Dit is de categorie voor uitspraken, voor de pagina Jurisprudentie

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: Onderzoeksplicht bij Wob-verzoeken. Wat is er wel en wat niet?!

  1. In geval documenten waarom op grond van de Wet openbaarheid van bestuur wordt verzocht niet (meer) onder het bestuursorgaan berusten, is het de vaste lijn in de jurisprudentie dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is, om aannemelijk te maken dat een bepaald document toch bij het bestuursorgaan berust (M.G.J. Maas-Cooymans en C.N. van der Sluis, ‘Wet openbaarheid van bestuur in de praktijk’, Gst. 2010, 24, p. 104; E.J. Daalder, Toegang tot overheidsinformatie, Den Haag: BJu 2005, p. 100–102). De hier opgenomen uitspraken geven een indruk van het onderzoek dat het bestuursorgaan kan uitvoeren op grond waarvan het met recht kan stellen dat documenten niet onder hem berusten. De eerste uitspraak geeft voorts een aanknopingspunt voor de vraag wat een verzoeker dient aan te tonen als hij een bestuurlijke aangelegenheid omschrijft. Uw annotator stelt in dat verband dat de Minister van Verkeer en Waterstaat een andere aanpak had kunnen of moeten kiezen.
  2. Onderzoek van het bestuursorgaan

  3. Op welke wijze het bestuursorgaan het onderzoek, waaruit dient te blijken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust, dient vorm te geven en wat deze mededeling niet ongeloofwaardig maakt, is niet eenduidig uit de jurisprudentie op te maken. De casuïstiek van een specifiek verzoek zal daarbij iedere keer vragen om een andere aanpak.
  4. In de hier opgenomen uitspraak van 28 juli werd heel specifiek — met een datum en een naam van de opsteller van het document — verzocht om openbaarmaking van een document ‘met een berekening van een ambtenaar met daarop een met de hand geschreven opmerking dat hij niet begrijpt waarom dit moet gebeuren omdat het gebouw toch vijftien jaar blijft bestaan uit het dossier tijdelijke bouwvergunning’. Waarschijnlijk heeft dit zeer gespecificeerde verzoek het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois ertoe bewogen om — voor zover mij bekend voor het eerst in de geschiedenis van de WOB — een ambtenaar als getuige naar de zitting mee te nemen om nader te onderbouwen dat documenten niet onder haar berusten. In ieder geval heeft het dagelijks bestuur alle mogelijke twijfel weg willen nemen, zo veel is wel duidelijk. Minder duidelijk is of de betrokkenheid bij het dossier en de positie van de ambtenaar een rol heeft gespeeld. Dat wordt niet duidelijk nu de rol van deze ambtenaar (en dus de overweging van het dagelijks bestuur om juist deze ambtenaar mee te nemen) niet expliciet naar voren komt. Uit overweging 2.4.1 — waarin een weergave van de verklaring is opgenomen — kan worden opgemaakt dat het om de ambtenaar gaat, die naar aanleiding van het WOB-verzoek de archieven heeft onderzocht. Aan de verklaring van een dergelijke ambtenaar kan veel waarde worden toegekend, al zal ook de bij de inhoud van het dossier betrokken ambtenaar (bijvoorbeeld de opsteller van documenten in dat dossier) een nuttige verklaring kunnen afleggen. Hoe het ook zij, kennelijk heeft het meenemen van getuigen resultaat. De Afdeling is immers, ‘mede gelet’ op de afgelegde verklaring, met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat het document niet onder hem berust niet ongeloofwaardig voorkomt. Ik vermoed dat dit ook het geval was geweest als er geen getuige was geweest. Het is immers de vraag of een verklaring van de ambtenaar die daadwerkelijk (feitelijk) heeft onderzocht of documenten onder het bestuursorgaan berusten toegevoegde waarde mag worden toegekend ten opzichte van een bevoegd genomen besluit van een bestuursorgaan. Of met het inzetten van getuigen door deze zaak een nieuwe trend is ingezet is afwachten.
  5. In de andere hier opgenomen uitspraak ging het om een verzoek om openbaarmaking van documenten waaruit blijkt dat ten aanzien van ambtenaren van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, die in 2005 uit dienst zijn getreden en die na 1 januari 2004 tot de uitdiensttreding nog één of meer salarisperiodieken hebben gehad, een gunstiger regeling dan de ‘Remkes-regeling’ is toegepast. Het onderzoek van de minister is veelsoortig en op meerdere momenten in het proces uitgevoerd. Eerst is er het onderzoek van het archief naar aanleiding van het verzoek en (nogmaals) naar aanleiding van het bezwaarschrift. Niet duidelijk is of het eerste onderzoek (naar aanleiding van het verzoek) minder inspannend was of dat de totale heroverweging (naar aanleiding van het bezwaar) heeft geleid tot een tweede, gelijksoortig onderzoek. Dat laatste lijkt niet direct van toegevoegde waarde. Uit de uitspraak volgt dat het hier onderzoek naar zowel het papieren als het elektronische archief betrof. Dat veronderstelt een onderscheid tussen beide archieven. Tip 1 uit deze casus voor de WOB-verzoeker is om, zo er al verschil is, in ieder geval te vragen om documenten uit beide archieven. Vervolgens is, zo blijkt uit de overwegingen van de Afdeling, ook nog ‘handmatig’ onderzoek gedaan naar 27 specifieke dossiers. De beperking tot de 27 dossiers lijkt ingegeven door de opmerking van verzoeker aangaande het dienstonderdeel ‘Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling’. Daarmee lijkt gaandeweg de procedure het verzoek te zijn ingeperkt; iets wat regelmatig in de praktijk voorkomt. Wat dit zogeheten handmatige onderzoek inhoudt in vergelijking met de voorgaande onderzoeken van de archieven blijft gissen. Het zal indringender zijn en dus inhoudelijk nauwgezetter. Hoeveel waarde er dan aan dat eerdere (vermoedelijk) ‘algemenere’ archiefonderzoek mag worden toegekend, is dan ook de vraag. Een vraag die de Afdeling overigens niet — uitdrukkelijk — aan de orde heeft gesteld. Tip 2 voor de verzoeker om informatie is dan ook om te allen tijde te verzoeken om een handmatig onderzoek van de archieven. Ik vermoed overigens dat ten aanzien van het RIZA maar 27 dossiers aanwezig waren die onderwerp van het verzoek hadden kunnen zijn. Is dat niet het geval, dan zou het wel erg ‘maakbaar’ worden voor de minister om de stelling te onderbouwen dat er geen gunstiger regeling heeft plaatsgevonden en zich dus geen documenten onder hem berusten. Zou dossier 28 in de rij immers niet net dat inzicht hebben kunnen opleveren? Tot slot is nog, naar aanleiding van het hoger beroepschrift, onderzoek gedaan in het elektronische archief met de hulp van een ‘SAP-deskundige’. De toegevoegde waarde hiervan — en daarmee de waarde van de eerdere onderzoeken — is eveneens niet duidelijk op te maken uit de uitspraak. Ook de vraag waarom deze deskundige niet het papieren archief heeft doorzocht, komt niet aan de orde. Kort en goed heeft de minister met al het bovengenoemde onderzoek voldoende gevolg gegeven aan zijn plicht tot onderzoek en heeft hij daarmee een geloofwaardige mededeling kunnen doen dat de documenten niet onder hem berusten. Een aanvullend accountantsonderzoek is niet (meer) vereist, aldus de Afdeling.
  6. Bestuurlijke aangelegenheid?

  7. In de casus van de ‘Remkes-regeling’ is een ander, minder aan de oppervlakte aanwezig aspect dat bespreking behoeft. Vraag is immers of de minister zich wel tot een dergelijk onderzoek van de archieven — in welke vorm van ook — had moeten laten verleiden. Betoogd kan immers worden dat het verzoek niet gericht is op een bestuurlijke aangelegenheid, althans dat van de veronderstelde bestuurlijke aangelegenheid geen sprake is. Het verzoek ziet immers op informatie over ‘de toepassing van een gunstiger regeling dan de zogenoemde ‘‘Remkes-regeling’’ ten aanzien van een bepaalde groep ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat’. Van een dergelijke toepassing is, zo begrijp ik de stelling van de Minister van Verkeer en Waterstaat, geen sprake. De bestuurlijke aangelegenheid bestaat dus niet, zodat het ook niet verrassend genoemd mag worden dat er geen documenten dienaangaande onder de minister berusten. Tip 3 voor de WOB-verzoeker is dan ook te verzoeken om documenten en daarbij een neutrale omschrijving te geven van de bestuurlijke aangelegenheid. Dat zal eerder tot enig resultaat leiden. Het verzoek wordt in deze casus immers beperkt door documenten op te vragen die een bepaalde, nader gekwalificeerde inhoud kennen.
  8. Wat daar ook van zij, door zich toch tot het meervoudige en veelsoortige onderzoek te laten verleiden, heeft de minister m.i. onterecht een inhoudelijke discussie over een vermeende handelswijze via een WOB-procedure (tot aan de hoogste instantie) gevoerd; hij erkent immers impliciet de bestuurlijke aangelegenheid terwijl zijn stelling is dat deze er niet is. Onterecht ook, omdat de vraag of het bestuursorgaan bepaalde handelingen heeft verricht — gunstigere regelingen getroffen dan de ‘Remkes-regeling’ — niet beantwoord kan en mag worden via de WOB. Die ziet immers enkel op het wel of niet kunnen openbaar maken van documenten aangaande een bestuurlijke aangelegenheid die onder een bestuursorgaan berusten. Van een bestuurlijke aangelegenheid is geen sprake. Verzoeker ontleent zijn veronderstelling aan een — zo leert de uitspraak — onjuiste interpretatie van een document (een overeenkomst) waar hij wel de beschikking over heeft. De minister geeft — genoegzaam zo leert deze uitspraak — een gemotiveerde toelichting op deze overeenkomst zodat het niet denkbeeldig is dat er geen documenten onder hem berusten aangaande een gunstiger regeling. Het ware m.i. zuiverder geweest de procedure zeer strikt via de WOB (indachtig het doel van de WOB: beoordelen of informatie openbaar gemaakt kan worden) te laten verlopen. In dat geval had de minister verzoeker op zijn plicht gewezen de bestuurlijke aangelegenheid te benoemen (art. 3 lid 1 en 2 WOB). Was verzoeker bij zijn huidige formulering gebleven, dan had hulp van de minister moeten leiden tot een precisering (art. 3 lid 4). Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt, dat behulpzaam zijn bij het verkrijgen van toegang tot informatie concreet inhoudt dat (een medewerker van) een bestuursorgaan waarbij een te algemeen geformuleerd verzoek om informatie is ingediend, de verzoeker helpt bij het nader concretiseren van het verzoek, zodanig dat het inhoudelijk in behandeling kan worden genomen (Kamerstukken II 2002/03, 28 835, nr. 3, vgl. Rb. Amsterdam 26 februari 2010, LJN BL9989). Hier had de uitleg aangaande de overeenkomst — waar de misvatting op gebaseerd bleek — een verhelderende rol kunnen spelen, zodat een procedure zelfs niet nodig was geweest. Mogelijk was men dan gekomen tot een WOBverzoek dat gericht was op de 27 dossiers van het RIZA zodat verzoeker vervolgens zelf kon bepalen — aan de hand van de openbaar gemaakte onderdelen — of er enige grond was voor zijn veronderstelling dat er gunstigere regelingen werden getroffen. Was verzoeker (niet ondenkbeeldig) standvastig in zijn stellingname geweest — er moest en zou een gunstigere regeling zijn toegepast — dan had de minister kunnen en moeten concluderen dat van een verzoek om informatie als bedoeld in art. 3 WOB geen sprake was — nu de bestuurlijke aangelegenheid ontbrak — zodat gelet daarop van een inwilliging geen sprake kon zijn (vgl. Vz. ARRvS 15 november 1990, Gst. 1991, 1809 en ABRvS 20 mei 1994, AB 1995, 52). Kort en goed leent de WOB zich niet voor een inhoudelijke twist over vermeende handelingen van een bestuursorgaan. Die discussie dient te worden gevoerd naar aanleiding van — op grond van de WOB — ontvangen informatie. Niet in de WOB-procedure zelf.

Essentie

Onderzoeksplicht bij WOB-verzoeken.

Samenvatting

Wanneer een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan diegene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Een getuigenverklaring kan deze mededeling van het dagelijks bestuur nader onderbouwen.

Partij(en)

Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 25 november 2009 in zaak nr. 08/5375 in het geding tussen:
[appellant]
tegen
het dagelijks bestuur van de deelgemeente Charlois.

Uitspraak

  1. Procesverloop

    Bij besluit van 27 augustus 2008 heeft het dagelijks bestuur voor zover relevant een verzoek van [appellant] tot openbaarmaking van een document uit het dossier ‘Tijdelijke Bouwvergunning ten behoeve van een zorghotel aan de Charloise Lagedijk 951 te Rotterdam’ (hierna: dossier tijdelijke bouwvergunning) afgewezen. Bij besluit van 27 november 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 november 2009, verzonden op 26 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2009, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2010, waar van de partijen uitsluitend het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. T.A. Revet, werkzaam bij de deelgemeente Charlois, is verschenen. Voorts is daar H. Beijer onder verband van de toen door hem afgelegde belofte als getuige gehoord.

  2. Overwegingen

    1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
    2. [appellant] heeft bij brief van 3 augustus 2008 onder meer het dagelijks bestuur om openbaarmaking van een document uit het dossier tijdelijke bouwvergunning verzocht. Het betreft volgens [appellant] een document met een berekening van een ambtenaar met daarop een met de hand geschreven opmerking dat hij niet begrijpt waarom dit moet gebeuren omdat het gebouw toch vijftien jaar blijft bestaan. Bij het besluit tot afwijzing van dit verzoek heeft het dagelijks bestuur zich ten aanzien van dit document op het standpunt gesteld dat dit niet onder hem berust. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte [appellant] heeft bij brief van 3 augustus 2008 onder meer het dagelijks bestuur om openbaarmaking van een document uit het dossier tijdelijke bouwvergunning verzocht. Het betreft volgens [appellant] een document met een berekening van een ambtenaar met daarop een met de hand geschreven opmerking dat hij niet begrijpt waarom dit moet gebeuren omdat het gebouw toch vijftien jaar blijft bestaan. Bij het besluit tot afwijzing van dit verzoek heeft het dagelijks bestuur zich ten aanzien van dit document op het standpunt gesteld dat dit niet onder hem berust. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte
    3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat het document niet bestaat niet ongeloofwaardig voorkomt. Naar haar oordeel heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het vermeende document, ondanks het feit dat het zich niet in het dossier bevindt, onder het dagelijks bestuur berust.
    4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat het document niet onder hem berust niet ongeloofwaardig voorkomt. [appellant] voert voorts aan dat in deze procedure en eerdere procedures nooit is ontkend dat het stuk bestaat en dat het dagelijks bestuur en de betrokken ambtenaar er alle belang bij hebben om het document niet boven tafel te halen. [appellant] betwist voorts de overweging van de rechtbank, dat hij het document niet nader gespecificeerd zou hebben naar datum en opsteller nu hij wel degelijk belangrijke aanwijzingen daarover heeft gegeven.
      1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2006 met nr. 200509349/1, en de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2009 met nr. 200801830/1 waaruit volgt dat wanneer een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan diegene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Blijkens diens ter zitting in hoger beroep afgelegde, en door het dagelijks bestuur bevestigde, getuigenverklaring heeft getuige Beijer, werkzaam bij de deelgemeente Charlois, noch in het dossier dat de deelgemeente onder zich heeft noch in het dossier dat de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting onder zich heeft, het door [appellant] bedoelde stuk aangetroffen. Voorts heeft deze getuige verklaard dat hij geen redenen heeft om aan te nemen dat het stuk, indien het heeft bestaan, achtergehouden is. De Afdeling is mede gelet hierop met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van het dagelijks bestuur dat het document niet onder hem berust niet ongeloofwaardig voorkomt. De aanwijzingen van [appellant] ten aanzien van de datum en opsteller van het document en de omstandigheid dat het dagelijks bestuur het bestaan van het stuk nooit heeft ontkend, wat daar ook van zij, maken niet aannemelijk dat dit anders is.
      2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
    5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak.

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: Geen wettelijke grondslag voor het in rekening brengen van kosten voor het in behandeling nemen van Wob-verzoeken

  1. Een korte uitspraak met (mogelijk) verstrekkende gevolgen. Deze uitspraak heeft dan ook tot de nodige beroering geleid bij bestuursorganen en in de politiek. Kort zij verwezen naar het advies van de VNG gericht aan haar leden deze uitspraak niet te volgen (www.vng.nl/smartsite.dws?id=96470) en Kamervragen hierover van het lid Peters van GroenLinks op 18 mei 2010 (2010Z08361).
  2. Om paal en perk te stellen aan de (potentiële) stortvloed van WOB-verzoeken, dachten bestuursorganen met het in rekening brengen van leges een soort drempel te creëren. Een WOBverzoek is immers zo gedaan. Vormvereisten zijn er niet en enig belang bij de verzochte informatie (of de bestuurlijke aangelegenheid) behoeft men niet te stellen (zie M.G.J. Maas-Cooymans en C.N. van der Sluis, ‘Wet openbaarheid van bestuur in de praktijk’, Gst. 2010, 24). Daarnaast is — zo was ogenschijnlijk de gedachte — het in behandeling nemen van een WOB-verzoek het leveren van een dienst aan de informatie zoekende burger, die — vergelijkbaar met een aanvraag om een bouwvergunning — niet kosteloos hoeft te zijn.
  3. De Rechtbank ‘s‑Gravenhage oordeelt in deze uitspraak evenwel anders. Eerst constateert zij dat de WOB geen specifieke grondslag geeft voor het in rekening brengen van leges. Vervolgens stelt zij vast dat het behandelen van een verzoek om informatie geen ‘dienst’ is. Dit ontneemt de gemeente dan ook de mogelijkheid om op grond van de Gemeentewet een legesverordening vast te stellen op dit punt. De legesverordening, voor zover deze ziet op het in rekening brengen van leges voor de behandeling van WOB-verzoeken, moet volgens de rechtbank dan ook onverbindend worden geacht. Hierna worden de verschillende stappen van de rechtbank besproken en worden enkele kritische kanttekeningen bij de verschillende stappen geplaatst. Zo geeft m.i. de WOB met art. 14 expliciet een grondslag voor het kunnen stellen van regels aangaande het in rekening brengen van kosten. Daarnaast kan — mocht je willen meegaan in deze lijn van de rechtbank — worden betoogd dat er wel degelijk sprake is van een ‘dienst’ zodat de legesverordening wel degelijk kan zien op de dienstverlening ‘behandelen van een WOB-verzoek’. Tot slot geef ik nog een overweging die ertoe leidt dat een wettelijke basis niet eens is vereist.
  4. De WOB als grondslag

  5. De rechtbank volstaat met de overweging dat de WOB geen grondslag geeft voor het in rekening brengen van leges. De rechtbank bespreekt, althans citeert daartoe art. 14 aanhef en onder b. Op grond van deze bepaling kunnen door decentrale overheden nadere regels worden gesteld omtrent de uitvoering van het bij of krachtens de WOB gestelde. Zonder dat expliciet te bespreken, lijkt de rechtbank het stellen van regels aangaande het in rekening brengen van leges niet gelijk te stellen met het stellen van regels omtrent de uitvoering. Hoewel dit te begrijpen valt in het licht van art. 12 WOB — waarin enkel voor de centrale overheid de mogelijkheid is geboden dat bij of krachtens AMvB regels te stellen voor het in rekening brengen van vergoedingen — gaat de rechtbank hier te kort door de bocht. Art. 14 WOB geeft immers een grondslag voor het stelen van regels over de uitvoering van het bij of krachtens de WOB gestelde. Regels over het in rekening brengen van kosten is daar goed onder te verstaan. Meer decentrale bestuursorganen lijken deze gedachte te hebben gehad. Zie bijvoorbeeld de Regeling tarieven openbaarheid van bestuur politieregio Rotterdam-Rijnmondkorpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (Stcrt. 2009, 1634, 3 februari 2009).
  6. Er is — naast het feit dat art. 14 WOB een grondslag biedt — geen enkele gerechtvaardigde reden voor een onderscheid tussen de centrale overheid en decentrale overheden met betrekking tot de vraag of het wenselijk of rechtmatig is dat kosten in rekening worden gebracht. Dat art. 12 WOB enkel ziet op de centrale overheid volgt uit de ontstaansgeschiedenis van de voorloper van de huidige WOB, de WOB van 9 november 1978 (Stb. 1978, 581). Deze was eerst nog enkel geschreven voor organen van de centrale overheid en werd pas bij nota van wijzigingen verruimd tot organen van onder meer provincies en gemeenten (Kamerstukken ii 1976/77, 13 418, nr. 9). Reden voor het niet mee ‘verruimen’ van art. 7 (aangaande de mogelijkheid tot het stellen van regelen voor te berekenen tarieven) kan worden gevonden in de overweging van de regering dat de algemene bepalingen inzake openbaarheid ‘voor verschillende bestuurslagen afzonderlijk (behoren te) worden uitgewerkt, deels door nadere regelen, deels, indien dit noodzakelijk zou blijken, door wijziging en/of aanvulling van provincie- en gemeentewet’. (Kamerstukken 1976/77, 31 418, nr. 7–8, p. 15–16). Ook uit de parlementaire geschiedenis bij de huidige art. 12 en 14 WOB valt af te leiden dat onderscheid inzake het mogen stellen van regels aangaande het in rekening brengen van kosten door zowel de centrale overheid als de decentrale overheden niet is beoogd. Zo bleek het aanvankelijk de bedoeling te voorzien in de mogelijkheid om voor alle bestuursorganen nadere regels over vergoedingen vast te stellen. De Evaluatiecommissie Wet Openbaarheid had hier in haar advies van 15 april 1983 ‘Openbaarheid tussen gunst en recht’ ook op aangedrongen (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 39). Echter, op voorspraak van de Tweede Kamer werd hier verandering in gebracht door art. 12 te wijzigen en te beperken tot de centrale overheid (Kamerstukken II 1988/89, 19 859, nr. 18). De regering kon dit accepteren omdat ‘indien zich op het decentrale niveau ter zaken buitensporigheden zouden voordoen, voldoende andere middelen ter beschikking staan daar een einde aan te maken’. (Kamerstukken II 1989/90, 19 859, nr. 27). Een impliciete bevestiging derhalve dat via andere weg tarieven konden worden gesteld. Ook het huidige kabinet draagt expliciet uit dat gemeenten, provincies en waterschappen reeds op grond van de WOB zelf een regeling kunnen vaststellen ter uitvoering van de wet en lijkt impliciet te stellen dat dit ook op het in rekening brengen van kosten ziet (Kamerstukken II 2008/09, Aanhangsel 5563). In deze laatstgenoemde beantwoording van Kamervragen verzuimt de minister evenwel expliciet te stellen dat dit nader regelen mogelijk is op grond van art. 14 WOB.
  7. Legesverordening?

  8. De rechtbank stelt vervolgens dat de Gemeentewet geen grondslag biedt voor het in rekening brengen van leges. In de literatuur werd deze optie juridisch mogelijk geacht. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de ABRvS van 9 juli 2003 waarin gesteld en geaccepteerd wordt dat er andere wettelijke regelingen mogelijk zijn waarin een grondslag wordt gerealiseerd om kosten in rekening te brengen (Zie ‘Wet openbaarheid van bestuur’, losbladige Sdu, p. 52 en ABRvS 9 juli 2003, LJN AH9391 en AH 9390). De Afdeling hoefde zich in die gevallen evenwel niet expliciet uit te laten over de geoorloofdheid van legesverordeningen. Daar stond immers het in rekening brengen van kosten door een minister ter discussie. In die zin is het teleurstellend dat tegen de hier opgenomen uitspraak niet in hoger beroep wordt opgekomen — zo blijkt uit navraag. De rechtbank vindt geen grondslag in de Gemeentewet gelet op de door de Hoge Raad gehanteerde definitie van ‘dienst’ in de zin van de Gemeentewet (zie bijvoorbeeld HR 17 april 2009, LJN BI1253). Van belang voor het onderhavige geval is dat de dienstverlening ‘buiten het gebied van de publieke taakuitoefening’ ligt en ten behoeve van een ‘individualiseerbaar belang’ is. De rechtbank meent, dat een gemeente bij het in behandeling nemen van de WOB het algemene belang van openbaarheid van informatie dient te betrekken. Bij die redenering — de dienst ‘het in behandeling nemen van een WOB-verzoek’ is geen dienst als bedoeld in art. 229 Gemw — die eerder nog werd gevolgd door de Rechtbank Rotterdam op 3 september 2009 (LJN BF2086) kunnen enkele vraagtekens worden geplaatst.
  9. Verzoekers om informatie hoeven geen belang te hebben en de WOB vraagt op grond van art. 3 om een afweging van het algemene belang van openbaarheid en het in de WOB expliciet opgenomen belang (in de vorm van een uitzonderingsgrond of beperking). Zie uitgebreid ook M.G.J. Maas- Cooymans en C.N. van der Sluis, ‘Jurisprudentie 2009 tot begin 2010 inzake de weigeringsgronden en beperkingen’, Gst. 2010, 32. De gemeente bracht het beroepsmatige belang van eiser dan ook onterecht in verweer (zie r.o. 3.9). Dat betekent m.i. evenwel niet dat het in behandeling nemen van een verzoek om informatie, niet individualiseerbaar tot de verzoeker zou zijn en dat het (evenzeer als het in behandeling nemen van een aanvraag om een bouwvergunning) niet zou zijn gelegen buiten de publieke taakuitoefening. Het bestuursorgaan zal immers, zonder dat het verzoek expliciet is gedaan (en voldoende concreet is) geen archiefonderzoek doen om de bewuste documenten boven tafel te krijgen, te ordenen, te kopiëren en uit te sturen. Daarbij komt dat de individuele aard en strekking van het WOBverzoek bepalend is voor de reikwijdte van het verzoek en de moeite die het bestuursorgaan zich moet getroosten om op dat verzoek te beslissen. Tot slot mag het vanzelfsprekend zijn dat bij de beoordeling waarvoor het bestuursorgaan wordt gesteld — wel of niet openbaar maken van niet-openbare stukken — een afweging gemaakt moet worden tussen het algemene belang van openbaarheid en het in de WOB opgenomen belang dat aan die openbaarheid in de weg kan staan. Dat laat evenwel onverlet dat tot het moment dat het bestuursorgaan een besluit neemt op het WOB-verzoek, er vooralsnog sprake is van een wederzijdse rechtsrelatie tussen verzoeker en bestuursorgaan (behoudens de gevallen dat derde belanghebbenden betrokken zijn) en alle inspanningen van het bestuursorgaan enkel en alleen zijn toe te schrijven aan het verzoek van verzoeker. Meer individualiseerbaar dan dat kan ik me moeilijk voorstellen. M.i. kan dan ook pas nadat het besluit is genomen, de eventuele uitwerking van het besluit leiden tot een niet individualiseerbaar belang: de bewuste documenten die openbaar zijn gemaakt, zijn nadien openbaar voor een ieder. Althans is na een verzoek daarom de reeds openbaar gemaakte informatie openbaar en niet meer te weigeren (vgl. ABRvS 31 augustus 2005, Gst. 2006, 9 (m.nt. R. Kooper). Handelingen op eigen initiatief van het bestuursorgaan (als gevolg van het besluit), zoals het op internet plaatsen van de documenten — wat veelvuldig gebeurt, met name bij de rijksoverheid — komt in dat geval niet voor het in rekening brengen van leges in aanmerking.
  10. Wettelijke regeling wel vereist?

  11. Los van het voorgaande is van belang te bezien voor welke activiteit nu een rekening wordt gepresenteerd en of een wettelijke regeling überhaupt wel is vereist. In lijn met Van Wijk en Konijnenbelt kan immers worden gesteld dat, voor zover er sprake is van betalingsverplichtingen die een tegenprestatie vormen van duidelijk aanwijsbare overheidsdiensten waarvan ook de kosten behoorlijk te verifiëren zijn, een wettelijke regeling in het geheel niet is vereist. Dat is anders indien het gaat om diffusere kosten en minder rechtstreekse prestaties (H.D. van Wijk & W. Konijnenbelt, R.M. van Male, Hoofdlijnen bestuursrecht, 2008, p. 210). Het komt me voor dat de kosten die een bestuursorgaan voor het behandelen van een WOB-verzoek in rekening wil brengen, behoren tot de eerste categorie. Het opzoeken, beoordelen, kopiëren, ordenen en uitsturen van de informatie zijn juist activiteiten die aan te merken zijn als duidelijk aanwijsbare overheidsdiensten waarvan ook de kosten behoorlijk te verifiëren zijn. Zie hier een mogelijkheid voor decentrale overheden om alsnog — buiten de legesverordening om — kosten in rekening te brengen. Voorop staat m.i. echter dat in art. 14 WOB een wettelijke basis is neergelegd voor het in rekening brengen van kosten voor de behandeling van WOB-verzoeken en het expliciet regelen de voorkeur verdient.

Essentie

Geen wettelijke grondslag (noch in de WOB noch in de Gemeentewet) om leges te heffen ter zake van het in behandeling nemen van WOB-verzoeken. (Kaag en Braassem)

Samenvatting

In de WOB zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot legesheffing, aldus de rechtbank. Die wet biedt derhalve geen wettelijke basis om leges te heffen ter zake van het in behandeling nemen van WOB-verzoeken. Het begrip ‘dienst’ in de Legesverordening 2009 (hierna: Legesverordening) is kennelijk in dezelfde zin gebruikt als in art. 229 lid 1 aanhef en onder b Gemw. Of leges in rekening mochten worden gebracht hangt af van het antwoord op de vraag of de verrichte werkzaamheden als dienst kunnen worden aangemerkt. Daarvan is geen sprake nu verweerder bij het in behandeling nemen van een WOBverzoek het algemene belang van openbaarheid van informatie en meer concreet de openbaarheid van informatie over de uitoefening van het gemeentelijke ICT-beleid dient. Nu verweerder geen dienst in voormelde zin heeft geleverd, kan art. 229 lid 1 aanhef en onder b Gemw niet als wettelijke grondslag dienen voor onderdeel 1.1.7 van de Tarieventabel, waardoor dit deel van de Tarieventabel onverbindend is. Dit betekent dat voor onderhavige legesheffing geen wettelijke grondslag aanwezig is en het beroep derhalve gegrond moet worden verklaard.

Partij(en)

Uitspraak ingevolge art. 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [eiser], wonende te [plaats], eiser,
tegen
de heffingsambtenaar van de gemeente Kaag en Braassem (rechtsopvolger van de gemeenten Alkemade en Jacobswoude), verweerder.

Uitspraak

Procesverloop

Bij brief van 15 maart 2009 heeft eiser op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) verzocht om openbaarmaking van informatie inzake het actieplan Nederland Open in Verbinding. Bij nota van 1 april 2009 is van eiser een bedrag van € 23,- aan leges gevorderd voor het in behandeling nemen van eisers Wob-verzoek (€ 21,50) en voor het verstrekken van drie kopieën (€ 1,50). Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft verweerder eisers bezwaar gericht tegen het heffen van leges voor het verstrekken van drie kopieën gegrond verklaard. Eisers bezwaar gericht tegen het heffen van leges voor het in behandeling nemen van zijn Wob-verzoek, is ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. De zaak is op 22 maart 2010 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van der Plas.

Overwegingen

  1. In geschil is of van eiser terecht een bedrag aan leges van € 21,50 is gevorderd voor het in behandeling nemen van zijn Wob-verzoek.
  2. Eiser heeft betoogd dat hem geen leges in rekening mogen worden gebracht, omdat de door verweerder verrichte werkzaamheden, bestaande uit het in behandeling nemen van zijn Wob-verzoek, niet kunnen worden aangemerkt als een dienst als bedoeld in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet maar moeten worden aangemerkt als een door verweerder jegens burgers na te leven recht op informatie.
  3. De rechtbank overweegt als volgt.
    1. Artikel 2, eerste lid, van de Wob, bepaalt, voor zover hier van belang, dat een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak informatie verstrekt overeenkomstig de Wob en daarbij uitgaat van het algemeen belang van informatie.
    2. Artikel 3, derde lid, van de Wob, bepaalt, dat de verzoeker bij zijn verzoek (om informatie) geen belang behoeft te stellen.
    3. Artikel 14, aanhef en onder b, van de Wob, bepaalt, voor zover hier van belang, dat voor gemeenten door hun besturen nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de uitvoering van het bij of krachtens de Wob bepaalde.
    4. De rechtbank overweegt dat in de Wob geen bepalingen opgenomen met betrekking tot legesheffing en die wet derhalve geen wettelijke basis biedt om leges te heffen ter zake van het in behandeling nemen van Wob-verzoeken.
    5. Verweerder heeft de Legesverordening 2009 (hierna: Legesverordening) aan de nota van 1 april 2009 ten grondslag gelegd. Artikel 2 van de Legesverordening luidt: ‘Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in de verordening en de daarbij behorende tarieventabel.’ Ingevolge onderdeel 1.1.7 van de Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening, bedragen de leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven van stukken die op grond van de Wob worden verstrekt € 21,50.
    6. Kennelijk is het begrip ‘dienst’ in artikel 2 van de Legesverordening in dezelfde zin gebruikt als in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.
    7. Of verweerder van eiser leges mocht vragen hangt af van het antwoord op de vraag of de door verweerder verrichte werkzaamheden als dienst kunnen worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
    8. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (hierna: HR) kunnen door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden slechts als een dienst worden aangemerkt, indien het gaat om werkzaamheden die liggen buiten het gebied van de publieke taakuitoefening en rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang (zie bijvoorbeeld het arrest van de HR van 17 april 2009, LJN BI1253).
    9. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door verweerder verrichte werkzaamheden niet worden aangemerkt als een dienst in voormelde zin. Verweerder dient bij het in behandeling nemen van eisers Wob-verzoek het algemene belang van openbaarheid van informatie en meer concreet de openbaarheid van informatie over de uitoefening van het gemeentelijke ICT-beleid. De stelling van verweerder dat de betreffende werkzaamheden verband houden met eisers individuele beroepsmatige belang doet, wat daar ook van zij, aan het vorenstaande niet af gelet op het derde lid van artikel 3 van de Wob, dat bepaalt dat de verzoeker bij zijn verzoek geen belang behoeft te stellen.
    10. Nu verweerder geen dienst in voormelde zin heeft geleverd, kan artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet niet als wettelijke grondslag dienen voor onderdeel 1.1.7 van de Tarieventabel, waardoor dit deel van de Tarieventabel onverbindend is. Dit betekent dat voor onderhavige legesheffing geen wettelijke grondslag aanwezig is en het beroep derhalve gegrond moet worden verklaard. De overige door eiser aangedragen beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
  4. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet grond aanwezig met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de nota van 1 april 2009 te herroepen.
  5. De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft moeten maken. Voor vergoeding komen in aanmerking de door eiser gemaakte reiskosten openbaar vervoer, laagste klasse, voor de trajecten [traject 1] (€ 33,60) en [traject 2] (€ 28,40), zijnde een bedrag van € 62,-.

Beslissing

De Rechtbank ‘s‑Gravenhage, Recht doende:
— verklaart het beroep gegrond;
— vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2009;
— herroept de nota van 1 april 2009;
— bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
— veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 62,- , welk bedrag aan eiser moet worden vergoed;
— bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,-, vergoedt.