Dit is de categorie voor uitspraken, voor de pagina Jurisprudentie

Raad van State 30 november 2022; Wob voor andere (civiele) procedure: misbruik?

Al enige tijd vaste jurisprudentie, maar toch blijft het knagen, dat het vragen via de Wob naar documenten ten behoeve van een andere (civiele) procedure niet snel misbruik oplevert. De Raad van State bevestigt dat hier in deze uitspraak maar weer eens duidelijk. Relevante bijkomende aspecten zijn kennelijk dat verzoeker maar één verzoek had gedaan en daarbij een duidelijk afgebakend onderwerp had genoemd. Andere verzoeken of heel veel correspondentie, zoals ingebrekestellingen klachten of nadere toelichtingen op of uitbreidingen van het eerste verzoek bleven ook uit. En ook uitlatingen op social media van betrokkenen leveren op zichzelf noch in samenhang met het aantal civiele procedures een bijzondere omstandigheid op. Dat het bestuursorgaan de toonzetting van de uitlatingen als hinderlijk ervaart, is onvoldoende.

Dergelijke aspecten zijn dus wel relevant bij het eventueel terecht stellen dat sprake is van misbruik. Meer en uitgebreider over misbruik (en nog altijd actueel genoeg als kader), zie deze bijdrage aan de JB Select bundel. Vermoedelijk is dit alles ook nog relevant bij het toepassen van de antimisbruikbepaling van de Woo (artikel 4.6).

Rechtbank Den Haag 11 november 2022; steekproefsgewijs beoordelen van documenten door het bestuursorgaan ook toegestaan

Meermalen is gewezen op de steekproefsgewijze beoordeling door rechtbanken van grote hoeveelheden pagina’s (meest recent hierover is deze update). Een uitspraak van de Rechtbank Den Haag laat mooi zien dat ook het bestuursorgaan onder omstandigheden kan volstaan met een steekproefsgewijze beoordeling van documenten. Als alle informatie een zelfde aard en inhoud kennen kan een bestuursorgaan steekproefsgewijs vaststellen dat een uitzondering aan de orde is: in dit geval de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van examinatoren bij rijexamens.

Rechtbank Rotterdam 16 november 2022; de veelprocedeerder als misbruiker

Hoewel de hoeveelheid verzoeken niet als vanzelf doorslaggevend zijn om te komen tot misbruik, is de Rechtbank Rotterdam wel erg snel klaar met de appellant in deze kwestie. Betrokkene staat duidelijk op een ‘zwart lijstje’ bij deze rechtbank. Het verleden – eerdere ontheffingen van griffierecht, het eerdere procedeergedrag en de inzet van deze procedure – zijn voldoende om uit te gaan van misbruik van recht.

Rechtbank Amsterdam 10 november 2022; de zoekslag naar documenten

Steeds regelmatiger onderwerp van discussie, is er wel goed gezocht. Het bestuursorgaan doet er goed aan vanaf moment van ontvangst van het verzoek goed te duiden wat wordt gevraagd. Is dat onduidelijk, heb dan binnen twee weken een gesprek in dat verband (artikel 4.1, lid 5). Wees voorzichtig met het zelf ‘beperkter interpreteren’, zo merkt ook de minister van Justitie en Veiligheid in de kwestie waar deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over gaat.

Is het duidelijk dan moet worden gezocht in alle denkbare systemen en bij alle logische personen. Hoewel het geen eis is voor de inhoud van het besluit, gaan we er steeds meer naartoe dat in het besluit op het verzoek ook duidelijk wordt gemaakt waar, door wie, met welke zoektermen is gezocht. De rechter dient overtuigt te raken van het feit dat met de geschetste zoektocht alle documenten die (behoren te) berusten onder het bestuursorgaan zijn betrokken.

Rechtbank Oost-Brabant 27 oktober 2022; omvangrijke verzoeken en de inspanningen van de rechter

Al meerdere keren is gewezen op de uitdagingen van de rechter om omvangrijke verzoeken en dito besluiten te toetsen (zie updates). Een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant geeft ook een mooi voorbeeld van een wijze waarop met die uitdagingen kan worden omgegaan. Het verzoek “Doe mij alles over een bestemmingsplan” leidde uiteindelijk tot een vangst van “ruim 10.000” pagina’s.

Steekproef

Over de aanpak kondigde de rechtbank al eerder in de procedure aan dat ze wilde volstaan met een steekproef van ongeveer 400 pagina’s. Deze aanpak wordt door appellanten ter discussie gesteld. De rechtbank schuift dit ter zijde door o.a. te wijzen op de omvang van de zaak. Een integrale beoordeling van de volledige ruim 10.000 pagina’s kan niet als efficiënte en geschikte afdoening van deze zaak worden beschouwd. De rechtbank erkent dat de wet geen grondslag geeft voor een dergelijke aanpak maar ook dat de wet er niet aan in de weg staat. Te meer nu de rechtbank bepaalde eisen aan de steekproef heeft gesteld en deze zal extrapoleren naar de overige documenten. Concreet: als in een document een weigeringsgrond in de onderzochte pagina’s op een bepaalde manier is toegepast, wordt ervan uitgegaan dat die weigeringsgrond in de overige pagina’s van dat document op dezelfde manier is toegepast. Op die manier omvat de beoordeling door de rechtbank alle pagina’s van alle documenten. Dat resulteert er dus ook al snel in dat een juiste of foute beoordeling in het begin van een document bepalend is voor al het overige.

Vervolgens maakt men in een mooi én indrukwekkend overzicht (in tabelvorm) duidelijk wat is beoordeeld en hoe daarover is geoordeeld.

Overig

Het college had eerst een besluit genomen over een deel van de documenten, met de mededeling dat er nog meer was maar dat die documenten nog beoordeeld moesten worden. Dat vindt de rechtbank niet ok. Beter was het geweest als het college expliciet had gewerkt met deelbesluiten, want half betrekken van de documenten vindt de rechtbank hier niet goed. Die deelbesluitvorming is nu besloten in artikel 4.2a Woo en was daarvoor natuurlijk al praktijk (zie o.a. deze update).

Vaste rechtspraak: een inventarislijst is niet vereist. Er kunnen dus ook geen eisen worden gesteld aan een opgestelde lijst. Wel moet duidelijk zijn welke documenten onder het besluit vallen.

De uitleg over de zoektocht en waarom bepaalde documenten er niet zijn (geweest) slaagt hier ook. Ook voor anderen weer een handige overweging over hoe dit uit te leggen bij een voorkomend besluit waarbij discussie als in “is dit alles?” valt te verwachten. Dat gaat mis als concrete verslagen worden genoemd uiteraard.

Documenten weigeren vanwege overeengekomen geheimhouding kan natuurlijk niet. Beoordelen per onderdeel is het devies en uitgangspunt!

Rechtbank Amsterdam 19 juli 2022; Ierse rechtspraak of wetgeving geen reden om informatie niet te verstrekken

Uiteraard moeten documenten per onderdeel van een document worden beoordeeld. Weigeringsgronden kunnen aan openbaarmaking in de weg staan, maar dan wel een beetje goed gemotiveerd per onderdeel van een document. Dat maakt de Rechtbank Amsterdam ook maar weer eens duidelijk.

Een poging van de minister van LNV om zich te verschuilen achter de Ierse Information-officer, de hoogste Ierse civiele rechter of Ierse wetgeving die aan openbaarmaking in de weg zou staan, strandt ook (terecht). Daarin ligt immers geen bijzondere regeling besloten die de Wob (en de Woo) aan de kant zou schuiven.

Rechtbank Midden-Nederland 24 januari 2022; opvolgende beroepen niet-tijdig beslissen mogelijk

Al even vaste jurisprudentie, maar voor de praktijk nog niet helemaal helder. Wat te doen als een geslaagd beroep wegens niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan nog weinig effect lijkt te hebben? Het bestuursorgaan beslist nog steeds niet. De enige optie die resteert is wederom in beroep wegens niet-tijdig beslissen. Over het moment wanneer dat kan, maakt de Rechtbank Midden-Nederland een en ander (weer duidelijk). Iemand is ontvankelijk als de in de eerdere uitspraak bepaalde dwangsom is volgelopen op het moment dat het beroep op de zitting (over het tweede beroep niet-tijdig) werd behandeld en het onderzoek werd gesloten. Dat vollopen hoeft dus nog niet het geval te zijn op het moment waarop het beroep is ingediend.

Rechtbank Den Haag 4 november 2022; een andere procedure kan een spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening geven

Het staat verzoekers vrij ook informatie te vragen ten behoeve van een andere procedure. De al bepaalde zittingsdatum voor die andere procedure kan een spoedeisend belang in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening – om informatie eerder te verkrijgen – geven, aldus de Rechtbank Den Haag.

Toch geeft juist de aanleiding – die andere procedure – direct inhoudelijk ook een reden om de voorziening minder snel toe te wijzen. In die andere procedure kan ook worden verzocht tot het inbrengen van op de zaak betrekking hebbende stukken. Het helpt ook niet als het Woo-verzoek veel eerder had kunnen worden gedaan.

Rechtbank Noord-Nederland 5 oktober 2021; reputatieschade niet uit te sluiten

Een zeldzaam (zie eerder bijvoorbeeld deze update) geval waarin reputatieschade wellicht aan de orde is en dus openbaarmaking (voorlopig) niet aan de orde kan zijn. Een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland van alweer enige tijd geleden, maar recent gepubliceerd.

Doel van de verzoeker is  inzicht krijgen in de werkwijze van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ten aanzien van de Marktverordening diervoerder. Het gaat verzoeker niet om de namen van bedrijven of personen. Dat maakt ook dat anoniem kan worden geprocedeerd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het voor een ieder met weinig inspanning goed mogelijk is om erachter te komen wie is beboet. Een deel van de informatie minder herleidbaar tot een bedrijf. Verweerder erkent dat een en ander tot schade van betrokkenen kan leiden. Het bezwaarschrift is dus niet vanzelf kansloos (op dit punt). Dat maakt dat voor een deel van de informatie de voorziening wordt getroffen dat de informatie niet openbaar gemaakt wordt gemaakt tot twee weken na de beslissing op het bezwaarschrift.

Raad van State 19 oktober 2022; Actief openbaar maken onder de Woo dwingt tot een andere werkwijze?

Een uitspraak van de Raad van State die de indruk wekt dat men zich kort en krachtig door de beroepsgronden heen wilde worstelen.

Het begint met de disclaimer vooraf “[appellant] heeft de gronden van zijn hoger beroep zeer uitvoerig uiteengezet. Maar uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Awb vloeit niet voort dat de Afdeling in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan.” Om vervolgens redelijk soepel door alle “u heeft niet goed gezocht” gronden heen te gaan. Andere bestuursorganen kunnen er het volgende aan ontlenen qua wat wordt vereist aan de zoekslag:

  • in algemene zin: hij moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
  • en dan meer concreet per geval vooral duidelijk maken waarom niet geloofwaardig kan worden gesteld dat er echt meer zou moeten zijn.
  • waarbij nogal makkelijk wordt geaccepteerd dat er geen appjes zijn omdat er simpelweg niet geappt wordt over dossiers.

Bijzonder in dat kader is de uiteenzetting over de stukken van collegevergaderingen. Net als eerder (zie bijv. deze update en deze uitspraak) is ook hier de uitleg dat het Reglement van Orde misschien anders suggereert maar dat dit niet wordt nageleefd, voldoende om geloofwaardig te stellen dat agenda’s en verslagen er niet zijn.

Het doet wel de vraag rijzen (vandaar de gekozen titel van deze update), wat nu als de Woo volledig in werking is getreden, dus ook heel artikel 3.3 van de Woo of in elk geval dat deel dat stelt dat agenda’s van het college actief openbaar gemaakt moeten worden (lid 2, sub d)? Hoewel de Wob ooit en de Woo vooralsnog ook alleen ziet op documenten die feitelijk bestaan, zou 3.3 Woo zo kunnen werken dat het bestuursorgaan dan dus ook maar moet gaan werken met een agenda. De eis van het hebben van een verslag geldt weer niet voor het college overigens. Dat is alleen aan de orde voor de raad (zie lid 2, sub c). Goed om hierover na te denken en rekening mee te houden bij de implementatie van de Woo!

Dit is ook aan de orde voor bijvoorbeeld gemeenschappelijke regelingen. Want anders dan in de Gemeentewet en Provinciewet kent de Wet op de gemeenschappelijke regelingen geen eis tot het bekendmaken van de besluitenlijst. Artikel 3.3, lid 2, sub d suggereert dat het dagelijks bestuur wel werkt met zo’n lijst.