Dit is de categorie voor uitspraken, voor de pagina Jurisprudentie

Update Raad van State 22 januari 2020; Reputatieschade door openbaarmaking dwangsombesluit KSA behoeft onderbouwing met concrete gegevens

Vaste rechtspraak is dat veronderstelde reputatieschade vanwege openbaarmaking een aanleiding kan zijn om te spreken van onevenredige benadeling. Daarbij is ook vaste rechtspraak dat die reputatieschade wel goed onderbouwd moet worden. In deze uitspraak van de Raad van State wordt duidelijk dat een partij die geconfronteerd is met een dwangsombesluit van de Kansspelautoriteit vanwege het reclame maken voor aanbieders van online kansspelen zonder vergunning hierin niet slaagt. Dit te meer nu – ook vaste rechtspraak – het belang van de handhavende instantie om de consument te waarschuwen voor bepaalde praktijken in strijd met de wet, veel gewicht toekomt.

Update Raad van State 22 januari 2020: 8:29 Awb bij de Wob is een (terechte) vanzelfsprekendheid

Normaliter moet gemotiveerd worden waarom een procespartij verzoekt om het inbrengen van stukken onder geheimhouding (zie uitgebreid hierover ook dit blog). Dit betekent dat alleen de rechter en niet de wederpartij er kennis van zou kunnen nemen. Dat motiveren moet indringend gebeuren. Gewichtige redenen moeten, per zelfstandig onderdeel van een document, worden aangetoond. Bij Wob-procedures vraagt de bestuursrechter niet om zo’n indringende motivering. De aanwezigheid van gewichtige redenen wordt verondersteld aanwezig te zijn, het gaat immers om het al dan niet openbaar maken van de documenten. Dit uitgangspunt komt ook terug in artikel 2.8 van het Procesreglement bestuursrecht 2017.

Vandaag maakt de Raad van State in deze uitspraak duidelijk dat deze regeling (vanuit praktisch oogpunt) logisch is en ook rechtmatig. Aparte toetsing – zoals bij niet-Wob-zaken – door de geheimhoudingskamer van de rechtbank of een ander rechtscollege van het al dan niet terechte beroep op de gewichtige redenen, heeft geen toegevoegde waarde. Nog altijd moet wel toestemming worden gevraagd aan de andere partij – die de stukken niet te zien krijgt – dat de rechtbank de stukken ziet. Wordt die toestemming niet gegeven dan zijn de mogelijkheden van beoordeling van het besluit door de rechtbank beperkt. De stukken die worden geweigerd kunnen dan namelijk niet worden ingezien. Dat komt voor rekening van degene die opkomt tegen het besluit.

Update Raad van State 22 januari 2020; Advocatenwet gaat nog altijd voor op de Wob

Eerder al uitgebreid beschreven in een artikel in het Tijdschrift Tuchtrecht en ook nu bevestigt de Raad van State dat de Advocatenwet als regeling voorgaat op de Wob. Vragen aan de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten om openbaarmaking van alle informatie die te maken heeft met de schrapping van het tableau van een tweetal personen kan dus niet via de Wob. De algemene raad mocht het verzoek dus afwijzen.

Update Raad van State 22 januari 2020; Stukken zijn er niet. Ook zonder onderzoek geloofwaardig te stellen

Een eerdere update over verwijderde mailboxen kreeg veel aandacht. Uit die rechtspraak zou opgemaakt kunnen worden dat de stelling – er zijn geen documenten – altijd een extern onderzoek nodig zou hebben. Vandaag wordt met een uitspraak van de Raad van State duidelijk dat de soep niet zo heet gegeten wordt. Het bestuursorgaan moet een en ander geloofwaardig stellen. In dit geval kan het Recreatieschap dat doen door bij monde van de directeur uitleg te geven over de organisatie (en dat die niet op orde was). Lichtvaardig omspringen met de eigen reglementen is niet te verkiezen, maar helpt in dit geval wel om geloofwaardig te stellen dat documentatie (zoals een procesbesluit) niet voor handen is.

Update Rechtbank Den Haag 22 november 2019; Na wel of niet opheffing geheimhouding toch een Wob-besluit?

Opgelegde geheimhouding, vervolgens een Wob-verzoek. Wat staat er te gebeuren qua afhandeling? Vandaag nog een vraag via de helpdesk en zojuist wordt deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag gepubliceerd.

In algemene zin geldt: volgt een Wob-verzoek nadat geheimhouding is opgelegd door het college (en is deze vervolgens bekrachtigd door de gemeenteraad) dan is het Wob-verzoek ook meteen een verzoek tot opheffing van de geheimhouding (door het college of de raad). Simpel, maar toch werpt dit wat uitvoeringsvragen op.

Eerder wees ik in een update op een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland waarin de suggestie werd gewekt dat als besloten is de geheimhouding op het document te laten rusten, de Wob-procedure daarmee ook is afgekaart als tegen het niet opheffen niet in rechte is opgekomen. Opgemerkt werd dat m.i. wel een Wob-besluit zou moeten volgen. De uitkomst is hetzelfde, de informatie wordt niet verstrekt. Want na het besluit tot niet opheffen geldt de hoofdregel dat de Gemeentewet voorgaat op de Wob.

Uit de uitspraak die vandaag verscheen kan worden opgemaakt dat de gemeente Den Haag wel – terecht – tot twee besluiten overgaat: een besluit tot afwijzing van de opheffing van de geheimhouding en een besluit tot afwijzing van het Wob-verzoek. Bijzonder is dat men bij het Wob-besluit niet verwijst naar de geheimhouding die op het document berust maar een artikel 10 Wob weigeringsgrond inroept.

Update Rijksoverheid 31 december 2019: Gedragscode Integriteit Rijk, de Wet open overheid komt er

De Gedragscode Integriteit Rijk zoals verschenen in de Staatscourant geeft veel informatie, ook in praktische zin, over de wijze waarop de rijksoverheid om gaat met informatie(voorziening), zie vooral hoofdstuk 5 (p. 15 e.v.). De opstellers gaan er – zo leren we uit het begin van hoofdstuk 5 – gewoon van uit dat de Wob wordt vervangen door de Wet open overheid. Ook de aanwezigheid van een Wob-coördinator wordt welhaast als een vanzelfsprekendheid gezien (p. 16). Er zijn nog enkele plekken beschikbaar voor de opleiding tot coördinator op 23 en 24 maart.

Update Raad van State 9 januari 2020: Geheimhoudingsbeslissing 8:29 geeft ook de mogelijkheid tot een beoordeling per zelfstandig onderdeel van een document

In een eerder blog is al uitvoerig ingegaan op de verhouding tussen 8:29 Awb – de mogelijkheid om documenten in te brengen in een procedure onder geheimhouding – en de Wet openbaarheid van bestuur. Een geheimhoudingsbeslissing van 9 januari 2020 van de Raad van State maakt duidelijk dat de ‘strenge’ lijn van beoordeling sec via 8:29 Awb gehandhaafd blijft.

Een poging van de minister om te stellen dat er toch minder (motivering en inspanning) gevraagd kan worden van een bestuursorgaan bij het inbrengen van processtukken nu de Wob de eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden biedt voor betrokkenen, wordt niet gevolgd. 8:29 vraagt een eigen afweging (gelijke kennis van het procesdossier vs gewichtige redenen die strekken tot geheimhouding) en kent ook gewoon de mogelijkheid, aldus de Raad van State, om per zelfstandig onderdeel van documenten (zoals ook bij de Wob) te beoordelen en om geheimhouding te verzoeken.

Gewichtige redenen moeten daarbij, gemotiveerd dus, worden ingeroepen. Die zijn er in elk geval niet als dezelfde of vergelijkbare stukken al in een Wob-procedure (gedeeltelijk) zijn verstrekt (verificatieverslagen en schriftelijke waarschuwingen), bedrijfsvertrouwelijke informatie kan worden gelakt (bijvoorbeeld bij berichten over het afzien van de oplegging van een last onder dwangsom) of informatie in beginsel al openbaar is door verzending aan de Kamer van Koophandel (jaarrekeningen).

Update Raad van State 8 januari 2020; Mailboxen verwijderd – aangetoond via extern onderzoek – dan kan het Wob-verzoek worden afgewezen

Zagen we eerder al dat je niet kunt volstaan met de enkele mededeling dat een e-mailaccount is opgeheven en dus de e-mails niet meer aanwezig zijn (zie deze update van november). Vandaag maakt de Raad van State in deze uitspraak duidelijk dat het stellen dat mailboxen niet meer beschikbaar zijn, bijvoorbeeld aan de hand van een onderzoek door een extern bureau, kan maken dat de stelling “het is er niet meer” wel geloofwaardig is. In dat geval berusten de mailboxen dus niet meer onder het bestuursorgaan en kan een Wob-verzoek naar e-mails in die mailboxen dus worden afgewezen.

Update Raad van State 8 januari 2020; Terecht verwijderd op grond van de Archiefwet, geen plicht om bij een ander alsnog informatie te achterhalen

De discussie of stukken er zijn of niet (meer) blijft een terugkerend punt. Als iets is verwijderd op grond van de Archiefwet dan zijn de documenten er niet en dus kan een en ander niet via de Wob worden opgevraagd. Er is rechtspraak bekend waarbij een bestuursorgaan wordt opgedragen het nodige te doen om informatie alsnog te achterhalen. Vooralsnog is dat vooral aan de orde als de informatie er wel had behoren te zijn. Maakt de werking van de Archiefwet dat de informatie rechtmatig is verwijderd, dan geldt die verplichting om te achterhalen (kennelijk) niet, aldus de Raad van State in de uitspraak van vandaag. Dat het RIEC over documenten zou beschikken, maakt niet dat het college van B&W de documenten (daar) zou moeten achterhalen.

Update Rechtbank Amsterdam 15 oktober 2019; Besluitvorming op een Wob-verzoek laat onverlet de plicht om te beslissen over een tweede (gelijkluidend) verzoek

Het komt meer voor in de praktijk, een bestuursorgaan krijgt – op verschillende momenten in de tijd – een nagenoeg gelijkluidend of deels overlappend verzoek om informatie binnen. In het geval waar de Rechtbank Amsterdam zich over uit moest laten (zie deze uitspraak), stelde de minister zich op het standpunt dat zij over bepaalde documenten (tot en met 31 mei 2016) geen besluit hoefde te nemen nu daar al een besluit over was genomen en een beroepsprocedure liep bij de Rechtbank Oost-Brabant. De Rechtbank volgt de minister terecht niet.

Een ieder heeft recht op een besluit op zijn verzoek. De minister zal dus ook moeten beslissen op het latere verzoek. Is informatie naar aanleiding van een eerder Wob-verzoek openbaar gemaakt, dan volstaat een verwijzing naar dat besluit want de Wob ziet niet op openbare informatie. Vanuit service-oogpunt kan de informatie worden meegezonden, maar verplicht is het bestuursorgaan niet dit te doen. Wat betreft de niet openbaar gemaakte onderdelen; mogelijk volstaat een herhaling van het eerdere besluit. Vanzelfsprekend is dat evenwel niet. Soms doet het verloop van de tijd natuurlijk iets met het al dan niet in te roepen belang dat wel of niet zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.