Update Tweede Kamer 22 oktober 2020; Behandeling wijzigingswetsvoorstel Wet open overheid 29 oktober a.s.

Inmiddels is het Verslag en de Nota naar aanleiding van het Verslag verschenen. De Kamer is voldoende voorbereid en kan het wijzigingswetsvoorstel behandelen op 29 oktober a.s.. Het gaat dus snel met de Woo. Er is nog aantal plekken beschikbaar voor de online training van 3 november. Bij overtekening wordt kort daarop een volgende training ingepland.

Update Raad van State 21 oktober 2020; Over het bewaren van en zoeken naar WhatsApp-berichten

Het vervolg op de WhatsApp-uitspraak van 20 maart 2019 is daar. De Raad van State maakt in een uitspraak een aantal dingen duidelijk:

  • Na een negatieve uitspraak voor het bestuursorgaan hoeft het niet direct gevolg te geven aan die uitspraak als hoger beroep wordt aangetekend (in dit geval WhatsApp-berichten verzamelen), maar moet men wel zorgdragen voor het behouden van de documenten.
  • WhatsApp-berichten hoeven niet te worden bewaard volgens de Archiefwet. Dit zou zelfs uit de AVG volgen. In elk geval wat betreft de WhatsApp-berichten op de privételefoon.
  • Navraag bij de betrokken ambtenaren is voldoende om vastgesteld te krijgen of WhatsApp-berichten wel of niet berusten onder het bestuursorgaan.
  • Mailboxen vindt de Raad van State echt iets anders dan WhatsApp-berichten. De berichtenapps worden niet beheerd door het bestuursorgaan.
  • De stelling dat er meer documenten moeten zijn, moet concreet gemaakt worden door de verzoeker. Zeker als de verzoeker al veel informatie heeft gekregen.

Update Raad van State 14 oktober 2020; Goed lezen van het Wob-verzoek is vereist!

Over o.a. de ontpoldering van de Hedwigepolder zijn Wob-verzoeken ingediend bij onder meer de minister van LNV. De uitspraak van de Raad van State maakt duidelijk dat het bestuursorgaan goed moet kijken naar het Wob-verzoek. Gebruikelijke zinnen als “alsmede alle beschikbare documenten met betrekking tot die correspondentie en afspraken” maken dat het verzoek dus – anders dan de minister meende – wel ziet op de schriftelijke contacten over die correspondentie en afspraken binnen het ministerie en tussen het ministerie en de andere betrokken ministeries.

De minister moet dan ook aan de slag en op zoek naar alle documenten die onder hem en onder de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame instellingen, diensten of bedrijven berusten.

De vraag of de minister het verzoek ook (nog) moet doorsturen op grond van artikel 4 van de Wob naar de andere ministeries wordt niet gesteld. Die opdracht blijft dus uit.

Update Raad van State 14 oktober 2020; Over internationale betrekkingen en het goed zoeken naar documenten

Over o.a. de ontpoldering van de Hedwigepolder zijn Wob-verzoeken ingediend bij onder meer de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Uit een uitspraak van de Raad van State volgt dat een beroep op het belang van de internationale betrekkingen (artikel 10, lid 2 onder a) mede kan slagen als sprake is van de afhandeling van een Wob-verzoek door overheidsorganen van de andere staat.

Verder maakt de Afdeling maar weer eens duidelijk aan welke eisen worden gesteld aan het Wob-besluit over de wijze van zoeken als er twijfel is over de volledigheid van de zoekslag. Duidelijk moet worden welke zoekopdracht aan de ingeschakelde functionarissen is gegeven. Duidelijk moet worden op welke wijze (in welke bestanden en dossiers en met welke zoektermen) is gezocht. Verder herhaalt de Afdeling de rechtspraak de nodige inspanning moet worden geleverd bij documenten die niet bij het bestuursorgaan berusten, maar wel bij het bestuursorgaan hadden behoren te berusten, om die stukken alsnog te achterhalen. In dat kader moet dan ook onderzocht worden of de gevraagde documenten (hebben) bestaan en bij de minister hadden behoren te berusten én of documenten die veilig gesteld hadden moeten worden, zijn vernietigd.

Hoe de minister dit precies moet vormgeven wordt niet duidelijk. Eerder werd al duidelijk dat een extern bureau (zie deze update) hierbij nuttig kan zijn. Vereist is dat nog altijd niet (zie deze update).

Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2020; Geheimhoudingsbeding in een vso en de Wob

Op het oog een vervolg in een al langlopende kwestie tussen een partij en de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek (zie deze updates). Dit keer een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de verhouding tussen bestuursrechtelijke procedures (o.a. op grond van de Wob) en een in een vaststellingsovereenkomst (vso) opgenomen geheimhoudingsbepaling.

Die bepaling maakte dat de vso geheim zou blijven en dat verstrekking een boete oplevert van EUR 5000,–. Bij enkele van de vele procedures op grond van de Wob en klachten merkte de ISD de vso aan als op de zaak betrekking hebbend stuk. Het werd dus overgelegd aan de bezwaarschriftencommissie en de ombudsman én werd verstrekt aan de betrokkene na een ingediend Wob-verzoek.

Het hof acht een verplichting tot betaling van de boete door ISD aan betrokkene niet aan de orde. Het kent daarbij gewicht toe aan het gegeven dat de bezwaarschriftencommissie en de ombudsman instanties zijn die hebben te oordelen op klachten en bezwaarschriften en daarbij noodzakelijkerwijs de beschikking moeten hebben over informatie. Bovendien is van belang dat betrokkene de vso zelf enkele keren had ingebracht in zo’n procedure (en dus moest accepteren dat het als op de zaak betrekking hebbend stuk, de route die de Awb daarvoor geeft zou volgen).

Een logische uitspraak waarbij nog kan worden opgemerkt dat het de voorkeur verdient om in overeenkomsten waarbij een overheidsinstantie is betrokken, in de geheimhoudingsbepaling altijd op te nemen dat een en ander natuurlijk zijn grens kent in de wettelijke verplichtingen van die overheidsinstantie. Maar ik zou menen dat ook zonder die expliciete toevoeging bekendheid van de wederpartij die contracteert met de overheid ertoe zou moeten leiden dat de geheimhoudingsbepaling zo moet worden uitgelegd dat die natuurlijk onverlet laat dat er iets is als de Wob (of enig ander wettelijk kader dat dwingt tot het verstrekken van informatie).

Update Rechtbank Den Haag 22 september 2020; Strafrechtelijke procedures en de Wob

Een interessante uitspraak voor hen die zich begeven in het strafrecht maar ook in algemene zin een Wob-uitspraak met enkele opvallende kwesties (zie ook deze cursus in november). Het gaat om openbaarmaking van documenten die samenhangen met een bezoek van de zaaksofficier, hoofdofficier en de liaisonofficier aan Thailand. Een paar opvallende zaken uit deze uitspraak zijn het noemen waard:

  • De stelling dat er niet meer documenten zijn is geloofwaardig aldus de rechtbank. Bijzonder is dat makkelijk lijkt te worden geaccepteerd dat WhatsAppcorrespondentie er niet (meer) is. Over de indringendheid van zoeken laat de uitspraak zich niet uit. Dat de advocaat dergelijke berichten wel heeft (onduidelijk is of dat ook App-berichten zijn met de officier) maakt voor de rechtbank niet uit.
  • Artikel 30 Strafvordering – die regeling die een kader geeft voor het kunnen inzien van de stukken in het strafdossier door de verdachte – is en blijft een bijzondere regeling zodat de Wob niet van toepassing is bij documenten die op het moment van besluitvorming in het strafdossier aanwezig zijn.
  • Een specifiek belang van een persoon – gelegen in waarheidsvinding – maakt voor de Wob niet uit.
  • Vertrouwelijk overleg tussen OM en Minister behoeft bescherming, zeker bij een gevoelige strafzaak;
  • Het belang van opsporing en vervolging is in elk geval aan de orde indien de strafzaak nog moet beginnen;
  • Curieus is de stelling van de rechtbank dat de naam van de zaakofficier – die inmiddels bekend is – toch bescherming toekomt.
  • Artikel 11 Wob is volgens de rechtbank een absolute weigeringsgrond. De fijnproever zal zeggen dat het een beperking vormt van het uitgangspunt van de Wob dat alles openbaar is. De absolute weigeringsgronden vinden we in artikel 10, eerste lid. Maar goed, absolute werking heeft artikel 11 (ondanks lid 2 en 4) in beginsel wel.

Update Rechtbank Amsterdam 5 oktober 2020; Corona en de Wob, maatwerk bij alsnog tijdig beslissen

In de reeks ‘Corona en de Wob’ een volgende uitspraak. Dit keer de Rechtbank Amsterdam bij weer een ministerie, dit keer Justitie en Veiligheid. De casus leert dat wel tijdig kon worden verdaagd (medio januari) maar dat vervolgens niet tijdig is beslist. Na een ingebrekestelling in juli en het ook dan nog niet besluiten, dient beroep bij de rechtbank. Die is helder, vier weken moet voldoende zijn om alsnog op het besluit te beslissen. Hierbij oog hebbend voor het verweer van de Minister dat het om meer dan 90 documenten gaat, de beperkte capaciteit op het ministerie én de maatregelen in verband met het coronavirus. De tijd gaat nu (5 oktober) in.

Update Raad van State 7 oktober 2020; Openbaarmaking van inspectiegegevens NVWA inzake dierenwelzijn. Informatie die niet tot bedrijven herleidbaar is, wordt openbaar

Een imponerend aantal documenten (50.000) uit 474 dossiers zijn beoordeeld en deels verstrekt aan RTL Nieuws. Het gaat om informatie over het toezicht van de NVWA op bedrijven op het gebied van dierenwelzijn vanaf 1 januari 2015. RTL Nieuws wilde per bedrijf en per locatie inspectierapporten, waaronder boeterapporten, en de daarbij opgenomen kwalificaties zoals ‘verscherpt toezicht’ en ‘notoire overtreder’. De NVWA is dus hard aan de slag gegaan, althans is tot een besluit gekomen na iets meer dan 2 jaar noeste arbeid. Naar tevredenheid van de verzoeker, maar niet van de belanghebbenden.

De ‘onder toezicht gestelden’ komen immers op tegen de beoogde openbaarmaking. Men stelt dat bepaalde delen van de informatie (rapporten van bevindingen of een luchtfoto) nog tot hen te herleiden zijn. De Raad van State maakt duidelijk (uitspraak I en uitspraak II) dat een beoordeling van de vraag of een persoon op basis van indirecte gegevens kan worden geïdentificeerd – en dus onevenredig zou worden benadeeld – casuïstisch is. Vervolgens beoordeelt zij de informatie en komt zij tot het oordeel dat in beide gevallen voldoende is gelakt – of bepaalde informatie niet zodoende specifiek en bijzonder is zodat het herleidbaar wordt – zodat betrokkenen niet onevenredig benadeeld worden. Het is onvoldoende herleidbaar (gemaakt) tot hen.

Update Raad van State 7 oktober 2020; Weigeren van het bidbook waarmee Unilever naar Nederland had moeten worden gelokt onvoldoende gemotiveerd

Eerder werd nog toegestaan dat de Minister van Algemene Zaken correspondentie met Unilever geheim hield wegens de onevenredige benadeling van zichzelf nu het openbaar bestuur erbij gebaat is dat bepaalde contacten met de overheid vertrouwelijk kunnen plaatsvinden (zie deze update). Vandaag wordt duidelijk dat diezelfde weigeringsgrond niet aan een integrale weigering van een bidbook – opgesteld door de NFIA – ten grondslag kan worden gelegd. Hoewel die reden kan worden ingeroepen voor het weigeren van openbaarmaking van een geheel document, moet die weigering wel voldoende gemotiveerd en specifiek zijn aldus de Raad van State. De Minister maakt onvoldoende duidelijk dat openbaarmaking van het bidbook of delen daarvan leidt tot inzicht in de acquisitiestrategie van NFIA of in de bedrijfsstrategie of bedrijfsgevoelige informatie van Unilever. Ook is onvoldoende specifiek gemotiveerd waarom het openbaar maken van het bidbook of delen daarvan tot onevenredige benadeling van Unilever of de Staat zou leiden. De Minister mag zich nog eens aan zetten aan een betere motivering – of het documenten natuurlijk gewoon verstrekken.

Update Tweede Kamer 29 september 2020; Antwoord van het Kabinet over het ongevraagde advies van de Raad van State (68 Grondwet)

Over veel meer maar o.a. de ‘informatierelatie’ tussen kabinet en Kamer(s) ging het ongevraagde advies van de Raad van State (zie een column hierover op Binnenlands bestuur). Het kabinet is met een Nader rapport gekomen om dit ongevraagde advies te bespreken. Kernboodschap lijkt vooral te zijn dat begrip en ontspanning in die relatie de boventoon moet voeren. Begrip is er voor het logische ongemak dat een Kamerlid kan ervaren als de informatievoorziening via de Wob groter lijkt dan het stellen van een vraag in het parlement. De toezegging wordt gedaan dat Kamervragen naar specifieke documenten worden afgehandeld als een Wob-verzoek (p. 11). Dat klinkt als een stap(je) terug ten opzichte van het uitgangspunt van 68 Grondwet!

Goed nieuws ook voor alle verzoekers om informatie buiten het parlement. Een volgend kabinet zou zo mogelijk gaan investeren in de informatiehuishouding. ‘Mis schieten’ met een verzoek om informatie omdat de informatie er niet (meer) is, zou zo steeds meer de uitzondering moeten worden…