtuigend pleidooi van de vertegenwoordigers van de Tweede Kamer (de initiatiefnemers) of de minister van BZK. Toch heeft dat niet geleid tot een omslag. Dat blijkt ook uit het mede ondertekenen van een motie (met de SGP en het CDA) die moet leiden tot het stopzetten van de behandeling van de Woo en tot evaluatie van de Wob en nieuw stelsel van regels (minder dan de Woo). De SGP zal wel voor de novelle stemmen, als de Woo (die na voornoemde motie in stemming wordt gebracht 5 oktober) wordt aangenomen.

Voor zijn in elk geval GroenLinks, D66, Fractie Nanninga, PvdA, SP en 50PLUS. Ook VVD leek ermee te kunnen instemmen.

Verder is het nog wat ongewis.

Bijzonder was de vermelding door 50PLUS van het Woo-boek. Daar putten ook anderen toch wel zichtbaar uit, maar zonder bronvermelding.

Belangrijk voor de praktijk is dat duidelijk is geworden dat de verplichtingen tot actieve openbaarmaking echt op de lange termijn gaan gelden (gebruikmakend dus van de faseringsmogelijkheid van artikel 10.2). Voor het Rijk moet een en ander in 2023 gaan gelden (en helemaal klaar zegt men te zijn in 5 jaar voor alle categorieën van artikel 3.3!) en daarna pas, als we de opmerkingen van de minister van BZK goed begrijpen, voor alle andere bestuursorganen. Dit najaar zou een plan komen met indicatieve data waarop een en ander zou moeten gaan gelden voor bestuursorganen.

Dit alles geeft lucht, en ontneemt de noodkreet van de koepelbesturen VNG, IPO en UvW van de nodige urgentie. De verplichting om PLOOI te gebruiken geldt dan immers ook nog niet op korte termijn. Want die is via artikel 3.3b alleen gekoppeld aan de openbaarmaking via artikel 3.3).

Nu stemmen tellen….

 

Waarom de Woo er wel/niet moet komen (deel 2)

Gisteren verscheen een eerste blog ten behoeve van de behandeling morgen 28 september in de Eerste Kamer van de Wet open overheid. Na een inleiding wordt de wet langsgelopen. Aan de hand van enkele opvallende aspecten worden argumenten voor en tegen de Woo die nu voorligt behandeld. De tijd was beperkt en liet alleen een bespreking toe van enkele aspecten uit de hoofdstukken 1 tot en met 3.

Nu dus aandacht voor de hoofdstukken 4 en verder.

Vooraf nog het volgende. Natuurlijk valt er veel meer te zeggen over de Woo. Daarvoor moet u toch echt elders even zoeken. Te denken valt aan de artikelenreeks in ‘de Gemeentestem’ (deel I, deel II en deel III), de nodige podcasts en eerdere blogs over amendementen e.d. Het meest indringend per artikel is de behandeling in het boek ‘Wet open overheid’ uiteraard.

Voor en tegen de Woo (vanaf hoofdstuk 4) pleit:

  • eindelijk wordt (artikel 4.1 lid 2) de elektronische weg via de Woo open gesteld voor verzoeken om informatie;
  • weinig reden tegen op dit punt.
  • goed dat wettelijk verankerd is (artikel 4.1a) dat documenten moeten worden behouden;
  • een beetje onnodig nu dit al uit de rechtspraak (zie update, met artikel van Follow The Money en podcast) volgt, en jammer dat er geen sanctie hangt aan het niet voldoen aan dit voorschrift (behoudens een proceskostenveroordeling).
  • de mogelijkheid om informatie op te halen van elders via een vordering (artikel 4.2, lid 2) om het eigen archief te completeren is een prima uitkomst;
  • wel cru dat de externe zelfs geconfronteerd kan worden met een dwangsom (zie artikel 8.5) terwijl die wellicht zo vriendelijk is het archief compleet te maken (soms niet direct zijn eigen belang dienend)!
  • de erkenning in artikel 4.2a dat omvangrijke verzoeken een andere aanpak (fasering) vragen is prima;
  • wel lastig dat onduidelijk blijft wat dit overleg tussen verzoeker en bestuursorgaan betekent voor de beslistermijn (vooral als men geen overeenstemming bereikt over een gefaseerde afhandeling).
  • prima, wat strakkere termijnen (4+2 weken) in artikel 4.4;
  • maar het blijkt nu al vaak niet haalbaar!
  • wel handig voor de praktijk dat enkel het verzoek om een voorlopige voorziening al maakt dat informatie niet wordt verstrekt (artikel 4.4 lid 5);
  • wie toont aan dat het verzoek om een voorlopige voorziening daadwerkelijk is ingediend? En waarom dit niet ook regelen voor actieve openbaarmaking op grond van artikel 3.1 of 3.3 (zie het blog van gisteren)?
  • een contactpersoon (artikel 4.7), altijd handig voor de verzoeker;
  • willen we echt weer een bestuursorgaan in het leven roepen?
  • emissiegegevens altijd openbaar (artikel 5.1 lid 7), wenselijk voor de omgeving!
  • nooit meer enige bescherming (bijv. bij veiligheidsissues) echt wenselijk (zie deze update over de PAS-meldingen)?
  • persoonlijke beleidsopvattingen bij rijk, provincie en gemeente altijd anoniem openbaar (artikel 5.2, lid 3)!
  • maar wat is nu precies “formele bestuurlijke besluitvorming”? En waarin ligt de rechtvaardiging voor het niet van toepassing laten zijn voor alle organen die onder de Woo vallen? 
  • ondersteuning van volksvertegenwoordiging door ambtenaren is nog beschermd (via artikel 5.4a);
  • is dat nu wel zo goed? En waarom is informatie aan een Kamerlid (artikel 5.4a, lid 2) nog meer beschermd dan informatie aan een andere volksvertegenwoordiger of bestuurder?
  • mooi, een plan om de informatiehuishouding op orde te krijgen (artikel 6.2)!
  • jaja, een plan om de informatiehuishouding op orde te krijgen.
  • een recht om te klagen over de afhandeling van verzoeken bij het Adviescollege geeft extra mogelijkheden voor de verzoeker (artikel 7.2);
  • maar waarom alleen voor de wat onbestemd geformuleerde groep ‘met een beroepsmatig belang bij het gebruik van publieke informatie’?
  • gelukkig is er oog voor de complexiteit van het actief openbaar moeten maken via artikel 3.3 (artikel 10.2);
  • wanneer gaat die Woo dan dus eigenlijk echt gelden op die onderdelen?

Waarom de Woo er wel/niet moet komen

Aanstaande dinsdag 28 september vindt dan eindelijk de behandeling plaats van de Wet open overheid in volle omvang (zie bericht op LinkedIn met de agenda en wat achterliggende informatie). De hele Woo, dus inclusief de novelle die nodig bleek na de nodige uitvoeringslasten en dus kosten.

Er valt genoeg te zeggen over de Wet open overheid in de huidige vorm. Niet zelden zit er bijna een soort agenda achter datgene wat wordt gezegd. Dat maakt soms dat de mededelingen over de Woo niet helemaal stroken met de werkelijkheid van de praktijk van ‘openbaarheid van informatie’ nu (en wat de Woo daarin wel of niet wijzigt). Soms wordt er ook gewoon niet verteld wat de Woo nu werkelijk gaat regelen. Zie voor wat ‘rechtzetterij’ en wat achterliggende informatie dit bericht op LinkedIn.

Toch zal het zoeken zijn voor menig senator wat nu te vinden van de Woo die nu voorligt. Tegenstemmen is lastig. Het kan enerzijds snel ‘geframed’ worden als “u bent tegen transparantie”, suggererend dat de Woo vooral meer zal dwingen tot transparantie. Anderzijds kan tegenstemmen natuurlijk ook ‘verkocht’ worden door te stellen dat de Woo niet ver genoeg gaat. Dat laatste verplicht m.i. ook tot het duiden hoe ver het dan zou moeten gaan (en ten koste waarvan). Want alles openbaar is niet wenselijk (of mogelijk!).

Niet voor niets regelt de Wob nu (en de Woo straks) dat bepaalde belangen soms nopen tot geheimhouding. Internationale verdragen en richtlijnen hebben die belangen ook op het oog. En terecht. Want bijzondere (of andere) persoonsgegeven dienen toch niet te worden verstrekt aan eenieder? Datzelfde geldt toch ook voor bepaalde informatie die de staatsveiligheid raakt of die concurrentiegevoelig is?

En even simpel stellen dat het wel een paar miljard mag kosten om vervolgens een register te hebben van alle documenten (dus ook appjes, mails, nota’s etc.) die bij de overheid berusten, kan ook niet makkelijk serieus genomen worden. Want zitten we echt te wachten op zo’n register (als het al mogelijk is)?

En hoezeer de Algemene Politieke Beschouwingen laten zien dat je in twee dagen 2 miljard kunt herverdelen, laat de praktijk vooral toch ook zien dat het verdelingsvraagstuk toch best een uitdaging is. Laat staan dat ik niet weet wat er uit een referendum zou komen als de vraag gesteld wordt of de twee miljard (bijvoorbeeld) naar de slachtoffers van de kinderopvangtoeslagen-ellende, naar defensie en veiligheid of toch echt naar een register voor alle documenten van de overheid moet gaan.

Dat laatste laat overigens ook nog onverlet dat het register hebben één is, maar vervolgens dus nog – vanwege de eerder genoemde terechte belangen die soms zwaarder wegen dan transparantie – een beoordeling van al die documenten moet plaatsvinden als de wens zou bestaan dat al die documenten in beginsel actief openbaar moeten worden gemaakt. Zie voor een lezing van het eerst voorgestelde artikel 3.1 Woo en de problematiek daarvan deel II van de reeks artikelen in ‘de Gemeentestem’ (par. 5).

Maar goed, terug naar de Woo die dus dinsdag wordt behandeld in de Eerste Kamer. Voor alle senatoren even de redenen op een rij waarom u voor of juist tegen de Woo moet zijn.

Voor en tegen pleit (voor nu even beperkt tot hoofdstuk 1 tot en met 3 – misschien laat de agenda meer toe maar lees anders de artikelen in ‘de Gemeentestem’ elders hier op te site):

  • de Wob is zo ingeburgerd in ambtelijk en bestuurlijk Nederland, iets nieuws dwingt ook anders kijken naar openbaarheid eerder af;
  • alle rijke rechtspraak van de Wob zet je met een nieuwe wet (met soms dezelfde, soms andere of soms anders bedoelde begrippen aan de kant of vatbaar voor discussie; vgl. dit blog over het document-begrip en het niet maar toch ook wel hanteren van het begrip ‘bestuurlijke aangelegenheid’ (zie artikel 2.1);
  • een mooie verruiming wat betreft organen die blootgesteld worden aan openbaarheid (artikel 2.2);
  • het hadden er meer kunnen zijn (maar goed, misschien maar even tevreden zijn?!);
  • de zorgplicht (artikel 2.4) vormt een mooie stok achter de deur om eens wat meer te maken van de informatiehuishouding (zeker met het meerjarenplan van artikel 6.2 en het toezicht erop door het Adviescollege (artikel 7.1 met de taken omschreven in artikel 7.2) (over het college meer in dit blog);
  • is het niet gek een archiefwetbepaling op te nemen in de Woo? En los daarvan, blijft natuurlijk de vraag wat het juridisch helpt bij hen die te horen krijgen dat informatie er niet (meer) is. De stok om de overheid mee te slaan is dan zeer beperkt (en dit zal onder de Woo niet veel anders zijn dan onder de Wob (zie deze update), ongeacht het opnemen van de plicht documenten te behouden na ontvangst van het verzoek om informatie (artikel 4.1a).
  • de voorkeursvolgorde bij verstrekken maakt eindelijk werk van de Wet hergebruik overheidsinformatie en wat die voor ogen heeft van hoe informatie beschikbaar komt (elektronisch, machinaal leesbaar open formaat) (meer over de Who in dit JB Plus artikel);
  • het is natuurlijk maar een voorkeursvolgorde en bovendien vraagt het nogal wat van al de overheden die al allerlei informatie actief gaan verstrekken om dat ook nog eens in dit formaat te doen (wellicht).
  • goed dat wettelijk maar duidelijk is gemaakt dat de handeling om actief openbaar te maken ook gewoon een besluit is (artikel 3.1);
  • het had goed geweest te regelen dat een eventueel verzoek om een voorlopige voorziening ook maar direct schorsende werking had (zoals in artikel 4.4 lid 5 is geregeld) of dat zelfs een ‘cooling down’ periode werd ingelast na een ingediend bezwaar.
  • de categorieën van artikel 3.3 dwingen al mooi meer concreet af wat door de overheid zelf openbaar moet worden gemaakt (een mooi begin van mogelijk meer);
  • het wordt nog een aardig puzzel te bezien wat nu onder welke categorie valt en wat niet en als het eronder valt binnen welke termijn het openbaar maken dan moet gebeuren. Daarnaast wordt het nogal wat om bij de lid 2 categorieën te bezien welke gronden van artikel 5.1 of 5.2 aan de orde zijn die nopen tot ‘lakken’ alvorens openbaar te maken. Bovendien wordt spannend of al dat actief openbaar maken niet juist uitlokt dat ook de nodige verzoeken om (achterliggende) informatie worden ingediend!
  • mooi, toch een register (waar menigeen dus veel heil van verwacht, helemaal als het allesomvattend zou zijn)!
  • spannend of PLOOI er wel klaar voor is, als we de besturen van de koepelorganisaties mogen geloven (bericht Binnenlands Bestuur).
  • goed dat de overheid met artikel 3.4 een mogelijkheid heeft bij een zwaarwegend belang informatie openbaar te maken;
  • maar dat dit zelfs dwars tegen absoluut te beschermen belangen in kan gaan (artikel 5.1 wordt integraal genoemd) gaat toch erg ver! De vraag is of dit ook kan gelet op internationale verdragen en richtlijnen!

 

Niet tijdig beslissen bij de Wob. Wie is veelpleger, welke standjes deelt de rechter uit en wat te denken van het hoger beroep van VWS

Na een uitspraak (zie update) in vervolg op een door Nieuwsuur zelf ingesteld beroep niet-tijdig beslissen door de Minister van VWS volgde een groot item in een uitzending waarbij veel werd gesproken over het niet tijdig beslissen door bestuursorganen (link voor de uitzending). Kort daarna volgde een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam met (veel) meer coulance en begrip (zie update). Dit alles dwong tot een eigen onderzoekje over de jaren 2018 tot en met 2021.

Nieuwsuur-item

Het Nieuwsuur-item was wat tendentieus: Nederland zou achter lopen, 71% van de Wob-verzoeken zou niet tijdig worden afgehandeld, er zouden maar 2 mensen per ministerie ‘Wob doen’ en het kabinet zou toch – ondanks een toezegging – de persoonlijke beleidsopvattingen niet hebben geschrapt uit de Wob. De Wob zou moeten werken als een bibliotheek waar je boeken op wil halen…

Er valt genoeg te nuanceren bij deze opmerkingen. Wob-documenten laten zich – anders dan aangekochte boeken in een bibliotheek – niet vooraf selecteren. De brief van 30 april – waarbij het kabinet toch een serieuze stap heeft gezet naar het lsolaten van de bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen door aan te kondigen anoniem verstrekken als uitgangspunt te hanteren (zie deze update) – is een serieuze stap (een kabinet kan natuurlijk niet even artikel 11 van de Wob schrappen) (die VWS, zie brief hierna, kennelijk nog niet gezet had). En ook het genoemde aantal aanwezige mensen per ministerie herken ik niet uit de praktijk.

21 juli: nieuwe aanpak VWS én hoger beroep

Dit alles leidde tot de nodige aandacht, mede gegeneerd door Nieuwsuur, ook in Den Haag. Het dwong VWS tot een nieuwe ‘Aanpak Corona Wob-verzoeken in licht van gerechtelijke uitspraken'(zie deze brief aan de Kamer). Het getuigt niet van veel behoefte tot naleving van de wet. Na de wat plichtmatige opmerkingen over de noodzaak van transparantie, wordt vooral gezegd dat de Rechtbank Midden-Nederland met zijn uitspraak heel veel andere verzoeken heeft gefrustreerd. “Vermoei me nu niet met individuele gevallen, maar laat me op mijn eigen tempo, naar eigen inzicht, openbaar maken wat ik wanneer openbaar wil maken” zou je kunnen lezen in de brief van de Minister. De individuele gevallen frustreren al die anderen, aldus de Minister en dat kan toch niet de bedoeling zijn!

Hoewel sympathiek, slaat het juridisch natuurlijk als een tang op een varken. Artikel 6 van de Wob is helder: een ieder heeft recht bij zijn verzoek op een besluit binnen vier weken, eventueel te verlengen met nog eens vier weken. Krijg je niets tijdig, dan volgt (indien gewenst) een ingebrekestelling en vervolgens een beroepsprocedure tegen het niet-tijdig nemen van een besluit. In zoverre voor alle verzoekers een gelijk speelveld. Iedereen dezelfde wettelijke termijnen én bij overschrijding de zelfde rechten (niet-tijdig beroep) om dat aan de kaak te stellen. Alleen degenen die dat beroep instellen krijgen vervolgens een termijn van de rechter. Die heeft oog voor de omstandigheden en komt tot een redelijke termijn (daarover hierna meer). Het is al bijzonder dat die gegunde extra periode soms – na dus al lang wachten, een ingebrekestelling en een beroepsprocedure – even lang is als de oorspronkelijke wettelijke termijn van 8 weken, maar goed. De verzoeker heeft in elk geval een concrete stok achter de deur (want ook de dwangsom dreigt).

Met de brief van VWS wordt nu degene die de hiervoor genoemde weg niet bewandeld opgevoerd als reden om de gegunde termijn (2 maanden!!) niet redelijk te achten. Dat is onterecht, onjuist, onrechtmatig en bijna misleidend. Het is de keuze van die anderen geweest om de rechter niet in stelling te brengen. Dat mag niet ten koste gaan van degene die dat wel doet!

Begrijp me goed, natuurlijk ligt de vraag voor wat openbaarheid ons mag kosten. 50 Wob-ambtenaren extra, 10 miljoen op jaarbasis, een extern onderzoek. Het is allemaal niet “om niet” (en ook geen 9 miljoen ;-)) en dat is terecht, maar de vraag dringt zich op waar prioriteiten moeten komen te liggen. Ambtelijke inzet is toch niet onuitputtelijk zou men kunnen denken…

Gevaarlijke percentages en daarop volgende conclusies

Maar goed, terug naar de juridica en de data. Want al langer bestond de wens om vooral eens in te zoomen op cijfers. Dit mede getriggerd door de al genoemde Nieuwsuur-uitzending. Want opeens kwam daar 71% uit de hoge hoed. In zoveel Wob-gevallen zou te laat worden beslist. Dat getal komt kennelijk uit een onderzoek van de Volkskrant (zie bericht op villamedia). Zo strooien met zo’n getal is gevaarlijk. Een belangrijke nuance, het betrof alleen de bekende gegevens van ministeries, ontbrak bijvoorbeeld. Andere bestuursorganen – en dat zijn er nogal wat (gemeenten, provincies, waterschappen, zelfstandig bestuursorganen etc.) – zijn dus niet in dit onderzoek betrokken. Men kan niet zo maar uitgaan van een gelijke handelswijze op decentraal niveau.

Bovendien is ook al elders, zie dit SEO-onderzoek ‘Evaluatie afschaffing van de dwangsomregeling Wet openbaarheid van bestuur’ (zie hier voor het rapport), op goede gronden gesteld dat het onderzoek van de Volkskrant de nodige beperkingen kent (zie onder 3.2). Conclusie: de percentages Wob-verzoeken die ‘op tijd’ zijn afgehandeld worden in de cijfers van de Volkskrant onderschat.

Een beperking die SEO niet noemt, maar die wel relevant is en samenhangt met de laatste beperking (niet alle Wob-verzoeken worden gepubliceerd) is dat niet alle informatieverzoeken als Wob-verzoek worden herkend. Niet voor niets was een preciseringsuitspraak van de Raad van State (zie annotatie) nodig om duidelijk te maken voor de rechtspraktijk wanneer een verzoek om informatie nu een Wob-verzoek is. Dat lijkt een gegeven als de Wob wordt genoemd, maar daar zijn uitzonderingen op. Bovendien zegt die uitspraak niets over het wel als Wob-verzoek moeten aanmerken als de Wob niet wordt genoemd. Dat het nog stoeien is met deze uitspraak leerde meer recente uitspraken.

Kortom, er zijn meer bestuursorganen en er zijn (dus) meer verzoeken om informatie zodat er niet veel (beter: niets) te zeggen valt over de afhandeling van termijnen. De praktijk van een ieder die wil klagen – en ik heb de eigen ervaringen ook opgedaan – toont voorbeelden van te laat besluiten. Enig percentage durf ik er alleen niet aan te hangen. Het zou ook goed zijn met deze nuances wel te spreken over percentages om de discussie zuiver te houden.

Wat weten we wel?

Bij niet-tijdig beslissen door de overheid is de verzoeker die zit te wachten op een besluit gehouden tot actie, ik noemde het al eerder. Bezwaar niet tijdig kan worden ingediend, maar is af te raden (zie deze update). Beroep niet-tijdig kan worden ingesteld na een ingebrekestelling. Over dat beroep niet-tijdig is wel het nodige bekend. Niet alle uitspraken worden gepubliceerd, dus ook hier een slag om de arm, maar uit de wel bekende uitspraken (waarvan de aanleiding voor het Nieuwsuur-item er dus één was) valt het nodige op te maken over dat wat de verzoeker zich op de hals haalt.

Wat hebben we onderzocht? Alle uitspraken uit de jaren 2018 tot en met 2021 op www.rechtspraak.nl. Bezien is welke bestuursorganen betrokken zijn, hoelang de verzoeker uiteindelijk heeft moeten wachten na inmenging op een besluit en de redenen van de rechtbanken om extra tijd te gunnen. Wat viel ons op:

Veelplegers

We zien dat de afgelopen jaren (2020-2021) vooral op rijksniveau niet-tijdig wordt beslist waarbij ook de gang naar de rechter wordt gevolgd (50%, met LNV als koploper (11%)). De twee jaren ervoor lag het zwaartepunt bij gemeenten (40%) die te laat waren en daarvoor voor de rechter moesten verschijnen. In 33% betrof het bestuursorganen van het rijk, waarbij de Minister van LNV (13%) koploper was.

Welke rechtbank schiet een beetje op?

De VWS kwesties zijn bijzonder omdat een zitting werd ingelast. In de regel is dat niet nodig bij beroepen niet-tijdig beslissen. De termijnoverschrijding is helder. De omstandigheden van het geval kunnen schriftelijk worden meegedeeld. Op grond daarvan kan de extra tijd (zie hierna) worden bepaald.

Dit alles zou dus niet veel tijd hoeven kosten en zou bijna een standaard werkwijze veronderstellen. Toch maakt het uit bij welke rechtbank de procedure is opgestart. In de periode 2018-2019  werd er in 27% van de onderzochte zaken binnen twee maanden uitspraak gedaan. In 40% van de zaken was de termijn 6 maanden of langer. Met betrekking tot deze periode nam vooral Rechtbank Rotterdam haar tijd; in 70% van de gevallen deed de Rechtbank Rotterdam er 8 maanden of langer over om uitspraak te doen. In 2020-2021 werd er in 32% van de zaken binnen twee maanden uitspraak gedaan, tegenover 36% van de zaken waarbij de termijn opliep tot (langer dan) een half jaar. Hierbij is opvallend dat Rechtbank Zeeland-West redelijk snel uitspraak doet. In 75% van de onderzochte zaken doet Rechtbank Zeeland-West binnen drie maanden uitspraak. Rechtbank Midden-Nederland zit daarentegen boven het gemiddelde en doet er in 75% van de gevallen 8 maanden of langer over om tot een uitspraak te komen.

Extra tijd

Het maakt ook uit bij welke rechter je komt wat betreft de aan het bestuursorgaan gegunde extra tijd. De rechter moet immers – na een gegrond (want niet-tijdig) beroep – een nieuwe periode bepalen waarbinnen tot besluitvorming moet worden overgegaan. De door de rechtbanken gegunde tijd is soms twee weken (het uitgangspunt van de wet) en soms acht weken (met een uitschieter van 8 maanden dus recent). Vooral de omvang van het aantal documenten, of de noodzaak om nog zienswijzen te vragen worden aangegrepen om wat meer tijd dan twee weken te gunnen. Het onderzoek laat zien dat die extra tijd vooral de afgelopen 2 jaar wordt gegund. Daarvoor werd toch vooral aangehaakt bij de standaard twee weken.

Beslistermijn van 8 weken wordt uiteindelijk…

De uitkomst na dit alles, dus voor de verzoeker die ook nog de moeite heeft genomen een procedure op te tuigen, is enigszins treurig te noemen. Uiteindelijk krijgt het bestuursorgaan namelijk gemiddeld zo’n 15 maanden (in plaats van 8 weken dus) om uiteindelijk een besluit te nemen op een verzoek. Of dat wordt gehaald en de kwaliteit van die besluitvorming kon voor nu niet worden vastgesteld. Maar laten we ervan uitgaan dat de meeste bestuursorganen het (toch vriendelijke) standje van de rechter wel voldoende opvolgen. VWS zegt het te doen, maar – gegeven het hoger beroep – dus wel met de handrem erop! Wordt vervolgd…

Volgende ronde vragen van de Eerste Kamer over de Wet open overheid

Zoals vorige week al opgemerkt (zie update) zou nog een extra ronde aanvullende vragen – in de vorm van een nader voorlopig verslag – worden gesteld aan de initiatiefnemers van de Wet open overheid. De memorie van antwoord, waarin de eerste vragen werden beantwoord (zie deze update), was kennelijk onvoldoende. Dit nader voorlopig verslag verscheen op 8 juni. Nuttige vragen die open eindjes en onduidelijkheden verder moeten inkaderen zodat de rechter hier straks ook iets mee kan. Hieronder een eerste bespreking.

Wat te doen met het geanonimiseerd verstrekken van de persoonlijke beleidsopvattingen?

Een deel van de vragen ziet vooral op de nieuwe beleidslijn van het kabinet om beslisnota’s en beslisdocumenten openbaar te maken in geanonimiseerd vorm (zie de brief van 30 april jl. (zie update)). Of dit valt onder het begrip document. Nu kan genoeg commentaar worden geleverd op de definities van document en publieke informatie – zie deze blog bijvoorbeeld – maar duidelijk is wel dat de beslisnota’s e.d. gewoon op te vragen zijn via de Wob en de Woo.

Met de poging van de initiatiefnemers om het niet-juridische begrip ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ in artikel 5.2 te duiden lijkt de Kamer wel tevreden. Wel merkt men op – dat deed ik eerder al in de artikelsgewijze toelichting –  dat niet navolgbaar is waarom de waterschappen buiten beeld blijven. Het verzoek aan de regering wordt gedaan om alvast een wijziging van de Woo voor te bereiden na inwerkingtreding (kennelijk ziet de PvdA het dus grosso modo wel zitten met de Woo).

Uitleg van de actief openbaar te maken informatie

Verder is de kamer vooral bang voor de eigen transparantie. Zie bijvoorbeeld de vragen over de actieve openbaarmakingsplicht van artikel 3.3 en de informatie-uitwisseling tussen fractieleden, fracties etc.

Wel nuttig voor vele bestuursorganen zijn de verduidelijkingsvragen over een aantal categorieën van artikel 3.3. Want wat wordt precies bedoeld met ‘ter behandeling ingekomen stukken’ (ik merkte het al eerder op in 2016 in het Gemeentestem-artikel, deel II, onder paragraaf 5.4.2)? En wat geldt precies qua moment van actieve openbaarmaking als een document misschien in twee categorieën valt die zijn genoemd in artikel 3.3, lid 2?

Ook het verlies aan autonomie – door de plicht om PLOOI te gebruiken (door artikel 3.3b) – is een in trainingen veel gehoorde vraag. De PvdA stelt hem terecht. Wel opvallend, alleen vanuit de eigen positie redenerend, terwijl het natuurlijk alle organen die onder de Woo vallen raakt!

Ook de vragen over de nog wat onbestemde overgangsbepaling van artikel 10.2 e.v. (over de band van vragen over artikel 10.3) zijn nuttig. Want wanneer gaat nu welke verplichting gelden qua actieve openbaarmaking?

Eigen inbreng of opgelegd plan?

Ook relevant – ook voor anderen – is de vraag naar de rol en invloed van organen die onder de Woo zullen vallen over het meerjarenplan (wat moet leiden tot een goede informatiehuishouding).

We zien uit naar de antwoorden van de initiatiefnemers en de regering… Over vier weken zou dit moeten volgen.

Meer over dit – en al het andere van de Woo – is te horen a.s. 29 juni, bij de Praktijkgerichte training.

 

Initiatiefnemers Wet open overheid reageren op de Eerste Kamer

Eerst volgde de toch – voor de huidige praktijk al – baanbrekende brief vanuit BZK als reactie (ook) op de vragen van de Eerste Kamer fracties op 30 april jl. (zie deze update). Baanbrekend omdat het kabinet al vol vooruit loopt op de inwerkingtreding van de Wet open overheid. 7 mei was het de beurt aan de initiatiefnemers zelf om in een Memorie van Antwoord te reageren op alle vragen.

Wat leert deze MvA:

  1. er komt geld vanuit het rijk voor alle overheden zodat werk gemaakt kan worden van het op orde krijgen van de informatiehuishouding (om daarmee ook aan kritiek – zoals geuit in het kader van ‘Ongekend Onrecht’ – en de bottleneck voor het eerdere documentenregister weg te nemen).
  2. de roep van enkele fracties tot meer radicale wijzigingen stuit volgens de initiatiefnemers op de uitvoerbaarheid (zoals onder meer gesignaleerd door ABDTOP consult en in de Gemeentestem-artikelen I en II (binnenkort verschijnt deel III waarbij de Woo in de huidige staat wordt besproken)).
  3. ook overigens zien de initiatiefnemers voldoende basis in de Woo om aan te zetten tot een cultuuromslag (denk vooral aan de anoniem te verstrekken persoonlijke beleidsopvattingen (meer gebruik van artikel 5.2, tweede lid en de aanzet concreter in het derde lid van dit artikel).
  4. dit samenvattend stellen de initiatiefnemers vooral om nu maar door te gaan – de Woo als mooie start om verder te werken aan transparantie en cultuuromslag – in plaats van weer gaat praten (onder het huidige kader) over waar het nog anders of beter zou moeten.
  5. de spanning met Tromso wordt op onderdelen wel erkend, al wordt ook erkend dat dit verdrag politiek nooit is omarmd. De initiatiefnemers achten de Woo in elk geval meer in overeenstemming met het verdrag van de Wob.
  6. in reactie op de PvdA vragen – geïnspireerd op de artikelsgewijze commentaar op de Woo zo lijkt het – over intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen maken de initiatiefnemers een en ander duidelijk:
    1. het niet opnemen van een definitie van “intern beraad” wil niets zeggen. Hetzelfde wordt bedoeld als onder de Wob. Waarom dan toch niet definiëren zoals je dat ook doet in de Wob?
    2. het woord ambtelijk in de omschrijving van de persoonlijke beleidsopvatting betekent dus ook niet dat externen (zonder eigen belang) ook bij het intern beraad kunnen zijn betrokken. Waarom dan komen met een nieuwe definitie van “persoonlijke beleidsopvattingen” als je kennelijk toch hetzelfde hebt willen regelen als onder de Wob?
    3. overigens wordt wel iets veranderd, wat louter objectieve gegevens vallen er onder de Woo toch echt niet meer onder.
    4. het niet juridische begrip “formele bestuurlijke besluitvorming’ leggen de initiatiefnemers (met de tekst bij het amendement) uit dat het gaat om alle besluiten, ook over beleidsvoorbereiding e.d., dus niet alleen 1:3-Awb besluiten. Ook ‘besluitvorming dus van ambtsdragers die niet persé bestuursorgaan zijn (en dus strikt genomen niet tot besluitvorming op Woo-verzoeken zullen overgaan!).
  7. het niet naleven van de verplichtingen tot actieve openbaarmaking (3.3 Woo) kan volgens de initiatiefnemers enkel getoetst worden door de rechter n.a.v. een afgewezen verzoek om informatie (op grond van 4.1 Woo) dan wel politiek-bestuurlijk aan de kaak worden gesteld.
  8. artikel 5.4 Woo – strikt genomen alleen een absolute weigeringsgrond voor formatie-informatie – is breder, want ziet ook op informatie in de periode van verkenning (denk aan de gespreksverslagen met de verkenners die openbaar gemaakt werden na ‘Omtzigt, functie elders’).

Volgende belangrijke datum is 1 juni. Dan reageert de Eerste Kamer weer schriftelijk in de vorm van een nader voorlopig verslag.

BZK over de Wet open overheid (en 68 Grondwet én nu al de Wob)

De initiatiefnemers moeten nog reageren op de door de fracties van de Eerste Kamer gestelde vragen. Dat ontslaat de regering en de minister van BZK niet van haar taak om ook input te leveren. Zij is hierbij immers adviseur. Die input volgde 30 april, de dag na het debat over de ministerraadnotulen met direct ook maar een reflectie op artikel 68 van de Grondwet (link naar de brief). Belangrijker is nog dat het kabinet kennelijk heeft besloten ook onder de Wob nu al ruimhartiger om te gaan met het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen.

Belangrijk wetsvoorstel volgens het kabinet

Na alle hectiek rond Ongekend Onrecht, ‘functie elders’ en de ministerraadnotulen wordt de Wet open overheid door het kabinet – zo leert de brief – als een belangrijk wetsvoorstel gezien. Juist gelet op de gebleken noodzaak tot verandering in de bestuurscultuur, verbetering van de informatiehuishouding, meer transparantie en daarmee meer vertrouwen. Die steun voor de Woo van kabinetszijde was bij aanvang in 2012, en ook na aanvaarding in 2016 (de Woo zonder novelle), nog ver te zoeken.

Persoonlijke beleidsopvattingen

Sinds Ongekend Onrecht staan de persoonlijke beleidsopvattingen onverminderd in de spotlights. Bij een bespreking van artikel 5.2 in het Woo-boek wordt al opgemerkt dat door het woord ambtelijk mogelijk een beperking van betrokkenen bij het intern beraad (onbedoeld) wordt voorgesteld. De PvdA-fractie stelt daarover ook vragen (zie deze update op LinkedIn). Die worden door de minister niet beantwoord. Wel erkent de minister dat relevante wijzigingen zijn aangebracht inzake het openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen (p. 5). Of zij de lezing deelt dat straks externen – ingehuurd door de overheid – niet meer bij het intern beraad zijn betrokken, wordt hiermee niet duidelijk. Wellicht dat ze enkel doelt op de verplichte anonieme openbaarmaking door bestuursorganen (en ambtsdragers) op het niveau van het rijk, de provincie en de gemeente.

Erg bijzonder wordt de brief daar waar de minister in elk geval stelt (p. 4) dat het kabinet toch wel – daar waar Rutte het mondeling wel zei, maar de kabinetsbrief na Ongekend Onrecht toch anders suggereerde – nu al anders om zal gaan ook bij Wob-verzoeken! De scherpere definitie van persoonlijke beleidsopvattingen wordt gehanteerd. Opvattingen in documenten ouder dan 5 jaar worden nog eerder openbaar gemaakt. En bij gevoelige dossiers zal eerder tot anonieme verstrekking over gegaan! De hint van de Raad van State op 24 februari is daarmee dus opgepakt.

Het eveneens in het Woo-boek gesignaleerde ‘vuiltje’ dat de wethouder wordt genoemd in artikel 5.2, derde lid, terwijl die natuurlijk geen bestuursorgaan is (en dus geen Woo-besluiten zal nemen) accepteert de minister wat impliciet.

Formatie-informatie (en ook verkennersinformatie)

Bij de ontwikkelingen rond ‘functie elders’ werd uiteindelijk besloten de gespreksverslagen van de gesprekken tussen fractievoorzitters en de verkenners openbaar te maken. Ik merkte toen al op dat hiermee een breuk met de harde geheimhouding werd geforceerd, regelrecht ingaand tegen artikel 5.4 van de Woo (zie deze tweet). Enige kritiek kwam daarop los door te stellen dat het natuurlijk ging om informatie in de verkenningsfase en dus niet de formatie. De minister past de door mij gesignaleerde analogie een op een toe en merkt de informatie bij de (in)formateur of verkenner aan als informatie waar artikel 5.4 op ziet.

68 Grondwet

Over de informatievoorziening aan de Kamers merkt de minister terecht op dat dit iets anders is dan de Woo (of Wob) (zie ook eerder al in dat kader deze column op Binnenlands bestuur). Wel merkt de minister op dat per 1 juli – zoals ook al aangekondigd in de kabinetsreactie op Ongekend Onrecht – dat de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen geen reden meer zal zijn voor het niet verstrekken van informatie aan de Kamers (geen rol meer bij het inroepen van ‘het belang van de Staat’ als in artikel 68 Grondwet). Zie daarover deze column op Binnenlands bestuur.

Terecht stelt de minister dat de weigeringsgrond van 68 Grondwet beperkter is dan de uitzonderingen van de Woo. Erkend wordt dat Kamerleden meer informatie tegemoet zouden moeten kunnen zien, desnoods vertrouwelijk. De afgelopen week besproken mogelijkheid – dat het niet verstrekken aan de Kamer wegens ‘het belang van de Staat’ de Wob-weg onverlet laat (zie deze update) – wordt niet besproken.

Wel wordt gesteld dat de mogelijkheid van vertrouwelijk verstrekken aan Kamerleden en – indien de Kamer zich daarin niet kan vinden – de mogelijkheid om een bewindspersoon daarop aan te spreken, onder de Woo niet bestaat. In bepaalde gevallen is dat natuurlijk wel aan de orde. Bij de bijzondere verstrekkingen van artikel 5.5, artikel 5.6 en artikel 5.7. Degene die inzage krijgt kan natuurlijk bezwaar maken tegen het besluit en de gestelde voorwaarden.

Hoe ook, de brief vormt een mooie laatste indruk van kabinetszijde. Een visie dit een aanzet kan vormen voor de Tweede Kamer-commissie die zich, na een aangenomen motie van Volt, zal gaan buigen over de opvatting van de Kamer over 68 Grondwet (zie hierover deze LinkedIn-update).

 

Boekoverhandiging aan de initiatiefnemers van de Wet open overheid, Bart Snels en Steven van Weyenberg

De laatste tijd ging het veel over openbaarheid van overheidsinformatie, denk maar aan de Kinderopvangtoeslagenaffaire. De Wet openbaarheid van bestuur vormt daarbij een belangrijk kader. Die wet zou niet goed meer werken. Volgens journalisten, wetenschappers, én enkele Kamerleden.

Die Kamerleden kwamen uiteindelijk met de Wet open overheid. Die werd aangenomen in 2016. Een wijzigingswet bleek daarna nog nodig. Die wet – van de Kamerleden Bart Snels en Steven van Weyenberg – is op 26 januari 2021 aanvaard door de Tweede Kamer. Aan deze Kamerleden mocht Cornelis van der Sluis het boek ‘Wet open overheid’ overhandigen. Hieronder en videoverslag van dit moment.

Het boek ook ontvangen én een training volgen over de Woo? Dat kan op 4 mei en weer in juni.

Bart Snels ziet het belang van de Woo en het boek voor de leden van de Eerste Kamer, “En verder natuurlijk voor heel veel mensen in de praktijk, journalisten, wetenschappers. Iedereen die informatie zoekt en wil van de overheid kan het een manier zijn om te kijken hoe je de informatie sneller krijgt.”

“Zonder transparantie geen controle en zonder controle geen democratie”, zo laat Steven van Weyenberg optekenen om het belang van de Woo te onderstrepen. “de Wet openbaarheid bestuur die was ooit heel modern, maar is dat eigenlijk al niet meer.
En met deze wet kiezen we voor meer actieve openbaarmaking en zorgen we dat je ook makkelijker kunt vinden wat de overheid heeft gedaan, waarom ze besluiten heeft genomen.”

Met Pro Facto: ‘DoeMee-onderzoek’ van NVRR uit over de Wob

Samen met Pro Facto zal Cornelis van der Sluis de komende tijd een onderzoek uitvoeren. Het betreft een onderzoek in het kader van het jaarlijkse NVRR-DoeMee-onderzoek. De NVRR is de Nederlandse Vereniging voor Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR). Het thema van DoeMee2021 is De praktijk van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij decentrale overheden. Naar verwachting doen er deze keer meer dan 70 rekenkamer(commissie)s mee; samen goed voor bijna 90 decentrale overheden (gemeenten, provincies en waterschappen).

Zie verder dit bericht op de site van Pro Facto.