Dit is de categorie voor uitspraken, voor de pagina Jurisprudentie

Update Raad van State 9 september 2020; Eerder misbruik zet de verzoeker al op achterstand

Al meerdere besproken dat ieder verzoek om informatie opnieuw moet worden bezien, maar dat ervaringen en uitspraken uit het verleden – bijvoorbeeld over vastgesteld misbruik van de Wob – wel een aanleiding kunnen vormen voor een zelfde uitkomst. Hoewel het willen frustreren van de gemeente Amsterdam kennelijk niet meer (expliciet) het doel is van de verzoeker in kwestie zoals eerder, zijn de feiten en omstandigheden zodanig (hoeveelheid, aard en inhoud van het verzoek) dat de Raad van State in deze uitspraak opnieuw misbruik van de Wob aanneemt. Bijzonder is dat deze feiten en omstandigheden ook kunnen leiden tot het niet hoeven geven van de gelegenheid om een verzoek te specificeren.

Update Raad van State 9 september 2020; Wet normering topinkomens (Wnt) en de Wob

De Minister kan op grond van de Wet normering topinkomens (Wnt) handhavend optreden bij een te hoge ontslagvergoeding bij bepaalde instanties. Bij die handhaving kan ook worden overgegaan tot openbaarmaking van dat handhavend optreden.

De Wnt geeft zelf geen grondslag voor het actief openbaar maken. Vast gegeven is dat artikel 8 van de Wob op zichzelf al een voldoende grondslag geeft voor actief publiceren. Dat vraagt wel (anders dan bij de Jeugdwet bijvoorbeeld; zie deze update) een afweging van belangen en leidt tot een besluit met de nodige rechtsbeschermingsmogelijkheden (zie deze annotatie). Is het belang van openbaarheid wel zo zwaarwegend dat het opweegt tegen belangen zoals genoemd in artikel 10 van de Wob?

De Raad van State laat in deze uitspraak zien hoe zo’n belangenafweging plaatsvindt bij toezichtsinformatie op grond van de Wnt. Men kijkt vooral naar het mogelijke onevenredig nadeel als gevolg van de publicatie.

Onzekerheid over de uiteindelijke uitkomst van handhaving maakt niet dat van publicatie moet worden afgezien. En in beginsel is de rechter bevoegd te oordelen over openbaarmaking die ook iets te vinden heeft over het handhavingsbesluit. Het gaat ook sec om de beoordeling van openbaarheid en niet de inhoud van het rapport, als dat rapport niet ten grondslag ligt aan het handhavingsbesluit.

In dit geval acht de Raad van State onevenredige benadeling aan de orde nu – hoewel geanonimiseerd – niet valt uit te sluiten dat betrokkene is te identificeren. Het gaat om deze persoon waarbij ook melding wordt gemaakt van werkverleden, functie en werkgever. Dit maakt, ongeacht de neutrale bewoordingen en dat sprake is van feitelijke bevindingen met een voorlopige conclusie dat onevenredig nadeel niet valt uit te sluiten. Van belang wordt ook geacht dat een handhavingsprocedure al was opgestart. Betrokkene kon dus niets meer voorleggen aan de civiele rechter aangaande de juistheid van het rapport. Dat moest immers gebeuren tegen het – inmiddels genomen – handhavingsbesluit.

Update Rechtbank Overijssel 2 september 2020; Geheimhouding (8:29) bij handhaving. Verzoeker om handhaving niet vanzelf beschermd!

In handhavingskwesties is het nog wel eens nuttig of interessant voor degene die geconfronteerd wordt met handhaving te weten uit welke hoek een verzoek om handhaving komt (zie eerder al aangestipt in dit artikel). In een geval waarover de geheimhoudingskamer van de Rechtbank Overijssel zich moet uitlaten gaat het om een handhavingskwestie jegens een Bed & Breakfast.

De verzoeker om handhaving zou om geheimhouding hebben gevraagd. Verweerder heeft verwezen naar een enkele uitspraak van de Raad van State waaruit zou volgen dat anonimiteit kan worden gegarandeerd, ook bij toepassing van 8:29 Awb.

De rechtbank wijst op de rechtspraak van de Raad van State – waaronder de overzichtsuitspraak van juni – om maar weer te benadrukken dat een uitvoerige en gedegen motivering aan een verzoek om beperkte kennisneming (8:29) ten grondslag moet liggen. Die motivering ontbreekt en de rechtbank ziet ook overigens niet int dat geheimhouding van naam, adres en woonplaats van de verzoeker om handhaving noodzakelijk is (nu bijzondere omstandigheden ook niet zijn aangedragen).

Let op, deze toets is dus een andere dan bij de afhandeling van Wob-verzoeken. In die gevallen kan het zo zijn dat vanwege spanningen in de omgeving terughoudendheid kan worden betracht inzake het openbaar maken van handhavingsverzoeken (zie deze update). Ook meer algemeen kan bedacht worden dat de overheid ook belang heeft bij enige vertrouwelijkheid van het contact met haar. De vergaande uitspraak inzake Unilever is daarvan een voorbeeld. Maar ook de uitspraak over de burgerbrieven is in dit licht interessant. De uitspraak van de geheimhoudingskamer wekt de indruk dat wijzen op dergelijke bijzondere omstandigheden de uitkomst nog wel eens anders had kunnen maken. Les voor de praktijk: maak je er niet te makkelijk van af bij het verzoek op grond van 8:29. Motiveer het als een besluit.

Update Raad van State 2 september 2020: NPO is voorheen NOS en dus beperkt te Wobben

Bestuursorganen zijn te ‘wobben’ (zie artikel 1a Wob) maar sommige bestuursorganen maar beperkt. De bijzonderheid is neergelegd in het Besluit Wno en Wob. Artikel 1 van dat Besluit moet beperkt worden uitgelegd (want vormt een uitzondering) op de Wob, maar dat neemt niet weg dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om van alle werkzaamheden die de NOS als bestuursorgaan verrichtte, alleen werkzaamheden die voortvloeien uit of verband houden met de programma’s van de instellingen en de zendtijdindeling onder de reikwijdte van de Wob te brengen. Dit is niet anders voor NPO – de rechtsopvolger van de NOS – zodat de raad van bestuur van de NPO alleen onder de reikwijdte van de Wob valt, voor zover het gaat om werkzaamheden die voortvloeien uit of verband houden met de programma’s van de instellingen en de zendtijdindeling. Zo oordeelt de Raad van State in twee uitspraken vandaag (I en II).

Update Raad van State 2 september 2020; Actieve openbaarmaking Jeugdwet. Geen belangenafweging per geval.

De algemene grondslag om tot actieve openbaarmaking over te gaan is opgenomen in artikel 8 van de Wob.  Geldt die grondslag, dan vergt dat een zorgvuldige procedure (van zienswijze en mogelijkheid van bezwaar en voorlopige voorziening) en een gedegen belangenafweging (tussen het algemene belang van openbaarheid en de belangen die zijn opgenomen als weigeringsgronden in vooral artikel 10 van de Wob).

Dit is anders indien een bijzondere wet het nodige regelt over actieve openbaarmaking. Zo’n regeling is te vinden in artikel 9.7 van de Jeugdwet over toezichtsrapporten van de minister over een jeugdhulpaanbieder. Het wettelijk kader maakt duidelijk dat aangewezen categorieën van informatie bekend gemaakt zullen worden. De wetgever weegt zodoende de belangen van de ondertoezichtgestelden in het algemeen af tegen andere belangen. Het gaat dus niet om een afweging van belangen per individueel geval (zoals bij de Wob). Duidelijk wordt ook (in de wetsgeschiedenis) dat de vraag wat in de praktijk openbaar moet worden gemaakt niet is onderworpen aan een belangenafweging. Feitelijke criteria moeten duidelijk maken welke informatie openbaar moet worden gemaakt. Openbaarmaking geschiedt wel door middel van een besluit, maar – gelet op het voorgaande – wel een tamelijk gebonden besluit.

De Raad van State maakt in deze uitspraak dan ook duidelijk dat de rechtelijke toetsing van een openbaarmakingsbesluit beperkt moet zijn tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover maken geen deel uit van de door de bestuursrechter te verrichten toetsing evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd. Een belangenafweging is niet aan de orde behoudens voor zover het gaat om persoonsgegevens die in het openbaarmakingsbesluit zijn vermeld. In dat geval dient in het kader van artikel 8 van het EVRM te worden beoordeeld of de voorgenomen openbaarmaking geen ontoelaatbare inbreuk maakt op de in dit artikel vervatte bescherming van het privéleven.

Nu het betrokken bedrijf vooral feitelijke onjuistheden naar voren heeft gebracht en de minister daar onvoldoende inhoudelijk op gereageerd heeft, moet de minister opnieuw besluiten op het oorspronkelijke bezwaar.

Update Wrakingskamer Raad van State 31 augustus 2020; Per ongeluk openbaar is niet openbaar. Gevolgen voor inbreng van informatie in de procedure

Per ongeluk openbaar is geen openbaarmaking volgens de Wob (zie eerder al deze uitspraak). Deze uitspraak van de wrakingskamer van de Raad van State leert dat vervolgens ook terughoudend moet worden omgegaan met per ongeluk ontvangen documenten door een procespartij.

De rechtbank had per ongeluk de ongelakte documenten toegezonden. De Wob-verzoeker gebruikte de inhoud van die documenten – woordelijk – om haar gronden van hoger beroep kracht bij te zetten. De Afdeling wilde geen kennis nemen van dit document want dan zou het betrokken worden in de procedure al ware het al openbaar. Die processuele opstelling wordt geoorloofd geacht, want dit alles geeft geen aanleiding om de staatsraden in kwestie te wraken.

Update Rechtbank Noord-Holland 20 juli 2020; De bezwaarcommissie moet alle stukken integraal krijgen om goed te kunnen adviseren. Redelijke termijn en schadevergoeding

Er is nog wel eens kritiek op de bezwaarfase, juist ook bij Wob-procedures. Het voelt al snel als een rituele dans, van een heroverweging lijkt niet heel veel sprake. Dat gevoel wordt bevestigd als blijkt dat de bezwaarcommissie alleen de gelakte documenten heeft ontvangen. Van een goede advisering kan dan, aldus de Rechtbank Noord-Holland in deze uitspraak, geen sprake zijn. Beoordeeld moet immers worden of het college van B&W terecht bepaalde onderdelen heeft geweigerd onder verwijzing naar de nodige weigeringsgronden van de Wob.

Bijzonder nog, partijen vinden EUR 1000,– schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn (als bedoeld in 6 EVRM) wel een redelijk bedrag. Omdat partijen daar niet over twisten wordt aldus beoordeeld. Hoe zit het met 6 EVRM en de redelijke termijn bij Wob-verzoeken?

  • artikel 6 EVRM speelt volgens de Raad van State geen rol bij Wob-procedures (zie deze update),
  • maar de rechtszekerheid (een algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag ligt) vraagt ook om afhandeling binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt (zie deze eerdere uitspraak al).
  • de redelijke termijn is in zaken die, zoals in dit geval, uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij geldt, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, voor de berechting van een zaak in eerste aanleg als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen (zie deze uitspraak).
  • roept men in beroep dat sprake is van schending, dan moet de rechtbank aldus oordelen (zonder te anticiperen op een behandeling in hoger beroep). De eventueel snelle behandeling in hoger beroep vormt geen aanleiding voor compensatie voor eerdere vertraging (zie deze uitspraak).
  • alle omstandigheden zijn relevant (dus niet alleen het tijdsverloop). Denk aan de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Het processuele gedrag van de appellant gedurende de gehele procesgang kan een bijzondere omstandigheid zijn tot verlenging van de termijn. Eenmalig uitstellen van de behandeling in beroep op verzoek van een partij is geen bijzondere omstandigheid is (zie deze uitspraak).
  • Bij Wob-zaken (en andere niet-punitieve zaken) vangt de redelijke termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
  • hoe vindt de toerekening plaats? In een zaak waarin een besluit na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Dit is slechts anders als in de rechterlijke fases de redelijke behandelingsduur is overschreden. Die redelijke behandelingsduur in eerste aanleg is in niet-punitieve zaken met voorafgaande bezwaarfase anderhalf jaar (18 maanden) vanaf het instellen van beroep.
  • uitgegaan wordt van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding ook (net als de overschrijding in maanden) naar boven wordt afgerond.

Update Raad van State 6 augustus 2020; Geheimhouding 8:29 Awb en RIEC-advies (Bibob)

Het onder geheimhouding inbrengen van processtukken heeft blijvend de nodige aandacht. De overzichtsuitspraak (zie eerdere update) geeft mooie handvatten voor de praktijk. Buiten de geëigende procedures op grond van de Wob of AVG speelt 8:29 ook al snel een rol bij zogeheten Bibob-dossiers. De Wet Bibob geeft de nodige bepalingen over de vertrouwelijkheid van adviezen over de toepassing van de Wet Bibob.

In lijn met de overzichtsuitspraak maakt de Raad van State in deze uitspraak van 6 augustus weer duidelijk dat het enkele feit dat de Wet Bibob een regeling over geheimhouding kent, niet dat zonder meer sprake is van een reden voor geheimhouding (gewichtige redenen). Ook voor een RIEC-advies moet dus een zelfstandige beoordeling worden gemaakt. Dat de Wet Bibob een bijzondere regeling geeft, is wel weer een aanleiding om daaraan gewicht toe te kennen bij de beoordeling in het kader van 8:29. De uitzondering in de Wet Bibob dat het advies aan de betrokken horeca-ondernemer kan worden verstrekt (als zo’n advies noodzakelijk is ter motivering van een besluit) is bij de beoordeling – zo blijkt – doorslaggevend relevant. Nu de last onder bestuursdwang niet is gebaseerd op het RIEC-advies en dus is sprake van gewichtige redenen.

Update Raad van State 19 augustus 2020; Advocaatkosten openbaar, ondanks geheimhoudingsplicht

De Advocatenwet geeft met artikel 11a – anders dan in de tuchtrechtelijke sferen (zie uitgebreid dit artikel in Tijdschrift Tuchtrecht) geen bijzondere uitputtende regeling die voorgaat op de Wob, aldus de Raad van State. De advocaatkosten voor de bijstand aan de agenten die werden verdacht van betrokkenheid bij de dood van Mitch Henriquez moeten dus openbaar gemaakt worden.

Update Raad van State 19 augustus 2020; Geen toestemming geven aan de rechter om de Wob-stukken in te zien, maakt een beroep tamelijk kansloos

Prettig contact met de overheid wordt niet altijd zo ervaren. In een geval waarbij iemand op een negatieve wijze door een telefoniste van een ministerie te woord zou zijn gestaan, leidt dit tot een Wob-verzoek. De verzoeker heeft weinig vertrouwen in de instituten (meer) en geeft ook de rechter geen toestemming om de deels geweigerde documenten te kunnen inzien. Dat gaf de rechtbank en geeft de Raad van State beperkte mogelijkheden om de besluitvorming inhoudelijk te beoordelen. Uitgangspunt is en moet dan zijn dat – zolang de motivering toereikend is – de minister openbaarmaking van de informatie mocht weigeren, aldus de Raad van State in deze uitspraak.

Bijzonder is ook om te zien dat de Raad van State van mening is dat artikel 6 EVRM geen rol speelt bij Wob-procedures. Reden: bij deze procedures is het algemeen belang bij openbaarmaking aan de orde, niet enig burgerrechtelijk recht of enige burgerrechtelijke verplichting van de verzoeker.