Dit is de categorie voor publicaties

Van der Sluis op ‘Omgevingsweb’; Hoe de Woo ‘werkt’ bij het opvragen van (informatie over) omgevingsvergunningen

Een blog, geschreven voor Omgevingsweb. Hier opgenomen met enkele links naar andere bronnen (dergelijke externe links zijn niet toegestaan op Omgevingsweb).

Sinds 1 mei 2022 heeft bestuursrechtelijk Nederland afscheid moeten nemen van de oude vertrouwde Wet openbaarheid van bestuur. De Wob is immers per die datum ingeruild voor de Wet open overheid. We Wobben dus niet meer maar…. Tsja, wat doen we dan eigenlijk? De handen zijn nog niet op elkaar om te spreken van Woo-en.

Woo = Wob?

Hoe dat ook zij, het systeem van de Wob is op onderdelen terug te vinden in de Woo. We kennen nog altijd het recht voor eenieder om informatie op te vragen bij de overheid (artikel 3 Wob is op hoofdlijnen herkenbaar in artikel 4.1 Woo). Die overheid moet vervolgens documenten verzamelen en beoordelen, eventueel ‘met behulp van’ een derde belanghebbende die zijn zienswijze geeft. De beoordeling van de informatie komt tot uitdrukking in een besluit waarbij documenten zijn gevoegd. Een besluit dat niet (zoals bij de Wob) binnen twee keer vier weken, maar binnen vier weken met de mogelijkheid van een verdaging met twee weken moet zijn genomen (artikel 4.4).

De documenten worden al dan niet openbaar gemaakt, soms met zwarte, rode of blauwe strepen. Met die ‘weglakkingen’ wordt informatie geheim gehouden vanwege een belang dat zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.

Dit proces na zo’n verzoek, de passieve vorm van openbaarmaking, komt dus in zekere zin terug in de Woo. Toch verandert er, naast de al genoemde termijnen, wel het nodige. Zowel in het proces, als ook waar het de redenen om informatie niet te geven, de weigeringsgronden (de Woo spreekt van uitzonderingen, zie hoofdstuk 5 Woo), betreft. Enkele verschillen komen hieronder aan bod als we bezien hoe de Woo ‘werkt’ bij het opvragen van (informatie over) omgevingsvergunningen.

Voordat we dit bespreken aan de hand van vier situaties die samenhangen met de staat waarin de aanvraag om een omgevingsvergunning zich bevindt, zij eerst nog gewezen op een andere belangrijke wijziging van de Woo ten opzichte van de Wob. Want los van de passieve vorm van openbaarmaking kennen we ook de mogelijkheid tot actieve openbaarmaking (artikel 8 Wob). Transparantie door de overheid zelf, zonder dat iemand daarom vraagt. Daar werd te weinig gebruik van gemaakt door de overheid, aldus de initiatiefnemers van de Woo. En dus volgt uit de Woo – op termijn – een concrete verplichting tot het actief openbaar maken van de nodige documenten. Daarover straks meer.

Openbaarmaking op verzoek van (documenten over) omgevingsvergunningen

Want eerst wordt dus ingegaan op de passieve openbaarmaking aan de hand van een viertal situaties.

Eerste situatie: van aanvraag tot vergunningverlening

Een eerste situatie die bespreking behoeft, is de situatie waarin de vergunning is aangevraagd, maar nog niet op de aanvraag is besloten. Alle documenten, waaronder ook de app-wisseling tussen de ambtenaar en de aanvrager van de vergunning of diens adviseur, over de aanvraag en de aanvraag zelf vallen in potentie onder een verzoek om informatie over dat specifieke project of alle vergunningaanvragen in die specifieke periode. Bijzonder is dat ook informatie die had behoren te berusten bij de overheid – maar dat om een of andere reden niet (meer) doet (door slecht archiveren bijvoorbeeld) – gevorderd kan worden bij iemand die de informatie nog wel heeft, zoals de aanvrager van de vergunning (artikel 4.2, lid 2).

De informatie is nog niet openbaar dus de uitzonderingen van de Woo zouden aan openbaarmaking in de weg kunnen staan. Misschien dat bedrijfsgevoelige informatie geheim kan worden gehouden (artikel 5.1, lid 1 onder c of artikel 5.1, lid 2 onder f). Ook namen en andere persoonsgegevens kunnen zo mogelijk worden onthouden aan de openbaarheid (artikel 5.1 lid 2 onder e), al vormt dat zeker een afweging van belangen. Ook de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage zou een reden kunnen zijn om bepaalde delen van de aanvraag of onderliggende informatie niet te verstrekken (artikel 5.1, lid 2 onder h). Tot slot zou nog gedacht kunnen worden aan de bescherming van het milieu als reden om informatie juist niet te verstrekken (artikel 5.1, lid 2 onder g). De nadruk wordt gelegd op ‘juist niet’, omdat het zijn van milieu-informatie maakt dat informatie in de regel juist eerder moet worden verstrekt omdat in dergelijke gevallen niet alle uitzonderingen (evenzeer) kunnen worden ingeroepen.

Overigens zal de veel onder de Wob ingeroepen ‘onevenredige benadeling’ minder snel meer een factor van belang kunnen zijn. Die uitzondering is immers extra bijzonder gemaakt – ‘alleen in uitzonderlijke gevallen’ in te roepen – en kan nooit subsidiair – in combinatie – met één van de andere uitzonderingen aan een weigering ten grondslag worden gelegd (artikel 5.1, lid 5).

Documenten die alleen zijn gedeeld binnen de overheid, al dan niet met door haar ingehuurde adviseurs, kunnen eventueel geheim blijven met een beroep op de bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten van intern beraad (artikel 5.2). Merk op dat met de Woo in dit kader een meer beperkte definitie van het begrip beleidsopvattingen is gegeven. Gaat het om overwegend objectieve informatie, dan is al geen sprake (meer) van dergelijke opvattingen en zal dus sneller tot openbaarmaking moeten worden overgegaan. De Woo en de rechtspraak onder de Wob gaan overigens uit van het eerder anoniem openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen (zie artikel 5.2, lid 2 en 3). Die heeft nog een ‘boost’ gekregen door ‘Ongekend Onrecht’ en de vermeende Ruttedoctrine.

Een ander nieuw aspect is dat informatie die ouder is dan vijf jaar ook eerder openbaar gemaakt zal moeten worden (artikel 5.3).

Tweede situatie: vergunningverlening, terinzagelegging

De beoordeling van de informatie pakt anders uit in de volgende situatie: de aanvraag heeft tot een vergunning geleid en een en ander ligt ter inzage. Net als de Wob ziet de Woo op niet openbare informatie. Informatie die wel openbaar is – vanwege een terinzagelegging – valt dus buiten de Woo. Strikt genomen hoeft over die informatie dan ook niet te worden beslist. Wel vraagt de Woo – anders dan de Wob – van de overheid dat de verzoeker wordt gewezen op de al beschikbare (openbare) informatie, met het besluit waarmee wordt beslist op het voorliggende Woo-verzoek (artikel 4.5, lid 2).

Alle bijkomende informatie – die niet ter inzage ligt – wordt beoordeeld zoals hiervoor bij de eerste situatie ook beschreven, met in achtneming van de uitzonderingen.

Derde situatie: omgevingsvergunning is verleend

Is de vergunning verleend, maar berust alle informatie nog bij de overheid omdat het nog niet gearchiveerd is, dan blijft al het voorgaande over het beoordelen van documenten gelden. Dat iets ter inzage gelegen heeft doet daaraan niet af. De informatie is na terinzagelegging immers niet (meer) openbaar.

Informatie moet ook beoordeeld worden als een en ander wel gearchiveerd zou moeten zijn, maar de archivering nog altijd niet ter hand is genomen.

Vierde situatie: de omgevingsvergunning is overgedragen aan het archief

Is de informatie wel rechtmatig gearchiveerd dan ziet de Woo niet meer op die informatie, maar geldt de Archiefwet. De informatie moet dan worden opgevraagd bij de archiefbewaarplaats.

Actieve openbaarmaking

Aan het begin van dit blog is toegezegd dat wordt ingegaan op de actieve openbaarmaking. De Woo wil daarin immers voorzien in een trendbreuk. De wet wijst specifieke categorieën van documenten aan die actief openbaar gemaakt moeten worden (artikel 3.3). Zo ook beschikkingen (zoals omgevingsvergunningen), waarvoor dan wel weer is voorzien in 21 soorten beschikkingen die zijn uitgezonderd van deze plicht. Daarin is bijvoorbeeld opgenomen het besluit tot afwijzing van een aanvraag (zie sub 21). Maar weer expliciet niet het besluit tot oplegging van een bestuurlijke herstelsanctie die geen betrekking heeft op het omgevingsrecht, het milieurecht of anderszins betrekking heeft op emissies in het milieu (zie a contrario sub 6).

Omgevingsvergunningen zullen dan ook in de regel actief openbaar gemaakt worden, maar niet dus als de aanvraag wordt afgewezen. Uiteraard kan de aanvrager tegen de openbaarmaking als belanghebbende nog wel opkomen. Eerst in de vorm van een zienswijze (zie o.a. artikel 3.3, lid 5 sub h en i). Daarna met een bezwaarschrift en een verzoek om een voorlopige voorziening (artikel 3.3, lid 7). Want dat deze documenten zijn aangewezen in artikel 3.3 laat onverlet dat ten aanzien daarvan wel een beoordeling moet worden gemaakt in het licht van de al genoemde uitzonderingen van hoofdstuk 5. Er kunnen dus ook in dit verband nog belangen aan de orde zijn die aan openbaarmaking in de weg staan.

Nu dit proces van actief openbaar maken – en dus vooraf beoordelen van de informatie – nogal wat gaat betekenen voor de praktijk, heeft de wetgever voor dit onderdeel voorzien in overgangsrecht. De verplichtingen in dit kader zullen de komende jaren gefaseerd in werking treden. De beschikkingen zullen wat later in de tijd – met een jaar of 5 – ook aan de beurt zijn, zo is de verwachting. De initiatiefnemers van de Woo hebben de hoop uitgesproken dat het hele artikel 3.3 met een jaar of acht in werking zal zijn getreden.

Conclusie

Kortom, als het gaat om (dossiers aangaande) omgevingsvergunningen verandert er met de Woo niet schrikbarend veel als het gaat om het openbaar maken naar aanleiding van een ingekomen Woo-verzoek. Termijnen zijn wat korter om verzoeken af te handelen, weigeringsgronden zijn soms wat anders maar op hoofdlijnen is een en ander goed vergelijkbaar met de Wob.

Anders is het op termijn als het gaat om dat wat actief openbaar wordt gemaakt. Dat zal gaan gelden voor de omgevingsvergunningen. Belanghebbenden krijgen nog de gelegenheid daar iets van te vinden, maar het uitgangspunt is dat die informatie openbaar wordt gemaakt.

De contactpersoon; een onbedoeld bestuursorgaan

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft een belangrijke rol bij informatievoorziening. Ook bij de Wet open overheid. Meestal gaat dit goed. Soms niet helemaal en lijkt meer sprake van ‘wens-denken’. Bijvoorbeeld als het gaat om de wat vreemde figuur van de Woo contactpersoon.

Op de vragen-en-antwoorden site over de Woo wordt ingegaan op een vraag in dat verband die mede voortvloeit uit ‘Wet open overheid. Artikelsgewijze toelichting, voor de praktijk besproken’. In dit boek wordt immers gesteld dat de wetgever met artikel 4.7 en de daar genoemde contactpersoon een bestuursorgaan heeft gecreëerd (zie ook paragraaf 2.3 in dit artikel in ‘de Gemeentestem’). Een en ander – ook over de wat onduidelijke rol van de contactpersoon – is ook al eerder besproken in een blog.

Toch even dit bericht ter nadere duiding (mede gegeven ook vragen uit de praktijk). Dat sprake is van een bestuursorgaan is zeker niet de wens geweest van ‘de wetgever’, ook niet de gedachte maar wel het simpele gevolg dat de wens bestond de contactpersoon in de wet te verankeren. Met het regelen in artikel 4.7 is immers een publiekrechtelijke grondslag gecreëerd. De aanwezigheid van die grondslag is bepalend voor de vraag of sprake is van een bestuursorgaan. Nu die er is, is de contactpersoon een orgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, onder a, van de Awb. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak van de Raad van State.

Dat het een ambtenaar is, dat de persoon geen besluiten neemt (al laat de toelichting bij de Woo die ruimte wel) of dat hij of zij (juridisch gesteld) niet met enig openbaar gezag is bekleed, doet er niet toe.

NB: die rol kan ook niet doorslaggevend zijn qua betekenis om te stellen dat de contactpersoon niet bij besluit zou moeten worden aangewezen (zoals wordt gesteld in een ander antwoord de VNG site). Zie over het aanwijzen eerder dit blog.

Geaccordeerde aanpak VWS geen vrijbrief voor vertraging openbaarmaking appjes over de mondkapjesdeal

De week begon met de nodige reuring over het niet naleven van een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam door de Minister van VWS. De suggestie werd gewekt dat VWS liever EUR 15000,– betaalt dan appjes van de ex-minister openbaar maakt. Dat was natuurlijk niet zo.

Want hoe zat het?

  • VWS besliste niet tijdig op het verzoek van De Volkskrant om openbaarmaking van “alle informatie over de mondkapjesovereenkomst van verweerder en [de persoon]” (dus meer dan alleen de appjes).
  • VWS liet het aankomen op een beroep niet-tijdig waarover de Rechtbank Amsterdam zich dus uitliet.
  • VWS gaf vervolgens de voorkeur aan het volgen van de eigen aanpak voor het afhandelen van alle Woo-verzoeken naar de corona-aanpak.

Dat laatste maakte dat de termijn die de rechtbank stelde ook niet werd gehaald. Dat is de teneur van de eerste reactie vanuit VWS eerder deze week, die we bevestigd zien in antwoorden van 22 juli jl. van de Ministers van VWS op vragen van de Tweede Kamer. Antwoorden die maar weer eens bevestigen dat al die Woo-verzoeken natuurlijk gewoon geld kosten, zodat al snel sprake is van een verdelingsvraagstuk (zie column). Het beantwoorden van deze vragen zal alweer de nodige capaciteit hebben weggenomen. Mensen die anders documenten hadden kunnen beoordelen.

Maar goed, terug naar de beantwoording. Wat opvalt, is dat VWS blijft herhalen dat de Raad van State de gekozen aanpak heeft geaccordeerd. Het klopt dat de Raad van State op 20 oktober (zie update) in de zoektocht naar de afhandeling van veel verzoeken over een onderwerp, of omvangrijke c.q. complexe verzoeken heeft geaccepteerd dat gewerkt wordt met deelbesluiten.

Dat laat alleen onverlet dat de Raad van State ook stelt dat wel in strijd met de wet de termijnen niet worden gehaald. Dan staat natuurlijk de weg open naar de rechter om die een oordeel te laten geven over het wel of niet tijdig beslissen. De rechter stelt de strijdigheid met de wet vast en die moet vervolgens een redelijke termijn bepalen waarbinnen het bestuur alsnog tot een besluit komt. Daarbij kijkt de rechter naar de bijzondere omstandigheden. Daarbij horen onder andere de opstelling van de verzoeker – was die bereid wat mee te denken – maar ook de inspanningen van het bestuur én bijvoorbeeld ook het feit dat het gaat om journalisten die op grond van 10 EVRM het recht hebben om inlichtingen te ontvangen van de overheid. Zodoende komt de Rechtbank Amsterdam tot een termijn van vier weken na de uitspraak en in de kwestie(s) van oktober 2021 de Raad van State tot een termijn van twee maanden.

En daar gaat het dus een beetje mank in de redenering van VWS. De aanpak is goed bevonden, maar maakt niet dat geen acht hoeft te worden geslagen op termijnen die de wet of uiteindelijk de rechter stelt. Een poging om de Raad van State te laten oordelen dat een eenmaal gekozen aanpak niet kan worden ‘gestoord’ door een uitspraak van de rechter die een termijn stelt het immers niet:

De Afdeling realiseert zich dat de door haar te geven opdracht, gelet op de vele en omvangrijke Wob-verzoeken die de minister heeft ontvangen over aan Covid-19 gerelateerde onderwerpen, mogelijk als gevolg heeft dat het langer duurt voordat op andere Wob-verzoeken een besluit wordt genomen, zoals de minister heeft aangevoerd. Dat is echter het gevolg van het recht dat bestaat om tegen het uitblijven van een besluit beroep in te stellen.

Daarmee onderstreept de Raad van State dus dat de zaak van degene die ‘piept’ (beroep niet tijdig indient) – in dit geval dus De Volkskrant – op zichzelf moet worden beschouwd wat de Rechtbank Amsterdam ook expliciet deed. Geenszins is dus geoordeeld dat gestelde termijnen in de wind geslagen kunnen worden met een beroep op “de gekozen aanpak”. In zoverre is de goedgekeurde aanpak dus geen vrijbrief. Iets wat VWS er ogenschijnlijk een beetje van maakt.

Opvallend is overigens nog dat bij de beantwoording wordt gesteld dat eerder een termijn van augustus is genoemd als haalbaar. Waar dit is gecommuniceerd, was voor nu even niet te achterhalen. Wel blijkt uit de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam dat mei 2022 werd genoemd in het verweerschrift:

“Hij verwacht in mei 2022 met het nemen van het laatste deelbesluit volledig op het Wob-verzoek van eiseres te hebben beslist.”

Een termijn die dus kennelijk toch niet haalbaar is gebleken. Des te meer een gemiste kans van De Volkskrant om zich niet weer tot de rechtbank te wenden. Bij het niet halen van een eerder genoemde termijn is de Rechtbank Amsterdam immers niet echt coulant gebleken (zie update).

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 19 juli 2022; Openbaarheid van informatie is (ook) een verdelingsvraagstuk

Het artikel in de Volkskrant van 18 juli over de minister van VWS die geen gehoor geeft aan een gerechtelijke uitspraak die hem dwingt een Wob-verzoek af te handelen, heeft veel stof doen opwaaien. Het ging bij dit Wob-verzoek over communicatie tussen ex-minister Hugo de Jonge en enkele hoge ambtenaren over de ‘Sywertdeal’. Een ogenschijnlijk overzichtelijk verzoek, de documenten waren immers al voor handen ten behoeve van een onderzoek van Deloitte. De Kamer zou nu al terug moeten komen van reces, mensen spraken van een ambtsmisdrijf.

Hoezeer het op z’n zachts gezegd merkwaardig is en onwenselijk dat een minister een uitspraak van een rechter niet opvolgt, is het geen bijzonderheid voor mensen die vaker een Wob-verzoek doen (die tegenwoordig Woo-verzoeken heten). Het gebeurt vaker dat bestuursorganen de volledige dwangsom die de rechter ze oplegt, veelal 15000 euro, betalen en nog niet overgaan tot de afhandeling van het verzoek waar het uiteindelijk allemaal om te doen is. Kwade opzet? Onwil? Onkunde? Een illustratie van de vermeende Rutte-doctrine? Het rijk heeft de schijn tegen zich en is daar zelf debet aan.

Toch is een enkele nuancering op zijn plek. Een verzoek om informatie is bewust een laagdrempelige handeling. De vraag volstaat om – al dan niet met een beroep op de Wob of Woo – te vragen om alle informatie over een bepaald onderwerp en de termijnen (inmiddels 4 weken met de mogelijkheid van een verlenging met nog eens 2 weken) nemen een aanvang. Het is geen nieuws dat ‘alle informatie’ ook daadwerkelijk alle vormen van gegevensdragers vallen. Te denken valt aan appjes, sms-jes, maar ook gewoon nog alle nota’s, memo’s en e-mails.

Een potentieel grote hoeveelheid aan data die verzameld moet worden. Daar doemt een eerste horde op. Want, zo bleek bij de behandeling van de Woo in de Tweede Kamer, de informatiehuishouding is niet op orde. Het is, zacht gezegd, een rommeltje zodat niet alles in het eigen documentbeheerssysteem met één ‘google’-actie is te verzamelen.

Is die horde genomen, dan volgt tweede horde: een verplichte beoordeling van de documenten. Want niet alle informatie mag of moet openbaar worden gemaakt. De privacy van betrokkenen, maar ook bedrijfsgevoelige informatie of opvattingen van betrokkenen kunnen bijvoorbeeld redenen zijn om informatie niet openbaar te maken voor een ieder. Is dat makkelijk? Nou nee. Misschien nog wel voor namen die met handige software onleesbaar kunnen worden gemaakt. Maar ook bij andere informatie kan de privacy in het geding zijn. En ook de andere redenen die in de wet staan om informatie niet te geven vragen een beoordeling van een mens (en het liefst een aantal personen). Bij honderden documenten zijn dus vele mensen betrokken.

Toch gaat de wet er – 4 plus 2 weken – vanuit dat dit, ongeacht het aantal documenten gewoon gebeurt en lukt. De rechter die constateert dat de termijn is overschreden bekijkt dan wat redelijk en haalbaar is en, steeds meer, betrekt daarbij ook de journalistieke belangen. In die zoektocht van de rechter komt een belangrijk aspect aan bod dat nog onderbelicht blijft. Want hoeveel ambtenaren acht de samenleving gerechtvaardigd om alle verzoeken om informatie af te handelen? Bedenk dat het hierbij dus gaat om alle soorten van verzoeken die soms ook wat minder relevant aanvoelen, bijvoorbeeld over de kosten die een gemeente maakt voor het kunnen geven van kerstpakketten aan de medewerkers. Een onderscheid naar nut of noodzaak van een verzoek mag niet worden gemaakt, eenieder is gelijk voor de Woo.

Dus, moet het beter? Ja. Kan het beter? Jazeker! Maar dat wordt, gezien de staat van de informatiehuishouding, zeker op korte termijn een lastige opgave. En bovendien dringt zich dus al snel de vraag op: hoeveel mag dit kosten en ten koste van welk budget gaat dit? Want gaat dit ten koste van de opvang van asielzoekers, de compensatie van de boeren of de afhandeling van de schade vanwege de aardbevingen in Groningen of het tijdig afhandelen van Kamervragen? In de zoektocht naar transparantie zijn we dus ook aanbeland in een verdelingsvraagstuk. En dat perspectief lijkt soms wat op de achtergrond te staan.

Tijdig afhandelen van Wob en Woo-verzoeken. Onwil of een verdelingsvraagstuk?

Na wederom een bericht van de Volkskrant over een Wob/Woo procedure ontstaat er nogal wat reuring. Veel ‘gedoe’ over het feit dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een dwangsom laat vollopen en nog altijd niet tot besluitvorming over gaat, maar een procedure tegen de uitspraak (zonder zitting en ogenschijnlijk niet gepubliceerd) op een beroep niet-tijdig beslissen op het eind toch niet verstandig acht.

Er zal genoeg nuance zijn aan te brengen door VWS en er zullen genoeg redenen kunnen worden opgevoerd waarom het besluit er nog altijd niet is. En vooralsnog is dit het systeem waarmee we het moeten doen. Wachten op een besluit, in gebreke stellen, vervolgens beroep niet-tijdig instellen en de rechter een redelijke termijn laten bepalen. En als die termijn niet gered wordt wederom dezelfde weg bewandelen. Dit is te meer het systeem sinds de uitspraken van de Raad van State over de Wob-corona-aanpak van VWS (zie update).

En daarmee doet dit soort processen ontzettend veel afbreuk aan het aanzien en vertrouwen in de overheid. Moet het beter? Ja. Kan het beter? Ja zeker maar ook dat wordt, zeker op korte termijn (gegeven de staat van de informatiehuishouding), een lastige opgave. Het wordt (ook) al snel ook een verdelingsvraagstuk. Hoeveel ambtenaren vinden we nodig om alle Wob/Woo-verzoeken af te handelen. Ten koste van welk budget gaat dit?

Lastige knopen om te ontwarren…

Meer duidelijkheid over actieve openbaarmaking op grond van de Woo

In januari van dit jaar kon nog wat kritiek worden geuit in een column op Binnenlands Bestuur over het informeren van alle overheden als het gaat om de inwerkingtreding van de actieve openbaarmakingsplichten van de Wet open overheid. Want artikel 3.3 is nog niet in werking getreden, dat volgt pas op termijn. En onduidelijk bleef maar wat kon worden verwacht en wanneer.

In een brief van de Minister van BZK van 8 juli jl. wordt iets meer duidelijkheid gegeven. Als PLOOI (het verplicht voorgeschreven publicatieplatform, artikel 3.3b) zover is, wordt begin 2023 een en ander aan categorieën aangewezen voor alle bestuursorganen (als het een informatiecategorie betreft die voor hen relevant is). Geen onderscheid dus nog per categorie per overheidsinstelling (die optie biedt artikel 10.2 wel).

De categorieën waar men nu aan denkt zijn:

  • bereikbaarheidsgegevens van het bestuursorgaan en wijze waarop een verzoek om informatie kan worden ingediend (Artikel 3.3, eerste lid, onderdeel e, van de Woo);
  • vergaderstukken van vertegenwoordigende lichamen van decentrale overheden (Artikel 3.3, tweede lid, onderdeel c, van de Woo);
  • convenanten (Artikel 3.3, tweede lid, onderdeel f, van de Woo);
  • Woo-verzoeken, inclusief de schriftelijke beslissingen op die verzoeken en de daarbij verstrekte informatie (Artikel 3.3, tweede lid, onderdeel i, van de Woo).

Over het algemeen geen al te ‘spannende’ of lastige documenten. Die laatste categorie is wel meer complex en daar wordt dan ook al een disclaimer voor opgenomen in de voetnoot.

Maar alle overheden doen er dus goed aan om de hier bedoelde categorieën – voor zover dus relevant van hen – wel geschikt te gaan maken voor de actieve openbaarmaking.

Al vaker opgemerkt, maar het kan geen kwaad dit nog eens te doen hier: denk daarbij vooral ook aan de voorkeursvolgorde van artikel 2.4, derde lid. In beginsel wordt als machinaal leesbaar in open formaat, inclusief de metadata verstrekt. Van die modaliteit kan worden afgeweken, maar dat behoeft wel enige uitleg!

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 8 juni 2022; Wie mag zich wenden tot het Adviescollege Openbaarheid en informatiehuishouding?

De sinds 1 mei 2022 in werking getreden Wet open overheid kent meer nieuwe elementen, in vergelijking met de Wet openbaarheid van bestuur, dan je op het eerste gezicht zou denken. Niet zonder gevolgen voor al die lopende Wob-procedures die, door ontbrekend overgangsrecht, verschieten van kleur. Niet de Wob maar de Woo is opeens het wettelijk kader (zie uitgebreider dit blog en de bevestiging van de Raad van State met deze uitspraak).

Een belangrijk nieuw element vormt het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Hoewel het college eerst nog een bescheiden rol had als adviescollege voor parlement en bestuur, is het in de staart van de behandeling van de Woo voorzien van een taak die meer gevolgen kan hebben voor de dagelijkse praktijk. Het heeft immers een ombudsfunctie gekregen. Het Adviescollege zal klachten over de openbaarmaking van informatie in behandeling nemen en daarover adviseren.

Elders schreef ik al dat de uitbreiding bij de wet een haastklus leek (zie uitgebreider al dit blog). Dat blijkt al mooi uit de tekst van de wet zelf waar het gaat over de ombudsfunctie en voor wie dit weg openstaat: “journalisten, wetenschappers of andere naar het oordeel van het college in aanmerking komende groepen met een beroepsmatig belang bij het gebruik van publiek informatie”. Het gaat natuurlijk om “het gebruik van publiekinformatie”.

Maar goed, het Adviescollege krijgt met deze formulering de nodige ruimte om de eigen rol te bepalen. Want wie kan zich nu eigenlijk tot het college wenden met een klacht? Wie zijn die “andere (…) in aanmerking komende groepen”? De inmiddels gelanceerde website van het Adviescollege laat zien dat het college zichzelf niet al te veel werk op de hals wil halen. Het wil zich toeleggen op klachten van “journalisten, wetenschappers en mediaredacties”. Daarmee wordt de groep “andere groepen met een beroepsmatig belang” wel erg beperkt. Een ruimere opvatting zou kunnen zijn dat een adviseur – bijvoorbeeld een advocaat – ook beroepsmatig belang kan hebben bij informatie van de overheid. Met die informatie kan hij of zij de cliënt weer beter bedienen in de advisering of gedurende een procedure. Hoewel de focus op journalisten en wetenschappers meer past bij de kennelijke bedoeling van de wetgever misschien toch een gemiste kans.

Maar goed, veel is nog onduidelijk. Zo zijn nog niet alle vijf de collegeleden benoemd (de eerste drie personen zijn inmiddels benoemd). En ook het precieze moment waarop het Adviescollege operationeel is, is nog onduidelijk. Een brief van de minister van BZK maakt duidelijk dat dit in de loop van 2022 mag worden verwacht. Tijd genoeg nog om de eigen taakopvatting scherp te krijgen en zichzelf misschien een grotere rol toe te dichten. De tijd lijkt er wel rijp voor.

Van der Sluis bij Nieuwsuur 19 mei 2022; #smsgate: ophef om de ophef, of is er meer aan de hand?

Tijdens een zitting in een Wob-procedure werd duidelijk dat de minister-president zijn telefoon nog wel eens ontdoet van de nodige sms’jes. De rumoer die daarop volgde was weer opzienbarend. De vraag rees hoe moet worden omgegaan met dergelijke berichten in het licht van bewaren en behouden ervan. Daar ging deze uitzending van Nieuwsuur over. Cornelis van der Sluis werd voor deze uitzending geïnterviewd.

Kort en goed:

  • alles bewaren hoeft niet (zie de toelichting bij artikel 4.1a van de Woo);
  • alles vernietigen mag niet (zie de handreiking, genoemd in de brief van Rutte);
  • beoordelen van de documenten (dus ook een sms) is nodig bij de keuze wel/niet archiveren;
  • dat blijft mensen werk;
  • prima als iemand anders jouw berichten archiveert;
  • dat doe je alleen niet door ‘lange sms’jes’ door te bellen (Rutte kon ze niet meer doorsturen gaf hij aan).

Al het gedoe begon natuurlijk ooit in 2019, toen de Raad van State oordeelde dat appjes en sms’jes gewoon onder de Wob vallen. In het vervolg in die zaak zegt de Raad van State in 2020 iets over het (blijvend) bewaren van dergelijke berichten. In die zaak loopt nog een procedure. Los daarvan, merk op dat de Raad van State stelt dat het bewaren en bewerken mogelijk in strijd is met de AVG en het niet bewaren niet in strijd hoeft te zijn met de Archiefwet. Bovendien beperkt ze dat stukje niet toevallig tot de privé-telefoon. En laat Rutte nu hebben benadrukt in het debat dat zijn telefoons “van de overheid” (dus zakelijk) zijn.

 

Hoe wijzen we de Woo-contactpersoon aan?

In een vorig blog is al ingegaan op de Woo-contactpersoon en vooral wat deze functionaris doet of kan doen. Uit de wettekst, toelichting en parlementaire geschiedenis kan het volgende over de functie van de Woo-contactpersoon worden opgemaakt. Het gaat om een of meerdere personen binnen het bestuursorgaan. Deze personen dienen goed op de hoogte te zijn van de al dan niet beschikbare informatie binnen het bestuursorgaan. Daarnaast dienen deze personen burgers op een laagdrempelige en klantvriendelijke wijze te informeren over de beschikbaarheid van de informatie en dienen ze burgers te helpen met hun vragen over publieke informatie en het aanscherpen van een Woo-verzoek.

De wet gaat ervan uit dat de Woo-contactpersoon wordt aangewezen door het bestuursorgaan. Hoe gaat dat dan? De wet, toelichting en parlementaire geschiedenis scheppen hier geen duidelijkheid over.

Aansluiting zoeken bij de Functionaris Gegevensbescherming?

Bij de wijze van aanstelling kan aansluiting worden gezocht bij de wijze waarop een functionaris gegevensbescherminig (hierna: FG) aangewezen wordt door een bestuursorgaan. Op grond van artikel 37 van de AVG is een overheidsinstantie of overheidsorgaan dat gegevens verwerkt verplicht een FG aan te stellen. Bestuursorganen stellen een FG aan met een aanwijzingsbesluit. Zie hier en hier voor een tweetal voorbeelden.

Gezien de formulering van zowel artikel 37 van de AVG als artikel 4.7 van de Woo ligt het in de rede om een Woo-contactpersoon op dezelfde wijze aan te wijzen als een FG. Artikel 4.7 van de Woo luidt:

“Ter beantwoording van vragen over de beschikbaarheid van publieke informatie wijst het bestuursorgaan een of meer contactpersonen aan.”

Artikel 37 van de AVG luidt:

“De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker wijzen een functionaris voor gegevensbescherming aan […]”

Eén Woo-coördinator voor meerdere bestuursorganen binnen een overheidsorganisatie?

In de hierboven gegeven voorbeelden van aanwijzingsbesluiten van FG’s is te zien dat binnen een gemeente voor zowel het college van B&W, de burgemeester als de raad één en dezelfde persoon als FG wordt aangesteld. Het kan voor de toegankelijkheid bij het publiek en in het kader van de efficiëntie aangewezen zijn dit bij de Woo-contactpersoon ook te doen.

Maar van een Woo-contactpersoon wordt ook verwacht dat hij of zij goed op de hoogte is van de aanwezige informatie bij het bestuursorgaan en dat hij of zij ook eenvoudige verzoeken zelf afhandelt. In dat kader is het wellicht beter de functie van Woo-contactpersoon op verschillende plekken binnen de organisatie te beleggen.

Kortom

Er is wat de aanwijzing van de Woo-contactpersoon betreft niks geregeld in de Woo. Ook de toelichting of de parlementaire geschiedenis geven hier geen duidelijkheid over. Gezien de formulering van artikel 4.7 van de Woo is het aan te raden aan te sluiten bij de FG en de Woo-contactpersoon via een aanwijzingsbesluit aan te wijzen.

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 22 maart 2022; Even klagen bij/over BZK over de Wet open overheid (3)

Het introductiedossier voor de nieuwe minister van BZK leidde al tot een tweetal columns (zie hier voor de eerste en hier voor de tweede) met de nodige kritiek. Eerst enige kritiek over de wat vreemde manier om met zo’n dossier eindelijk wat inzicht te geven voor de praktijk over wat wanneer lijkt te gaan gelden als het gaat om de actieve openbaarmakingsplichten van de Wet open overheid. Daarna wat kritiek over de onterechte stelling dat de Woo niet zo veel verandert ten opzichte van de Wob. In die laatste column ook het uitspreken van de hoop dat ambtelijk Den Haag zijn oor te luister legt als het gaat om het bedenken van oplossingen voor een groter maatschappelijk probleem. Hoe gaan we om met het spanningsveld tussen verzoeken om openbaarmaking van grote hoeveelheden documenten en de korte termijnen die de wetgever daarvoor – mede ingegeven door internationale regels – stelt.

Tijd voor een laatste punt van kritiek n.a.v. het introductiedossier. Een aspect dat al langer de wenkbrauwen doet fronzen. Want in meerdere interne Instructies voor het Rijk voor het afhandelen van Wob-verzoeken – en inmiddels in de nodige besluiten op Wob-verzoeken – is een niet te verdedigen lijn van beoordelen en niet verstrekken van concepten inmiddels een ingeburgerd mantra geworden.

Daarmee toont het Rijk zich geen goed verstaander van de wet (zowel de Wob als de Woo) en toepasser van de rechtspraak. Want met de stelling dat concepten gewoon niet openbaar worden gemaakt (p. 101) gaat het Rijk weer terug naar oude Wob-tijden toen dergelijke documenten nog buiten het bereik van de Wob vielen. Die lijn staat haaks op de gedachte dat niet relevant is wat de status is van een document. Ook de naam ervan of een stempel erop zijn niet van belang voor de beoordeling die een bestuursorgaan heeft te maken. De gedachte dat deze lijn steun vindt in de rechtspraak is onjuist.

Het Rijk toont zich geen goed verstaander van de Woo en evenmin een goed toepasser van de rechtspraak

Het gaat om de inhoud van het document, het algemene uitgangspunt van openbaarheid en de eventuele aanwezigheid van een belang dat beschermd wordt door een uitzondering (weigeringsgrond). Stellen dat concepten dus niet naar buiten worden gebracht is in strijd met de wet. Helemaal als we bedenken dat sinds ‘Ongekend Onrecht’ het uitgangspunt is dat persoonlijke beleidsopvattingen juist (geanonimiseerd) worden verstrekt. Dit uitgangspunt is wettelijk geregeld per 1 mei 2022 in de Woo door het amendement van Van der Molen (artikel 5.2, lid 3). Voeg hierbij de bijzonderheid van de Woo dat documenten van ouder dan 5 jaar eerder openbaar moeten worden gemaakt (artikel 5.3) en de stelling dat concepten sowieso niet worden verstrekt kan al geen stand houden. Deze aspecten laten ook nog maar eens zien dat er best wel het nodige verandert in vergelijking met de Wob.