Raad van State 21 juli 2021; Openbaarmaking bedrijfsadresgegevens PAS-melders, nog even niet…

Recent werd al gewezen op de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland die wel klaar was met LNV die – in de ogen van de rechtbank – maar niet wilde begrijpen wat de Raad van State in januari (zie update) en eerder de rechtbank al duidelijk had willen maken: locatie gegevens moeten openbaar worden gemaakt (tenzij sabotage en veiligheid noopt tot geheimhouding).

De opdracht van de rechtbank was helder, binnen drie weken openbaar maken. LNV wil er nog niet aan en stelt hoger beroep in tegen de uitspraak. Gegeven de korte termijn die de rechtbank stelt (3 weken) met de dreigende dwangsom (en de niet schorsende werking van het hoger beroep) is een voorlopige voorziening geboden. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli is nagenoeg standaard van de Raad van State in dit soort gevallen: de voorziening wordt toegekend, want anders volgt een handeling (openbaarmaking) die onomkeerbaar is.

De Raad van State doet dit (nagenoeg standaard ook) zonder zitting af. Dit is anders dan de rechtbanken in de regel die wel een zitting houden bij een verzoek om een voorlopige voorziening om openbaarmaking tegen te houden. Bijzonder aan deze uitspraak is dat de voorzieningenrechter wel uitdrukkelijk het belang van de verzoeker in beeld heeft en daar gewicht. Dat komt tot uitdrukking in de overweging over het op korte termijn (26 augustus) zitting houden om het toch meer over de inhoud te hebben. Eens zien of de Raad van State net als de rechtbank de opdracht van januari net zo klip en klaar acht, of dat het toch gevoelig is voor de (nog onbekende) gronden van hoger beroep van LNV.

Rechtbank Midden-Nederland 20 juli 2021; MH17 en de Wob, kritische toets persoonlijke beleidsopvatting en het ene besluit is het andere niet

MH17 leidt tot vele procedures, waaronder ook Wob-procedures. RTL Nieuws deed de nodige verzoeken en procedeert daar ook veelvuldig in. Een procedure tegen de Minister van Justitie en Veiligheid leidt tot een tussenuitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (volgend op een eerdere tussenuitspraak) met enkele interessante aspecten.

Voor een belangrijk deel is de tussenuitspraak – met de opdracht, motiveer eens wat beter – goed opgevolgd. Voor één document geldt dit niet. Procedureel interessant is dat het besluit van een ander bestuursorgaan (de Minister van I&W) formele rechtskracht heeft gekregen (met – na wederom een tussenuitspraakeen einduitspraak). J&V stelt dat het daarom geen onderwerp van geschil meer kan zijn in deze procedure. Dat volgt de rechtbank niet. Dat is iets tussen een ander bestuursorgaan en RTL. Hier ligt een ander besluit van J&V voor en dus kan de discussie ook daar nog over gaan.

Bij een inhoudelijke beoordeling van het stuk valt vervolgens op dat de rechtbank indringend toetst. Bij die toets valt op dat feitelijkheden niet als persoonlijke beleidsopvattingen worden aangemerkt en dus niet gelakt mochten worden. Bijzonder is dat het een weergave betreft van wat is gezegd (en verslag). De rechtbank erkent dat dit best gekleurd kan zij, maar acht dit onvoldoende om van een beleidsopvatting te kunnen spreken. Maar is dat waarvan verslag is gemaakt dan geen opvatting geweest? Kennelijk niet…

Hiermee lijkt de rechtbank – net als eerder de Raad van State bij het toepassen van de bevoegdheid om geanonimiseerd te verstrekken (hier kennelijk geen discussiepunt!) (zie deze annotatie) – na alle aandacht voor de vermeende Ruttedoctrine (te ruim opvatten van het begrip “persoonlijke beleidsopvatting”) ook wat kritischer te kijken naar artikel 11 van de Wob. Hoe dat onder de Woo straks gaat, is te zien in artikel 5.2 van de Woo (zie ook dit artikel in de Gemeentestem).

Rechtbank Amsterdam 6 juli 2021; een mildere lijn voor VWS voor de afhandeling van Corona-Wob-verzoeken

Eerder kreeg de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 28 juni de nodige aandacht. Niet in de laatste plaats omdat een nieuwsprogramma met een redelijk bereik – Nieuwsuur – direct betrokken was bij de procedure en de mogelijkheden niet onbenut liet om er melding van te doen (link voor de uitzending). Dit nieuwsitem en vooral wat er over tijdig beslissen bij de Wob werd gezegd (maar 2 mensen per ministerie zouden aan de Wob doen en in 71% van de gevallen zou niet tijdig worden beslist) behoeft de nodige nuancering en duiding. Die ontbrak helaas, maar daarover later meer. Eerst een actualiteit in dit kader.

Want zojuist verscheen deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam – zelfde vraag, andere verzoeker. Of eenzelfde media-aandacht volgt is sterk de vraag. Of de vacature voor 50 Wob-juristen weer wordt ingetrokken is ook de vraag. Daar is natuurlijk niet direct aanleiding voor (VWS moet nog steeds aan de bak), maar de Rechtbank Amsterdam geeft wel wat meer lucht aan VWS om alle verzoeken (met een bereik van 1,6 miljoen documenten) af te handelen.

Relevante omstandigheden volgens de rechtbank

De uitspraak laat duidelijk zien welke vrijheid de rechter heeft om te handelen bij geslaagde beroepen niet-tijdig beslissen (want er is te laat beslist op het Wob-verzoek). Ook wordt duidelijk hoeveel gewicht de rechter toekent aan de opstelling van verzoeker en het bestuursorgaan. Zo kent de rechtbank veel belang toe aan de volgende omstandigheden:

  1. het aantal documenten.
  2. de belangen van derden, en ook
  3. het aantal andere verzoeken met een soortgelijke strekking.
  4. hierbij acht de rechtbank zelfs relevant dat de betrokken ambtenaren direct betrokken zouden zijn bij de bestrijding van het coronavirus.
  5. en tot slot maakt ook het aannemen van allerlei Wob-juristen en dus alle – kennelijke – inspanningen, de rechtbank zichtbaar coulant en flexibel.

Kritiek op de rechtbank

Op deze punten valt het nodige aan te merken. In de volgorde van hiervoor een korte reactie:

  1. de Wob is natuurlijk blind voor het aantal documenten. 8 weken (2 keer 4) is 8 weken (artikel 6 eerste en tweede lid Wob), de omvang van het aantal documenten is niet relevant.
  2. ook de belangen van derden – die een rol krijgen door die derden om een zienswijze te vragen – is verdisconteerd in de al genoemde 2 keer 4 weken (schorst in de regel, tenzij het milieu-informatie betreft, de beslistermijn immers) (artikel 6 derde lid Wob).
  3. andere verzoeken (of dezelfde bestuurlijke aangelegenheid) spelen natuurlijk geen rol (behalve dat als daarop al is beslist, de informatie al openbaar is en dus een later verzoek om die informatie geen Wob-verzoek meer is).
  4. moeten niet vooral Wob-juristen de informatie beoordelen in het licht van de weigeringsgronden (artikel 10 en artikel 11)? En is ook het naleven van de Wob ergens niet net zo relevant en van belang als dat wat gebeuren moet op het terrein waarover geWobt wordt? De rechtbank maakt de naleving van de Wob nu ‘minder belangrijk’!
  5. natuurlijk is het laten zien van de goede intenties relevant, maar is VWS niet gewoon te laat want moet een bestuursorgaan niet gewoon voldoende goede mensen beschikbaar hebben om de wet na te leven? (Ter nuance meteen: “Hoeveel mag de Wob ons kosten en ten koste van welke ambtelijke capaciteit gaat dit alles?”).

Uitkomst volgens de rechtbank

Uiteindelijk komt men tot een bepaalde prioritering en fasering (iets waar de Woo straks expliciet een basis voor biedt (artikel 4.2a Woo), maar wat allang natuurlijk kan onder de Wob (zie deze uitspraak die meer bekend is als de WhatsApp-uitspraak, update). Verzoeker gaf de prioriteit aan twee van de drie verzoeken. Daarvoor krijgt VWS tot 15 september 2021 (verzoeker wilde het besluit uiterlijk in september ontvangen vanwege journalistieke belangen). Daarmee wordt maar duidelijk dat het opletten is bij het procederen als verzoeker om de informatie. Dat wat je tijdens de zitting opmerkt kan zomaar directe uitwerking krijgen in de uitspraak!

Voor het overige gunt de rechtbank VWS acht maanden (!) na verzending van de uitspraak op de andere Wob-verzoeken! Het dreigement van VWS – dat een termijn korter dan zestien maanden (!) gevolgen heeft voor de afhandeling van oudere verzoeken van anderen – acht de rechtbank (terecht) niet relevant. De rechtbank stelt dat het beroep niet tijdig op zijn eigen merites moet worden beoordeeld, onafhankelijk van de belangen van derden. Maar die belangen – althans de gevolgen van die andere verzoeken – acht ze weer wel relevant voor het bepalen van de redelijke termijn!

De dwangsom die de rechtbank eraan hangt is weer in lijn met het landelijke beleid: EUR 100,- voor elke dag waarmee VWS per Wob-verzoek de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van EUR 15.000,-. Niet de EUR 250,- en EUR 37.500,- van de Rechtbank Midden-Nederland. Iets meer zou toch best redelijk zijn gelet op de twee respectievelijk acht maanden die VWS uiteindelijk krijgt.

Rechtbank Noord-Nederland 25 juni 2021; PAS meldingen, anoniem procederen bij de Wob

De Rechtbank Noord-Nederland deed 25 juni een tweetal uitspraken over de PAS-meldingen. De eerste, niet malse voor de Minister van LNV, leidde tot de opdracht om bedrijfsadresgegevens – als het adres samenvalt met de locatie waar de activiteiten die leiden tot een emissie plaatsvinden – openbaar te maken binnen drie weken met een fikse dwangsom als dit niet zou lukken (zie deze update).

Anoniem procederen

De tweede uitspraak bevestigt de mogelijkheid om anoniem te procederen. Het is een uitzondering op de hoofdregel dat het geen plek heeft in het bestuursproces vanwege de gelijkheid van procespartijen die mede voortvloeit uit de Awb en artikel 6 EVRM. Een beperking aan dit uitgangspunt qua gelijkheid zit natuurlijk al in het niet kunnen delen van de Wob-stukken waarover geprocedeerd wordt (via 8:29 Awb, zie de overzichtsuitspraak met annotatie). En in het verlengde daarvan is ook een beperking gelegen in het procederen in Wob-verband als de naam van betrokkenen onderwerp is van de Wob-stukken. Is dat het geval, dan kan ook anoniem worden geprocedeerd (zie mooi omschreven onder 6.2).

Hoge drempel onveiligheid en sabotage mogelijk gehaald?!

Belangrijk inzicht dat de Raad van State begin 2021 meegaf over de PAS-meldingen en de toetsing van de weigeringsgrond veiligheid en voorkomen van sabotage is vanzelfsprekend ook het toetsingskader voor de rechtbank. In de herhaling: een beroep op de veiligheid van het bedrijf en het voorkomen van sabotage moet concreet en overtuigend zijn. Eén van de appellanten had concreet gemaakt dat sprake is van een agrarisch bedrijf, maar ook een kinderdagverblijf en een winkel. Concrete bedreigingen zijn al ontvangen. Kortom, fysieke, maar ook sociale en emotionele onveiligheid liggen op de loer.

De rechtbank vindt dit alles onvoldoende betrokken in de besluitvorming van de Minister en geeft de opdracht opnieuw tot besluitvorming over te gaan voor deze appellant. De rechtbank sluit dus niet uit dat de hoge lat van de Raad van State in januari 2021 wellicht is gehaald.

 

Rechtbank Noord-Nederland 25 juni 2021; PAS meldingen, het niet willen begrijpen door de Minister van de Raad van State uitspraak

Begin dit jaar volgde de uitspraak van de Raad van State over het niet openbaar maken van de locatiegegevens in de PAS-meldingen (zie deze update). De Raad van State maakte duidelijk dat een emissie een bron heeft en die bron een locatie zodat ook die locatie onderdeel uitmaakt van de “gegevens betreffende emissies”. Daaruit volgt dat slechts een beperkte mogelijkheid bestaat tot het weigeren van informatie. De lat werd daarbij – om een beroep op de bescherming van de veiligheid en het voorkomen van sabotage – erg hoog gelegd.

De Raad van State ging over enkele meldingen en dus ligt nog een groot aantal meldingen voor, los van het gegeven dat de minister nog gevolg heeft te geven aan de uitspraak van de Raad van State. De Rechtbank Noord-Nederland pakt het weer op met deze uitspraak.

De Minister heeft de uitspraak van de Raad van State – dat locatiegegevens openbaar moeten worden gemaakt tenzij een concreet gemaakte dreiging daaraan in de weg staat – zo opgevat dat kan worden volstaan met X- en Y coördinaten van de emissiebronnen en niet de bedrijfsadresgegevens. Een wat kribbige rechtbank is van oordeel dat de Minister de uitspraak hiermee niet goed heeft gelezen. Zij leest hier immers in dat bedrijfsadresgegevens in de PAS-meldingen openbaar moeten worden gemaakt, tenzij dit adres niet gelijk is aan de locatie van de activiteiten waarvoor de melding is gedaan. De rechtbank is helemaal klaar met de Minister die tot besluitvorming is gekomen die – volgens de rechtbank – evident in strijd is met de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter en evident in strijd is met, en in het geheel voorbij gaat aan, de uitspraak van de Raad van State. Ook de uitleg voor de keuze voor de X- en Y-coördinaten overtuigt de rechtbank allerminst (de adresgegevens zouden eenvoudig geconstrueerd kunnen worden, maar men beroept zich wel op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken bedrijven). De rechtbank betrekt hier nog niet eens bij dat de vraag nog opdringt in hoeverre de persoonlijke levenssfeer wel in beeld is bij bedrijfsnamen, maar goed.

De boodschap is helder. De rechtbank is klaar met de Minister en dwingt tot openbaar maken van de bedrijfsadresgegevens én tot betaling van “een dwangsom aan verzoekster in deze eenvoudige zaak”. Binnen drie weken moet nu informatie openbaar worden gemaakt, anders dreigt een dwangsom van EUR 36.000,– in eens, die kan oplopen tot EUR 72.000,–!

Rechtbank Oost-Brabant 23 juni 2021; Prematuur beroep niet-tijdig en geen misbruik wegens onbekendheid met rechtspraak

De uitspraken over beroepen niet-tijdig vliegen je inmiddels om de oren. Deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant is wat wonderlijk. Niet vanwege de niet-ontvankelijkheid van het beroep – want prematuur – maar meer vanwege het niet niet-ontvankelijk verklaren vanwege misbruik van recht.

Geen misbruik van recht door gebrek aan kennis

De rechtbank gaat hier niet toe over omdat – simpel gesteld – de betrokkene de rechtspraak over mogelijk misbruik niet kent. Dat is op zichzelf al een wonderlijke aanleiding om niet te kunnen spreken van misbruik. De omstandigheden zijn legio die relevant zijn om al dan niet misbruik aan te nemen, maar onbekendheid met de rechtspraak kende ik nog niet (zie uitgebreid deze bijdrage in JB Select).

Meer wonderlijk is het gegeven dat de rechtbank wijst op uitspraken van de Raad van State waaruit zou blijken dat van misbruik sprake kan. Gewezen wordt op rechtspraak waaruit volgt dat als er ook een andere weg ter beschikking staat aan de verzoeker om de informatie te verkrijgen, de Wob inzetten niet zou mogen. Het gaat dan in de regel gaat om een Wob-verzoek naar processtukken die ook gewoon via de Algemene wet bestuursrecht (of Rechtsvordering) zijn op te vragen.

Invloed van de preciseringsuitspraak

Die uitspraken zijn er inderdaad, al lijken die wel wat te zijn ingehaald door de preciseringsuitspraak van de Raad van State van vorig jaar (zie deze annotatie), een uitspraak die de rechtbank niet betrekt in de uitspraak. De invloed van die uitspraak op het wel of niet aannemen van misbruik is evident. Uit de uitspraak volgt immers dat de weg van de Wob in de regel open staat, ook als sprake is van een verzoek om processtukken. In de hoofdregel verwoordt de Raad van State het als volgt: “Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt (…) met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb (…).” Dat maakt dus dat de weg van de Wob naar dergelijke stukken open staat en naar ik meen – anders dan voorheen – nog minder snel sprake kan zijn van misbruik van recht als iemand een Wob-verzoek doet naar die stukken.

Uiteraard omschrijft de Raad van State situaties waarbij afgeweken kan worden van deze hoofdregel. Relevant voor hier is de uitzondering voor situaties waarin iemand bijvoorbeeld “vraagt (…) alleen om toezending van de stukken (…) in een procedure waarin hij belanghebbende is”. Hoewel die exit – het is toch geen Wob-verzoek – er is, vereist dit dus wel een expliciete afwijking van de hoofdregel (dat het een Wob-verzoek is). Daarbij hoort dan een motivering (wellicht zelfs na overleg met verzoeker) zou ik menen.

Hoewel dit alles dus vooral gaat over het juridisch kwalificeren van een vraag om informatie (wel of geen Wob) en dit iets anders is als het aannemen van misbruik van recht (het is een Wob maar die weg wordt ten onrechte ‘benut’), raken beide thema’s elkaar wel (het is ook te zien in de preciseringsuitspraak zelf, hetgeen ik ook benoem in de annotatie onder 7). Zoals gezegd legt het de lat in elk geval hoger om van misbruik te kunnen spreken bij een Wob-verzoek naar processtukken. Hoger dan de rechtbank nu lijkt te veronderstellen.

Begin van deze maand zagen we de Rechtbank Zeeland-West-Brabant al stoeien met de preciseringsuitspraak (zie deze update). De precisering werd gedaan “met het oog op de rechtspraktijk”. Of dat helemaal is gelukt, is de vraag.

Raad van State 30 juni 2021; Bijzondere regeling Advocatenwet, belang van toezicht én specificering lijn omtrent bescherming persoonlijke levenssfeer

Een Wob-verzoek aan de Raad voor de Rechtsbijstand leidt tot een uitspraak van de Raad van State die interessant is op een aantal punten.

Tuchtrecht op grond van de Advocatenwet, ook zonder klachten

Ten eerste volgt een aanvulling op de al bestaande lijn over de absolute regelingen in de Advocatenwet die maken dat bij een verzoek tot openbaarmaking niet aan de Wob wordt toegekomen. De kosten voor de advocaat vallen niet onder een bijzondere regeling van de Advocatenwet (zie deze update) maar alles omtrent het toezicht van de Deken op advocaten naar aanleiding van klachten wel (zie deze update en uitgebreider dit artikel in Tijdschrift Tuchtrecht). In de uitspraak van 30 juni maakt de Raad van State in dat kader ook duidelijk dat dit zich ook uitstrekt tot informatie in de tuchtrechtelijke sfeer die niet voortvloeit uit een klacht tegen een advocaat. De Deken kan immers ook op een andere wijze aan informatie komen die aanleiding kan vormen voor het ter kennis brengen daarvan bij de raad van discipline. Voor bepaalde documenten is dan ook terecht openbaarmaking geweigerd gegeven de Advocatenwet.

Belang van toezicht

Voor andere documenten beroept het bestuur zich op het belang van toezicht. De Raad van State maakt ook hier duidelijk, dus niet alleen bij het inroepen van de onevenredige benadeling (zie deze update), dat een gedegen motivering vereist is. Zeker bij een relatieve weigeringsgrond als deze. Concreet moet worden dat als gevolg van de verzochte openbaarmaking het bestuursorgaan zijn toezichthoudende taak niet meer naar behoren zal kunnen uitoefenen.

Persoonlijke levenssfeer

Daarnaast zijn de namen, functies, telefoonnummers en emailadressen van de medewerkers van de Raad voor Rechtsbijstand en de Orde van Advocaten én gegevens van de verzoeker om de informatie weggelakt.

Over de medewerkers stelt de Raad van State dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt (zie deze annotatie).

De verzoeker wijst op een uitspraak waarin een medewerker als procesvertegenwoordiger heeft opgetreden, en dus uit hoofde van zijn functie in de openbaarheid treedt. Hierin gaat de Afdeling niet mee met een wat wonderlijke redenering: het bestuur werd vertegenwoordigd door een advocaat en dat de betrokken medewerker was alleen ter ondersteuning aanwezig. Zou dat echt het verschil maken? Dat zou namelijk een andere lijn zijn dan de Raad van State eerder aanbracht: dat ook procesvertegenwoordigers niet naar de aard van hun functie in de openbaarheid treden (zie deze uitspraak).

Deels in lijn met de ‘handtekening’-uitspraak (die geen bestuurlijke aangelegenheid zou zijn vanwege het ontbreken van een keuze of besluit van het bestuursorgaan, zie deze update) acht de Raad van State ook niet relevant dat een aantal namen van medewerkers en hun werkzaamheden op LinkedIn in het openbaar worden gedeeld. Die keuze maakt de de medewerker zelf, als privépersoon, en niet namens of onder de verantwoordelijkheid van het bestuur.

Tot slot nog de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verzoeker. Kennelijk vindt de Raad van State het nodig dat het bestuursorgaan actief vraagt aan de verzoeker, als diens persoonsgegevens onderdeel uit maken van de informatie waar zijn verzoek op ziet, of hij instemt met openbaarmaking van zijn persoonsgegevens (als in artikel 10 lid 3 Wob).

Wat vreemd nu het uitgangspunt bescherming is en de afwijking moeten blijken uit een expliciete instemming met het niet anonimiseren. Van een plicht tot het doen van een uitvraag of instemming wordt gegeven was tot nu geen sprake. Nu kennelijk wel als de verzoeker vraagt om een eigen dossier.

Het bestuursorgaan moet dus denken aan het doen van deze uitvraag onder de volgende omstandigheden:

  • verzoeker vraagt om zijn eigen dossier (verzocht is om alle documenten die gaan over het onderzoek van het bestuur naar zijn administratie).
  • in het verzoek is niet opgenomen dat bezwaar bestaat tegen openbaarmaking van de eigen persoonsgegevens.
  • als dan ook nog in het beroepschrift wordt opgemerkt dat dit bezwaar er niet is.
  • dan kan de aard van de informatie dwingen tot het expliciet vragen naar zijn mening (zienswijze) over de voorgenomen weigering zijn persoonsgegevens openbaar.
  • zodoende kan dan expliciet toestemming worden gegeven.

Rechtbank Midden-Nederland 28 juni 2021; andere aanpak voor alle Wob-verzoeken over corona en niet-tijdig beslissen

En weer een uitspraak over een beroep niet-tijdig beslissen. Dit keer een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland. Wederom krijgt het bestuursorgaan 8 weken (2 maanden) om tot besluitvorming over te gaan.

Beleidslijn “schieten met hagel na hagel”

De aanleiding vormt nu een beleidslijn afdoen van Wob-verzoeken van het ministerie van VWS vanwege corona. Die houdt kort gezegd in: wordt je bestookt met hagel (krijg je veel Wob-verzoeken naar veel documenten over één bestuurlijke aangelegenheid (in dit geval corona), schiet dan terug met hagel (neem zo nu en dan eens een Wob-besluit op basis van beoordeelde documenten in de hoop dat je – zolang je het richt aan de verzoeker en het onderwerp van zijn verzoek opneemt in je besluit – je deels wel raak schiet). Zodoende worden naar eigen tijd en inzicht Wob-verzoeken afgedaan.

Beroep niet-tijdig tegen alles?

NOS en NTR kunnen zich daar niet in vinden. Er volgen beroepen niet-tijdig beslissen. De rechtbank analyseert de besluiten. Daartoe gedwongen omdat deze aanpak – hopen op raak schieten – dwingt tot het zoekplaatje of wel beroep niet-tijdig kan worden ingesteld. Die weg staat namelijk alleen open bij uitblijvende besluiten op een aanvraag (het Wob-verzoek), maar niet bij besluiten tot actieve openbaarmaking (op grond van artikel 8 Wob). En gaat men buiten het verzoek om, dan is sprake van een besluit tot actieve openbaarmaking zo zagen we recent al eerder (zie deze update).

Gelukkig voor NOS (of was ‘t nu NPO?) en NTR blijft er buiten de besluiten tot actieve openbaarmaking genoeg onbeantwoorde verzoeken over. En dus wordt het ministerie uiteindelijk de genoemde opdracht, besluiten binnen twee maanden, meegegeven. Een extraatje qua dwangsom, namelijk EUR 250,– per dag met een maximum van EUR 37.500,- Eens zien of de genoemde softwareprogramma’s en extra Wob-juristen hun geld waard zijn…

Wet open overheid biedt mogelijkheden

Onder de Woo zou een en ander misschien anders zijn gegaan. Want had voor NOS en NTR voldoende geweest om de informatie onder voorwaarden (zie artikel 5.7 van de Wet open overheid) in te kunnen zien? En had men de weg van artikel 8.4 Woo (beroep niet-tijdig) ook onder de Woo bewandeld, of had men een klacht bij het Adviescollege ingediend (zie lid 3 van artikel 7.2)?

Eerste Kamer 22 juni 2021; inwerkingtreding Wet open overheid niet per 1 januari 2022

Hoewel de hoop nog aanwezig was dat de Wet open overheid per 1 januari 2022 in werking zou kunnen treden, is nu toch duidelijk geworden dat dit niet gaat lukken. De Eerste Kamer wil snel, maar voor het zomerreces bleek een plenaire behandeling niet meer mogelijk (zie dit bericht). Zo snel mogelijk na het zomerreces zal het plaatsvinden. Dat betekent, door dat de inwerkingtreding 6 maanden na verschijnen in het Staatsblad is voorzien (zie artikel 10.3), een inwerkingtreding per 1 januari 2022 niet meer haalbaar is.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 juni 2021; het gelijk van de Wet open overheid: nare procesrechtelijke cirkels bij bezwaar niet-tijdig

Zoals recent nog opgemerkt kan het voor de verzoeker bij een traag beslissende overheid frustrerend zijn te merken dat na een ingebrekestelling én beroep niet-tijdig het bestuursorgaan uiteindelijk ‘bestraft’ wordt met 8 weken na de uitspraak om alsnog tot besluitvorming over te gaan. De rechtspraak maakt duidelijk dat de rechter zoekt naar redelijke termijnen. Daarbij laat deze zich mede leiden door de omstandigheden van het geval, zoals het aantal documenten, het aantal belanghebbenden en andere bijkomende aspecten.

In de regel doet het bestuursorgaan er in dat verband goed aan inzicht te geven in die bijkomende omstandigheden. Helemaal nuttig is het als het bestuursorgaan – veelal daarnaar gevraagd door de rechtbank – dan ook concreet (en geloofwaardig) stelt hoeveel tijd het nog nodig heeft. De rechtspraak leert dat de rechter dan al snel op dat spoor terecht komt.

Zo ook de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De gemeente Tilburg stelt op 29 juni een besluit op het bezwaar te kunnen nemen (bijzonder als we zien hoe men maar niet tot besluitvorming overgaat en de verzoeker in allerlei procedurele bochten dwingt, zie hieronder). En dus blijft de rechtbank bij het uitgangspunt van artikel 15b van de Wob dat twee weken wordt ‘gegund’.

Procesrechtelijke knopen

Het procesverloop doet de wenkbrauwen nog fronzen overigens. Een eerder Wob-besluit leidde kennelijk tot een onjuiste interpretatie of leidde tot een onvolledige zoekslag van de zijde van de gemeente. Bezwaar tegen dat besluit werd ingetrokken en een nieuw Wob-verzoek volgde. Besluitvorming liet op zich wachten. Verzoeker stelt niet direct in gebreke (wat de ingang geeft voor een direct opvolgend beroep), maar bewandelt de weg van bezwaar niet-tijdig beslissen (artikel 15a van de Wob). Nu daar niet op wordt beslist, dient hij een bezwaar in tegen het niet tijdig beslissing op zijn bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Wob-verzoek. Kort daarna volgt dan beroep niet-tijdig.

Gelukkig voor de verzoeker is de rechtbank welwillend om het eerdere bezwaarschrift aan te merken als een ingebrekestelling. Anders stond het beroep niet-tijdig immers helemaal niet open. Dan kom je dus uiteindelijk nergens, zoals ook bleek uit een evaluatie van de afschaffing van de dwangsomregeling en de toelichting waarmee de initiatiefnemers het schrappen van artikel 8.3 van de Woo verklaren (zie tweede nota van wijziging, pagina 8).

Tip voor de verzoekers, sla dat bezwaar niet-tijdig over. Het schiet niet op, leidt tot een cirkel waar je – bij een stilzittende overheid – niet uitkomt. Maar goed dat de Wet open overheid de informatiezoekende burger de mogelijkheid van bezwaar niet-tijdig niet meer als optie geeft.