Dit is de categorie voor publicaties

Van der Sluis bij Nieuwsuur 19 mei 2022; #smsgate: ophef om de ophef, of is er meer aan de hand?

Tijdens een zitting in een Wob-procedure werd duidelijk dat de minister-president zijn telefoon nog wel eens ontdoet van de nodige sms’jes. De rumoer die daarop volgde was weer opzienbarend. De vraag rees hoe moet worden omgegaan met dergelijke berichten in het licht van bewaren en behouden ervan. Daar ging deze uitzending van Nieuwsuur over. Cornelis van der Sluis werd voor deze uitzending geïnterviewd.

Kort en goed:

  • alles bewaren hoeft niet (zie de toelichting bij artikel 4.1a van de Woo);
  • alles vernietigen mag niet (zie de handreiking, genoemd in de brief van Rutte);
  • beoordelen van de documenten (dus ook een sms) is nodig bij de keuze wel/niet archiveren;
  • dat blijft mensen werk;
  • prima als iemand anders jouw berichten archiveert;
  • dat doe je alleen niet door ‘lange sms’jes’ door te bellen (Rutte kon ze niet meer doorsturen gaf hij aan).

Al het gedoe begon natuurlijk ooit in 2019, toen de Raad van State oordeelde dat appjes en sms’jes gewoon onder de Wob vallen. In het vervolg in die zaak zegt de Raad van State in 2020 iets over het (blijvend) bewaren van dergelijke berichten. In die zaak loopt nog een procedure. Los daarvan, merk op dat de Raad van State stelt dat het bewaren en bewerken mogelijk in strijd is met de AVG en het niet bewaren niet in strijd hoeft te zijn met de Archiefwet. Bovendien beperkt ze dat stukje niet toevallig tot de privé-telefoon. En laat Rutte nu hebben benadrukt in het debat dat zijn telefoons “van de overheid” (dus zakelijk) zijn.

 

Hoe wijzen we de Woo-contactpersoon aan?

In een vorig blog is al ingegaan op de Woo-contactpersoon en vooral wat deze functionaris doet of kan doen. Uit de wettekst, toelichting en parlementaire geschiedenis kan het volgende over de functie van de Woo-contactpersoon worden opgemaakt. Het gaat om een of meerdere personen binnen het bestuursorgaan. Deze personen dienen goed op de hoogte te zijn van de al dan niet beschikbare informatie binnen het bestuursorgaan. Daarnaast dienen deze personen burgers op een laagdrempelige en klantvriendelijke wijze te informeren over de beschikbaarheid van de informatie en dienen ze burgers te helpen met hun vragen over publieke informatie en het aanscherpen van een Woo-verzoek.

De wet gaat ervan uit dat de Woo-contactpersoon wordt aangewezen door het bestuursorgaan. Hoe gaat dat dan? De wet, toelichting en parlementaire geschiedenis scheppen hier geen duidelijkheid over.

Aansluiting zoeken bij de Functionaris Gegevensbescherming?

Bij de wijze van aanstelling kan aansluiting worden gezocht bij de wijze waarop een functionaris gegevensbescherminig (hierna: FG) aangewezen wordt door een bestuursorgaan. Op grond van artikel 37 van de AVG is een overheidsinstantie of overheidsorgaan dat gegevens verwerkt verplicht een FG aan te stellen. Bestuursorganen stellen een FG aan met een aanwijzingsbesluit. Zie hier en hier voor een tweetal voorbeelden.

Gezien de formulering van zowel artikel 37 van de AVG als artikel 4.7 van de Woo ligt het in de rede om een Woo-contactpersoon op dezelfde wijze aan te wijzen als een FG. Artikel 4.7 van de Woo luidt:

“Ter beantwoording van vragen over de beschikbaarheid van publieke informatie wijst het bestuursorgaan een of meer contactpersonen aan.”

Artikel 37 van de AVG luidt:

“De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker wijzen een functionaris voor gegevensbescherming aan […]”

Eén Woo-coördinator voor meerdere bestuursorganen binnen een overheidsorganisatie?

In de hierboven gegeven voorbeelden van aanwijzingsbesluiten van FG’s is te zien dat binnen een gemeente voor zowel het college van B&W, de burgemeester als de raad één en dezelfde persoon als FG wordt aangesteld. Het kan voor de toegankelijkheid bij het publiek en in het kader van de efficiëntie aangewezen zijn dit bij de Woo-contactpersoon ook te doen.

Maar van een Woo-contactpersoon wordt ook verwacht dat hij of zij goed op de hoogte is van de aanwezige informatie bij het bestuursorgaan en dat hij of zij ook eenvoudige verzoeken zelf afhandelt. In dat kader is het wellicht beter de functie van Woo-contactpersoon op verschillende plekken binnen de organisatie te beleggen.

Kortom

Er is wat de aanwijzing van de Woo-contactpersoon betreft niks geregeld in de Woo. Ook de toelichting of de parlementaire geschiedenis geven hier geen duidelijkheid over. Gezien de formulering van artikel 4.7 van de Woo is het aan te raden aan te sluiten bij de FG en de Woo-contactpersoon via een aanwijzingsbesluit aan te wijzen.

Wat doet de Woo-contactpersoon?

Op 1 mei aanstaande treedt de Woo in werking. Met ingang van deze datum zijn bestuursorganen ook verplicht om op grond van artikel 4.7 van de Woo een of meerdere contactpersonen aan te wijzen die vragen kunnen beantwoorden over de beschikbaarheid van publieke informatie. Over de manier waarop bestuursorganen deze nieuwe functie moeten invullen, is veel open gelaten door de wetgever.

Wat ging er aan vooraf?
In het oorspronkelijke wetsvoorstel van de Woo was een documentenregister opgenomen. Verzoekers zou het daarmee makkelijker worden gemaakt om inzicht te krijgen in wat er allemaal aan documenten aanwezig is bij een bestuursorgaan. Een verzoek zou dan ook specifieker kunnen zijn. Dit moest het voor bestuursorganen ook makkelijker maken om verzoeken af te handelen. Het documentenregister is fel bekritiseerd, onder andere door de VNG, omdat er nog veel over onduidelijk was voor de praktijk. In deze column was Cornelis van der Sluis ook duidelijk geen voorstander. Dit wordt ook nog eens besproken in dit uitgebreidere artikel. Naar aanleiding van de kritiek is het documentregister geschrapt. Als wisselgeld is daarop de Woo-contactpersoon in het leven geroepen (zie o.a. ook dit artikel hierover).

Formeel volgens de wet
Zoals gezegd volgt uit artikel 4.7 dat elk bestuursorgaan een of meerdere Woo-contactpersonen aanwijst. Deze functionaris moet vragen beantwoorden over de beschikbaarheid van publieke informatie. Hoewel deze handeling informeel overkomt, is de noodzaak van het ‘aanwijzen door  het bestuursorgaan’ erg formeel juridisch. Te meer nu – met de publiekrechtelijke grondslag in de wet – de wetgever ogenschijnlijk gewoon een bestuursorgaan in het leven heeft geroepen!

Informeel volgens de toelichting
Zo formeel is het evenwel niet bedoeld, zo kan uit de toelichting worden opgemaakt. De Woo-contactpersoon moet het bestuursorgaan op een laagdrempelige en klantvriendelijke wijze bereikbaar maken en antwoorden geven over de beschikbaarheid van publieke informatie. Een ‘simpel’ loket dus voor de informatie-zoekende externe.

Of toch ook wat formeler dan gedacht?
Toch gaat het wat verder. Want de toelichting ziet ook een mogelijkheid dat de Woo-contactpersoon informatie verstrekt, als het om een eenvoudig verzoek gaat waarbij geen uitzonderingsgronden van toepassing zijn en derde-belanghebbenden geen rol spelen. Dat vraagt dus wel kennis van de contactpersoon van de Woo – over de uitzonderingen – en een beoordelingsvermogen (of sprake is van belanghebbenden).

Als het gesprek met een Woo-contactpersoon ertoe leidt dat een groot aantal documenten wordt opgevraagd, dan zal de contactpersoon het verzoek moeten doorzetten naar de personen die normaal gesproken de Woo-verzoeken afhandelen.

Dit alles vraagt dus de nodige kennis van de contactpersoon over de uitzonderingen van hoofdstuk 5 en het bepalen van wie een belanghebbende is. En als het gaat om verstrekken van documenten dan lijkt dat toch verdacht veel op een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat.

Zet hem/haar in de spotlight!
Overigens verplicht artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e bestuursorganen op termijn om de bereikbaarheid bekend te maken van het bestuursorgaan. Ook moet duidelijk worden gemaakt op welke wijze een verzoek om informatie kan worden ingediend. Het ligt voor de hand hierbij zeker ook de contactgegevens van de Woo-contactperso(o)n(en) duidelijk te vermelden.

Kortom
Of het dejuridiserend effect van de Woo-contactpersoon dat de initiatiefnemers voor ogen hadden dus gerealiseerd wordt is de vraag. In elk geval niet direct door het ‘instellen’ van de functie en de plicht tot het aanwijzen van de persoon. Wel mogelijk wat betreft de invulling. Want dat de overheid een mens van ‘vlees en bloed’ wordt, is in de praktijk van het afdoen van verzoeken vaak nuttig gebleken.

Wel zal worden verwacht dat de contactpersoon goed op de hoogte is van de informatie die het bestuursorgaan in haar bezit heeft en dus ook een actieve voorlichtingsfunctie vervult. Het idee is dat de verwachte benodigde capaciteit 0,2, 0,4, en 1,0 Fte zal zijn voor respectievelijk kleine, middelgrote en grote bestuursorganen. Of dat juist zal blijken te zijn, mede vanwege het mogelijk (toch ook) moeten gaan besluiten op verzoeken, kan worden betwijfeld.

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 23 februari 2022; Even klagen bij/over BZK over de Wet open overheid (2)

Column op Binnenlands Bestuur

In de vorige column richtte ik mij al tot het ministerie van BZK als verantwoordelijk departement voor de Wet open overheid. Aanleiding vormde het introductiedossier voor de nieuwe bewindspersonen. In die column enige kritiek op de gedateerdheid van de informatie die de minister hierover meekreeg. Ook de nodige kritiek op het via het introductiedossier inlossen van een toezegging van Ollongren in september 2021, bij de behandeling van de Woo in de Eerste Kamer. Het dossier geeft meer aanleiding tot verzuchtingen. Vandaar toch nog maar een tweede column, al hebben de ministeries het de laatste tijd wel erg te verduren (zie ‘Ministeries steeds trager met Wob-verzoek’).

De minister krijgt mee dat de Woo niet zo veel verandering brengt als het gaat om het afdoen van verzoeken in vergelijking met de Wob (p. 106). Daarmee wordt de minister (en de praktijk) toch wat op het verkeerde been gezet. Los van de (ook in het dossier gesignaleerde) kortere termijnen, zijn de nodige fundamentele verschillen aan te wijzen. Bijvoorbeeld als het gaat om het toepassen van de weigeringsgronden. Maar ook in de procedure van afhandelen van verzoeken.

Op dit laatste punt wil ik één punt uitlichten. Bij amendement is namelijk een bepaling opgenomen dat (bijna) dwingt tot overleg bij omvangrijke verzoeken (artikel 4.2a). Het is een – het zij toegegeven niet al te succesvolle – poging geweest om een ook in het introductiedossier (zie p. 106) gesignaleerd probleem in de Wob-praktijk het hoofd te bieden. Het probleem is namelijk evident dat veel verzoeken zonder hele grote inspanningen niet tijdig (binnen 8 weken) zijn af te handelen. De overheid verzamelt steeds meer data en de verzoeken beginnen veelal met de woorden: “Doe mij alles over…”. Hoewel de Woo geen oplossing biedt, is het gek dat de minister niet al wordt gewezen op artikel 4.2a.

Interessant voor de praktijk is te lezen dat een ambtelijke werkgroep zich bezig houdt met het bedenken van een oplossing voor dit probleem. Het zou goed zijn als men zich daarbij ook laat informeren door de vragende kant en andere deskundigen uit het veld. Dit ook om te voorkomen dat niet meer valt uit te leggen hoe het recht z’n beloop krijgt. Want is nog te verkopen dat een Raad van State de discutabele aanpak van VWS – over de afhandeling van alle Wob-verzoeken over corona-aangelegenheden – goedkeurt (zie deze update) en zelfs acht maanden extra de tijd geeft om een en ander af te handelen (zie uitspraak)?

EHBWOO, helemaal Woo-proof voor, op en vanaf 1 mei!

Vanaf begin maart is de e-learning EHBWOO – Eerste Hulp Bij Woo-verzoeken – beschikbaar met modellen, instructievideo’s, een uitgebreide handleiding en de mogelijkheid tot sparren. Hoewel actieve openbaarmaking een cruciaal onderdeel vormt van de Wet open overheid, zal de impact van de Woo vooral bij de passieve openbaarmaking eerst merkbaar zijn.

En niet alleen per 1 mei, maar ook daarvoor al als verzoeken om informatie uiteindelijk tot een besluit leiden op of na 1 mei. Want de Wob is er per die datum simpelweg niet meer en dus geldt de Woo direct als kader voor het afdoen van informatieverzoeken.

Vandaar deze e-learning. Aanmelden kan nu al, dan kunt u vier maanden lang gebruik maken van alle video’s, het afgesloten forum om te sparren én het handboek. Ook kunt u alle modellen – van ontvangstbevestiging tot het besluit – downloaden die nodig zijn om verzoeken goed af te handelen.

Podcast #15 De Woo niet pas per 1 mei relevant, maar nu al!

Door het (nagenoeg volledig) ontbreken van overgangsrecht treedt de Woo voor verzoeken om informatie per direct – dus 1 mei 2022 – in werking. Dat betekent dat bij verzoeken om informatie nu (op grond van de Wob) en bezwaren tegen besluiten nu (op grond van de Wob) de Wet open overheid al het kader kan of moet vormen. In deze podcast wordt hier aandacht aan besteed.

Van der Sluis op ‘Binnenlands Bestuur’ 31 januari 2022; Even klagen bij/over BZK over de Wet open overheid

Column op Binnenlands Bestuur

De introductiedossiers voor de nieuwe bewindspersonen van Rutte IV vormen interessant leesvoer. Helemaal in de nieuwe bestuursstijl wordt een en ander actief openbaar gemaakt voor eenieder. Ze geven ook aanleiding voor enkele verzuchtingen. Ik beperk me tot dat wat over de Wet open overheid wordt gezegd in het introductiedossier voor de bewindspersonen ‘op BZK’, het primair verantwoordelijke departement voor de Woo.

Bij het lezen van vooral deel II valt de nogal storende slag om de arm – die al vaker in documenten vanuit het Rijk is gesignaleerd – over de inwerkingtreding van de Woo op. Het zinnetje ‘De Woo zal naar verwachting in 2022 in werking treden ter vervanging van de Wob’ staat kennelijk in een document dat steevast wordt gebruikt als men weer iets moet schrijven over de Woo (en dus ook op p. 101 van deel II). We zien het elders ook terugkomen.

Prima in september 2021, maar na eind oktober 2021 toch echt niet meer. In oktober verscheen de Woo in het Staatsblad en dus valt aan de inwerkingtreding per 1 mei a.s. niet te ontkomen (zie dit blog). Je zou bijna denken dat het dossier al in september is samengesteld. Zou de formatie toch al eerder zijn afgerond? Op p. 104 en 106 wordt het nog gekker. Daar wordt immers nog gesproken van de mogelijkheid dat de Eerste Kamer de Woo zal aannemen…

Toch geeft het introductiedossier ook wat duidelijkheid voor de toekomst! Vooral over het in werking treden van een toch breed gevoelde dreiging van de Woo: de plicht om allerlei informatie actief openbaar te maken (op grond van artikel 3.3 Woo). Dat deel treedt niet in werking per 1 mei, dat was al duidelijk. Nu wordt duidelijk dat dit pas aan de orde is vanaf 1 januari 2023. Dat is iets concreter dan wat toenmalig demissionair minister Ollongren bij de behandeling in de Eerste Kamer van de Woo aan kon geven. Gek is wel dat dit uit een introductiedossier moet blijken en niet, zoals Ollongren destijds aankondigde, met een concreet en alomvattend plan. Een plan zou in het najaar van 2021 worden bekendgemaakt. Nu komt er dus iets van informatie, iets later en ook nog eens via een omweg, namelijk het introductiedossier. Het zal de nieuwe bestuurscultuur zijn.

Met de nadruk overigens op ‘iets van duidelijkheid’. Voor een goed deel blijft nog in het midden wat dan per wanneer verplicht zal zijn. Toch storen nu het genoemde artikel 3.3 de plicht geeft om 11 categorieën van informatie (van wetten tot beschikkingen en van vergaderstukken tot convenanten) vanzelf openbaar te maken en de wet er van uitgaat dat de komende jaren zo nu en dan een categorie zal worden aangewezen.

Zonde dat het nu nog zo vaag blijft. Veel overheden zijn namelijk druk doende zich voor te bereiden op 1 mei. Vooralsnog lijkt daarbij de boodschap te kunnen zijn dat ze zich in dat kader vooral moeten focussen op de passieve kant, het afdoen van Woo-verzoeken (waarover in een volgende column meer). Daarmee dreigt het speerpunt van de wet (actieve openbaarmaking aanzwengelen) enigszins aan momentum te verliezen…

Van der Sluis op BNR Nieuwsradio 13 januari 2022; “Verdwijnfunctie in Signal of WhatsApp al snel onrechtmatig”

Elektronische berichten (verzonden via Signal, WhatsApp, etc.) zijn op te vragen met behulp van de Wob en straks de Woo (zie bijv. deze update). Beide applicaties kennen zogeheten verdwijnfuncties, berichten verdwijnen na een bepaalde (door de gebruiker in te stellen) periode. Gebruik maken van die functie leidt, zo stelde Cornelis van der Sluis bij de Ochtendspits op BNR Nieuwsradio, al snel tot onrechtmatig handelen (zie meer over de uitzending dit bericht). De rechtspraak onder de Wob verplicht immers om documenten te behouden nadat een Wob-verzoek is ontvangen (zie eerder al dit item van Follow The Money). De Wet open overheid maakt er zelfs een wettelijke plicht van (zie artikel 4.1a). Nu men vast zal vergeten de eenmaal ingestelde verdwijnfunctie uit te zetten nadat een verzoek is ontvangen, leidt dat als vanzelf tot onrechtmatig handelen.

Hoe verstandig kan worden omgegaan met communicatiemogelijkheden als WhatsApp en Signal is beschreven in een whitepaper (zie hier).

 

Binnenlands Bestuur: “Ambtenaar moet niet bang zijn voor de Woo”

Artikel op Binnenlands Bestuur

Over een half jaar treedt de Wet open overheid in werking. Dat is méér dan een opgepoetste Wet openbaarheid van bestuur. Informatiehuishouding, archiefbeheer, uitzonderingsgronden, de mindset van ambtenaren: alles wordt anders.

Hij begon het vooral te merken in de tweede week van oktober. De Eerste Kamer had net ingestemd met de Wet open overheid (Woo), en de verzoeken van gemeenten om tekst en uitleg druppelden binnen. Advocaat Cornelis van der Sluis, gespecialiseerd in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) én de Woo, traint al lang gemeenteambtenaren over ‘openbaarheid’. En na een jarenlang voortraject – de eerste contouren van de Woo werden in Den Haag al tien jaar geleden besproken – komt het er nu echt van: de Woo treedt op 1 mei 2022 in werking.

Zenuwachtig
Dat maakt gemeenten wat zenuwachtig, want de Woo verschilt op één punt wezenlijk van de Wob: zij moeten een groot aantal documenten actief openbaar maken, dus niet wachten tot een burger daar om verzoekt. Wát ze moeten openbaren, is complex. Van der Sluis wijst op het overgangsrecht: niet alles hoeft op 1 mei op de websites van gemeenten te vinden zijn, daarvoor hebben ze nog acht jaar de tijd, ze kunnen zich er voldoende op voorbereiden.

Lakken passages
Op die actieve openbaarmaking ligt bij veel ambtenaren de focus, maar het afhandelen van verzoeken van burgers om informatie en documenten – dat gaat gewoon door. De Woo is geen Wob 2.0, daarvoor zijn de verschillen te groot. Van der Sluis: ‘Het is nog steeds: op verzoek informatie zoeken, bepaalde passages lakken en dan kan het eruit. Maar er gelden andere afwegingen: wat mag wel en wat mag niet naar buiten. Ambtenaren moeten niet te snel denken dat de Woo hetzelfde is als onder de Wob. Onder de Woo moet bij documenten ouder dan vijf jaar beter worden gemotiveerd waarom deze niet kunnen worden verstrekt. Er moet op worden gelet dat anderen niet onevenredig hard worden geraakt bij een openbaarmaking én – dat is een nieuw criterium – de overheid moet toch goed kunnen blijven functioneren.’

Nuanceverschillen
Op dit punt geldt géén overgangsrecht: een verzoek dat binnenkwam als Wob-verzoek gaat eruit als Woo-besluit. Daarover bestaat nog de nodige onduidelijkheid, zegt Van der Sluis. Daar komt bij dat bestuursorganen nu sneller moeten openbaren: vier weken en vier weken extra wordt vier weken en twee weken extra. En als bepaalde informatie niet meer bij een overheid is maar wel bij een vergunninghouder of adviseur, dan kan deze een last onder dwangsom worden opgelegd zodat hij de documenten afgeeft. Van der Sluis spreekt over ‘stiekem toch veel nuanceverschillen’.

Persoonlijke beleidsopvattingen
Annemarie Drahmann, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden wijst op een andere verandering: de stukken ten behoeve van intern beraad. ‘Hoofdregel wordt – en dat is ingevoerd na de toeslagenaffaire – dat alle documenten met persoonlijke beleidsopvattingen die worden gebruikt voor ‘formele bestuurlijke besluitvorming’ in principe altijd geanonimiseerd openbaar worden. Dat betreft alle documenten die hebben geleid tot een beslissing of beleid van een wethouder, burgemeester of het college. Hoewel ze openbaar worden zijn ze niet tot personen herleidbaar. Dat is een omkering met de Wob. Nu zijn persoonlijke beleidsopvattingen geheim, tenzij. Dat wordt dus: openbaar, tenzij. En het ziet ook op documenten gemaakt voor 1 mei 2022.’

Daar kunnen ambtenaren van schrikken, maar Drahmann zegt: ‘Ze zouden niet bang moeten zijn voor de Woo. Deze wet wil zorgen voor een cultuurverandering. Geheimhouding past niet in een democratie, burgers moeten de overheid kunnen controleren. Als je als ambtenaar dat als startpunt neemt en vervolgens nadenkt hoe je de overheid beter kunt maken, dan is het niet erg als jouw visie in een bepaalde kwestie geanonimiseerd openbaar wordt gemaakt. Ambtenaren kunnen er nu al in hun schrijfstijl rekening mee houden. Ze kunnen bijvoorbeeld in een memo een apart kopje maken: persoonlijke beleidsopvatting.’

Overgangsrecht Wet open overheid. In één keer van de Wob af?

Bij een nieuwe wet die een andere wet vervangt (of wijzigt) speelt geregeld de vraag wat nu wanneer geldt. De wetgever moet zich zelf altijd de vraag stellen of de nieuwe wet met onmiddellijke ingang in moet gaan of dat er bijvoorbeeld een overgangstermijn moet worden vastgesteld.

De Wet Open Overheid (Woo) heeft het Staatsblad in oktober 2021 gehaald en treedt dus per 1 mei 2022 in werking. De Woo vervangt de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Beter gezegd, met de Woo wordt de Wob ingetrokken (artikel 10.1). De Woo kent voor alle bestuursorganen alleen overgangsrecht voor de actieve openbaarmakingsplicht (zie artikel 10.2 en artikel 10.2a). Voor de passieve openbaarmaking (openbaarmaking op verzoek) vond de wetgever overgangsrecht – voor nagenoeg alle bestuursorganen – kennelijk niet nodig. Voor een groot deel treedt de Woo dus direct in werking.

Dat leidt in de praktijk wel tot enige puzzels. Gaat een Wob-verzoek, dus voor 1 mei 2022 ingediend, er na 1 mei 2022 uit als een Woo-besluit? Welke regels gelden dan als er na 1 mei 2022 wordt beslist op een bezwaar tegen een (primair) besluit dat voor 1 mei 2022 is genomen? En welke regels gelden als de rechtbank na 1 mei 2022 uitspraak doet over een beslissing op bezwaar (de bob) dat voor 1 mei 2022 is genomen? Kortom, wanneer geldt de Woo en wanneer (nog) de Wob als beoordelingskader voor besluitvorming?

1. Wob-verzoek voor 1 mei 2022, besluit na 1 mei 2022: Wob of Woo?

Doordat overgangsrecht in de Woo ontbreekt betekent dit dat een Wob-verzoek van voor 1 mei 2022 uiteindelijk (vanaf 1 mei 2022) met een Woo-besluit wordt beantwoord. De nieuwe regeling van de Woo is namelijk van toepassing op dat wat bij de inwerkingtreding al bestaat. De wetgever heeft niet geregeld dat bijvoorbeeld aanvragen op grond van de Wob ook moeten worden afgehandeld op grond van de Wob. Er is niet voorzien in eerbiedigende en uitgestelde werking.

Bestuursorganen doen er dus goed aan om Wob-verzoeken die voor 1 mei 2022 zijn ingediend wel alvast te behandelen als Woo-verzoek, indien de verwachting bestaat dat het besluit pas na 1 mei 2022 wordt genomen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat voor 1 mei 2022 – in bijvoorbeeld ontvangstbevestigingen – dus nog niet kan worden vermeld dat het verzoek wordt aangemerkt als Woo-verzoek. Bestuursorganen kunnen er natuurlijk ook voor kiezen om (te proberen) Wob-verzoeken snel voor 1 mei 2022 af te handelen, al heeft dit bij een mogelijk (zeker) bezwaar tegen het besluit niet de voorkeur (zie hierna).

Overleg met de verzoeker om tot een heldere afwikkeling te komen ligt in dit geval voor de hand.

2. Wob-besluit (voor 1 mei 2022), afhandeling bezwaar (bob) na 1 mei 2022: Wob of Woo?

Vervolgens speelt de vraag welke regels gelden als er na 1 mei 2022 wordt beslist op een bezwaar tegen een primair (Wob-)besluit dat voor 1 mei 2022 is genomen. Ook dan gelden de algemene regels. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt daarnaast het volgende:

“Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.”

In bezwaar vindt toetsing door het bestuursorgaan dus ‘ex nunc’ (naar het moment van nu) plaats. Dit betekent dat indien na 1 mei 2022 wordt beslist op een bezwaar tegen een (Wob-)besluit dat voor 1 mei 2022 is genomen, bij de toetsing de Woo als kader dient. We zagen iets vergelijkbaars eerder onder de AVG (zie uitspraak).

3. Wob-bob (voor 1 mei 2022), toetsingskader rechter in beroep: Wob of Woo?

3.1 Rechter is in één keer klaar (of informele lus)

De Wob blijft nog wel in beeld in specifieke gevallen die de rechter heeft te beoordelen. Die beoordeelt de rechtmatigheid van de beslissing op bezwaar (de bob). Doet de rechtbank na 1 mei 2022 uitspraak over een bob van voor 1 mei 2022 (een Wob-bob), dan toetst de rechter de bob aan de hand van de Wob. De rechter toetst namelijk ‘ex tunc’ (naar het moment van toen).

3.2 Wob-uitspraak; vernietiging: Wob of Woo?

Toch kan de Woo ook bij een Wob-bob weer in beeld komen. Als de rechter een gebrek constateert dan kan hij de Wob-bob vernietigen. Dan volgt een nieuwe bob die dan genomen moet worden conform hetgeen is beschreven onder 2.

3.3 Bestuurlijke lus, tussenuitspraak

Het kan ook zijn dat de rechter een gebrek constateert en de opdracht geeft dit te herstellen (de bestuurlijke lus). De hoofdregel geldt dan ook dat het toepasselijk recht van na de tussenuitspraak moet worden betrokken bij het nadere besluit (zie uitspraak). Dan zal dus toch de Woo om de hoek komen zo lijkt het voor nu. Dat kan best tot problemen leiden nu dan de vraag is of voor dat deel wat een gebrek heeft, inderdaad wel de Woo als kader kan dienen terwijl voor het overige de Wob als regeling geldt. Eens zien hoe de rechter dit gaat oppakken.

Conclusie
Kortom, door niks te regelen heeft de wetgever het voor de praktijk niet makkelijk gemaakt. Vooraf kan in overleg natuurlijk al worden verkend wat wenselijk is voor verzoeker. Snel nog even een Wob-besluit terwijl het Woo-kader wellicht (dan wat te laat) meer mogelijkheden biedt en sowieso in een latere fase het toetsingskader kan worden? Of toch maar rekening houden met dit gegeven en zien waar het schip strand.

Het belang van dit alles is evident. Want hoezeer de Woo op onderdelen niet veel afwijkt van de Wob is het beoordelingskader op punten toch wel anders. Denk maar bijvoorbeeld aan het slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep kunnen doen op de onevenredige benadeling (artikel 5.1 lid 5) of het feit dat tijdsverloop een rol moet spelen bij het wegen van de uitzonderingen (artikel 5.3).