Dit is de categorie voor uitspraken, voor de pagina Jurisprudentie

Update Rechtbank Den Haag 2 oktober 2019; Een slepend conflict tussen overheid en burger, misbruik van de WOB

Misbruik van de Wob kan niet te snel worden aangenomen (zie uitgebreid dit artikel). Heel wat feiten en omstandigheden zijn nodig om te kunnen stellen dat iemand de weg van de Wob misbruikt.

In een slepend conflict tussen een burger en de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek heeft het al tot de nodige procedures geleid (zie eerder al bij de Raad van State). Recent verschenen ook een aantal uitspraken van de Rechtbank Den Haag (I, II en III). De rechtbank concludeert misbruik op grond van:

  • het aantal werkprocessen (354) dat ISDB had af te handelen als gevolg van acties van deze persoon.
  • het gegeven dat het onderwerp van de onderhavige Wob-verzoeken, de aard van de verzochte informatie en de toelichting van eiser ter zitting, geven er blijk van dat eiser de Wob-verzoeken heeft ingediend ten behoeve van zijn eigen kwestie met verweerder, om de strijd die hij op papier tegen de organisatie van verweerder voert, door te zetten, en
  • aldus voor een ander doel dan waartoe de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen is gegeven, te weten openbaarmaking voor een ieder.

De rechtbank betrekt hierbij tevens de handelswijze van eiser in andere Wob-procedures en het gegeven dat eerder al misbruik van recht is vast komen te staan.

Het lijkt derhalve voor de misbruiker lastig om met een schone lei te beginnen.

Update Rechtbank Midden-Nederland 10 oktober 2019; Informatie via het civiele recht (843a Rv) wel te krijgen, waar de WOB die mogelijkheid niet geeft of heeft gegeven

Werd gisteren deze annotatie over de verhouding tussen geheimhouding in een bestuursrechtelijke procedure (via 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht) en de WOB opgenomen op deze site. Vandaag een andere ‘spannende verhouding’ tussen twee wetten, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de WOB.

Artikel 843a Rv geeft de mogelijkheid om via een civiele procedure informatie te verkrijgen. Ook in een procedure met de overheid staat deze mogelijkheid ter beschikking. Uiteraard geeft ook de WOB de ingang voor informatie bij diezelfde overheid. Dat in een procedure (bij een andere bestuursorgaan, het Rijksvastgoedbedrijf) de WOB geen toegang gaf tot taxatierapporten (op grond van het financiële belang van de Staat), volgt niet vanzelf dat de gemeente Almere dus ook kan spreken van gewichtige redenen waardoor men geen informatie zou moeten geven via de civiele 843a Rv-weg. Alleen gewichtige redenen maken dat bescheiden niet moeten worden verstrekt op grond van die regeling opgenomen in Rv, aldus de Rechtbank Midden-Nederland. Het lukt de Gemeente Almere niet om de aanwezigheid van gewichtige redenen te motiveren.

Net als bij 8:29 Awb geeft dus ook 843a Rv een eigen afwegingskader voor dezelfde vraag die ook voorligt bij de WOB, moet informatie worden verstrekt. De vraag in WOB verband is overigens in hoeverre de civiele weg die open staat niet in bepaalde gevallen kan leiden tot misbruik van de WOB zodat de weg via de WOB wellicht niet bewandeld kan worden. Zie hierover uitgebreid deze bijdrage aan JB Select.

Van der Sluis in ‘de Gemeentestem’: Geheimhouding op grond van 8:29 Awb en de WOB

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 15 april 2019

 

1.

De verhouding tussen het delen van processtukken, al dan niet onder geheimhouding, en het besluiten op een WOB-verzoek of het besloten hebben op een WOB-verzoek geeft met enige regelmaat nog aanleiding voor discussie. Enerzijds komt de verhouding tot uitdrukking in het gegeven dat de weg van het verkrijgen van stukken als procespartij soms de weg afsluit om via de WOB nog te vragen om die documenten (ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1587Gst. 2016/119, m.nt. C.N. van der Sluis). Anderzijds is de relatie merkbaar bij de vraag op welke wijze de WOB – als algemeen kader maar ook als een procedure in dat verband loopt of is afgerond – de toepassing van de regels omtrent het inbrengen van processtukken (en dan vooral de geheimhoudingsvariant van 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) beïnvloedt. De hier opgenomen uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak geeft in dat verband een mooie aanleiding voor een analyse. Temeer nu de Afdeling kritischer lijkt te kijken naar de toepassing van “art. 8:29 Awb”.

2.

De regeling van 8:29 Awb oogt wat complex en dat is hij ook wel zo blijkt wel eens in de praktijk. Zo moet een partij die een beroep doet op deze bepaling (die moet leiden tot kennisnemen van stukken door de rechter en niet door de wederpartij) zich beroepen op gewichtige redenen. De motivering voor die gewichtige redenen is vergelijkbaar met de motivering waaruit volgt of sprake is van de WOB gronden van artikel 10 of artikel 11. Die WOB wordt ook genoemd als mee te nemen aspect. Als bestuursorganen gebruik willen maken van deze regeling dan is geen sprake van ‘gewichtige redenen’ als de WOB al zou verplichten tot het verstrekken van de informatie (lid 2). Verder vormt de WOB of enig ander wettelijk kader ogenschijnlijk geen rol bij de toets of sprake is van ‘gewichtige redenen’.

3.

In de hier opgenomen uitspraak maakt de Afdeling dan ook duidelijk dat het enkel wijzen op een bijzonder regeling waar geheimhouding uit volgt, in een procedure die niet gaat over het al dan niet van toepassing zijn van die bijzondere regeling, onvoldoende is. Dat documenten vanwege een bijzondere wettelijke regeling (hier de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens) geheim zijn (enkele bijzondere personen uitgezonderd) is onvoldoende om te kunnen spreken van gewichtige redenen. Een afzonderlijke motivering is dus vereist.

4.

Dat lijkt evenwel weer anders voor het beroep van het bestuursorgaan op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Bij dat beroep ‘interpreteert’ de Afdeling uit eigen beweging – het bestuursorgaan wordt in zoverre op dit onderdeel ‘geholpen’ – dat kennelijk bedoeld is te wijzen op de persoonlijke levenssfeer. Een beoordeling van de stukken leidt vervolgens tot de conclusie dat dit belang inderdaad zwaarder dient te wegen dan het belang bij kennisneming van de stukken. Ook in deze zaak slaagt uiteindelijk dus – met een zekere omweg – het beroep op 8:29 Awb.

5.

Een bijzondere situatie kan zich voordoen als sprake is van een procedure op grond van WOB of een bijzondere openbaarmakingsregeling die voorgaat op de WOB. In dat kader is het vanzelfsprekend dat de geweigerde stukken overgelegd kunnen c.q. moeten worden onder geheimhouding, vanwege gewichtige redenen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (14 mei 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA1987) beschrijft die vanzelfsprekendheid als volgt:
“Doorslaggevend is hierbij dat het in deze beroepszaken nu juist draait om de vraag of terecht en op juiste gronden toepassing is gegeven aan een in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden opgenomen bijzondere openbaarmakingsregeling. Indien (alle) partijen onbeperkt over de documenten zouden kunnen beschikken, zou op onaanvaardbare wijze worden vooruitgelopen op de rechtmatigheid van de in bezwaar gehandhaafde afwijzing, respectievelijk van de beslissing om de 35 documenten alsnog openbaar te maken. Aldus zou materieel een eindoordeel in de zaak worden gegeven en zou de voorziening die wordt geboden door artikel 8:29 Awb in feite zinledig worden gemaakt. De vertrouwelijkheid van de documenten dient dan ook in ieder geval te worden bewaard tot de einduitspraak.”
Complexer wordt het als de geheimhoudingsvraag speelt bij stukken waarover een WOB-procedure heeft gelopen of nog loopt. Denk aan de situatie dat een procedure loopt over de besluitvorming omtrent de verdeling van een schaarse vergunning en naar stukken in dat kader (bijvoorbeeld de aanvraag van een concurrent die uiteindelijk gewonnen heeft in die verdelingsprocedure) die ook onderwerp zijn van een WOB-procedure (vgl. ABRvS 26 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:646). Ook in een geval dat het een onherroepelijk besluit ligt in WOB-verband kijkt de Afdeling ook sec naar art. 8:29 Awb en het kader dat daarbij speelt. Uitkomsten van andere procedures – al dan niet in rechte vastgesteld – zijn dus niet op zichzelf staand doorslaggevend en relevant (zie ook in die lijn ABRvS 25 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3142). Simpel gesteld, art. 8:29 Awb vraagt om een verhaal over gewichtige redenen. Dat verhaal is niet gegeven met het enkele feit dat een WOB-besluit formele rechtskracht heeft gekregen.

Essentie

Het enkel wijzen op een bijzondere regeling waar geheimhouding uit volgt, in een procedure die niet gaat over het al dan niet van toepassing zijn van die bijzondere regeling, is onvoldoende volgens de Afdeling.

Samenvatting

De minister heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem, twee rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant en een voortgangsverslag van de William Schrikker Stichting.

Partij(en)

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 december 2018 in zaak nr. 18/958 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.

Uitspraak

Procesverloop

[appellant A] en [appellant B] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 december 2018 in zaak nr. 18/958.
De minister heeft een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem, twee rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant en een voortgangsverslag van de William Schrikker Stichting.

Overwegingen

1.

De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de hiervoor genoemde stukken kennis zal nemen.

2.

Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.

Ten aanzien van de uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem heeft de minister ter motivering van zijn verzoek om beperking van de kennisneming naar voren gebracht dat in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is bepaald welke personen en instanties justitiële gegevens verwerken en aan welke personen en instanties justitiële gegevens worden verstrekt. Gelet op het bepaalde in deze wet voelt de minister zich niet vrij de informatie uit het Justitieel Documentatie Systeem aan [appellant A] en [appellant B] te verstrekken.
Het enkele feit dat in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens een regeling omtrent geheimhouding is opgenomen, betekent niet zonder meer dat gewichtige redenen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb die beperking van de kennisneming rechtvaardigen. Deze regeling ontslaat de bestuursrechter niet van de verplichting om op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beoordelen of zodanig gewichtige redenen aanwezig zijn dat uitsluitend de bestuursrechter kennis mag nemen van overgelegde justitiële gegevens. Bij deze beoordeling dient gewicht te worden toegekend aan het uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens blijkende belang bij geheimhouding van die gegevens. Gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb heeft de minister niet naar voren gebracht. De in de uittreksels opgenomen justitiële gegevens hebben betrekking op [appellant A] en [appellant B]. De Afdeling gaat ervan uit dat deze gegevens bij [appellant A] en [appellant B] bekend zijn. Daarom valt niet in te zien waarom gewichtige redenen zich tegen kennisneming ervan door hen verzetten. In zoverre komt het verzoek om beperking van de kennisneming dan ook niet voor inwilliging in aanmerking.

4.

Ter motivering van het verzoek om beperking van de kennisneming van de andere stukken heeft de minister zich beroepen op de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De Afdeling begrijpt dit aldus dat de minister zich op het standpunt stelt dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen kennisneming hiervan door [appellant A] en [appellant B]. De Afdeling heeft kennis genomen van de stukken en heeft daarbij vastgesteld dat deze betrekking hebben op kleinkinderen van [appellant A] en [appellant B] en de ouders van die kleinkinderen. Kennisneming van die stukken door [appellant A] en [appellant B] zal leiden tot aantasting van het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de kleinkinderen en hun ouders. De Afdeling is van oordeel dat dit belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [appellant A] en [appellant B] bij kennisneming van de stukken en acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming in zoverre gerechtvaardigd.

5.

De Afdeling bepaalt dat de uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem worden teruggezonden aan de minister.

6.

Indien de minister geen gehoor geeft aan het in onderdeel III. van de beslissing aangeduide verzoek om de uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem, waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen, toe te sturen, kan de Afdeling daaraan gevolgen verbinden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.
wijst het verzoek om beperking van de kennisneming af wat betreft de uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem;
II.
wijst het verzoek voor het overige toe;
III.
verzoekt de minister binnen veertien dagen na heden exemplaren van de uittreksels uit het Justitieel Documentatie Systeem aan de Afdeling en de andere partijen toe te sturen.

Update Raad van State 9 oktober 2019: Documenten zouden er best kunnen zijn. De externe derde, niet als onderdeel van intern beraad.

Uitgangspunt bij WOB-procedures is dat de geloofwaardige mededeling van een bestuursorgaan, dat er niet meer is, voldoende is om het daarbij te laten. De geloofwaardigheid is in het geding als uit documenten blijkt dat er mogelijk meer is. In deze uitspraak van de Raad van State is zoiets aan de orde. Bij de gemeente Leeuwarden komt een verzoek binnen naar allerlei informatie omtrent een bouwproject van de coöperatieve veeverbeteringsorganisatie (CRV) ter realisatie van bedrijfsbebouwing voor een zogeheten kernfokbedrijf. Onderdeel van de documenten is een inspectieformulier waarin wordt verwezen naar een onderzoek. Van de gemeente wordt dan gevraagd om dat onderzoek te achterhalen. De simpele stelling dat het niet gevonden is, is dan onvoldoende. De gemeente wordt dus opgedragen navraag te doen naar dat onderzoek (zie onder 5.2). Hierbij is het bijzonder dat de Raad van State vindt dat de gemeente navraag moet doen bij de CRV (zie ook deze update over het extern – buiten de overheid – moeten opvragen van documenten).

Verder geeft de uitspraak inzicht in:

  • de toets om te bepalen of een partij bij het intern beraad betrokken is: CRV is geen onderdeel van het intern beraad en diens persoonlijke beleidsopvattingen komt dus geen bescherming toe op grond van artikel 11 WOB, want: “Niet gezegd kan worden dat CRV geen ander belang heeft dan het college vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid.”
  • het gegeven dat e-mails die zijn verzonden naar externen, buiten de overheidsorganisatie, het karakter van intern beraad verliezen. Ook geen artikel 11 WOB bescherming dus.

Update Rechtbank Midden-Nederland 11 september 2019; Motiveren van onevenredige benadeling en de gevolgen van ‘beleid’ van actieve openbaarmaking

Een recente uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland maakt duidelijk dat aan het inroepen van onevenredige benadeling zware motiveringseisen worden gesteld. Waarom leidt het openbaar maken van namen van exploitanten van pretparken en speeltoestellen tot benadeling en waar is de onevenredigheid van dat nadeel in gelegen? Het lukt de Minister LNV vooralsnog niet om dit goed gemotiveerd naar voren te brengen, hij krijgt een herkansing. Bijzonder in dit geval is dat ook gekeken wordt naar het beleid dat de Minister hanteert op andere terreinen. Daar wordt meer actieve openbaarmaking betracht en worden ook namen van ondernemers genoemd. Is sprake van dergelijk beleid dan is dit, zo leert deze uitspraak, ook relevant in het kader van het motiveren van een weigerbesluit.

Update Raad van State 2 oktober 2019; WOB en belastinginformatie

Bij een bijzondere regeling over geheimhouding van informatie in een andere wet, kom je niet toe aan een procedure op grond van de WOB (zie artikel 2 WOB). Bij informatie over belastingen geeft de Algemene wet inzake rijksbelastingen in artikel 67 zo’n bijzondere regeling (ook relevant voor gemeenten en provincies, zie deze uitspraak). Die Awr regelt ook dat geen beroep mogelijk is tegen een besluit op grond van die wet.

Anders dan eerder oordeelt de Raad van State in deze uitspraak dat tegen een afwijzing van een verzoek om informatie op grond van de WOB (ook naar belastinginformatie) bezwaar kan worden gemaakt en dat dit moet leiden tot een beslissing op bezwaar. Tegen zo’n besluit staat beroep open waar de rechter zich dan over moet uitlaten.

De Raad van State merkt in dit geval alleen op dat het verzoek om informatie geen WOB-verzoek was (zie deze stap in het stappenplan voor de vraag of iets een WOB-verzoek is), maar een verzoek tot opheffing van de geheimhouding (op grond van artikel 67, lid 3, Awr). Tegen zo’n besluit staat geen beroep open bij de bestuursrechter en had men dus de civiele rechter moeten aanschrijven. Het oorspronkelijke bezwaar had dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Update Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 25 september 2019; Hoe misbruik van de WOB een gemeente op Aruba doet procederen

Vastgesteld misbruik van recht (door overmatig WOB-gebruik) kan leiden tot een schadevergoeding, te betalen door de misbruiker aan de overheid die de verzoeken om informatie in behandeling heeft moeten nemen (zie o.a. de bijdrage aan JB Select).

Arubaanse WOB-verzoeken hielden de bestuurspraktijk in Nederland een zekere periode goed bezig (zie deze annotatie). De gemeente Venray liet het niet zitten bij de bestuursrechtelijke weg en ging civiel, om te komen tot een vergoeding van haar schade. Dat brengt haar bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba.

Hieruit volgt dat bij misbruik van recht een gemeente inderdaad een vergoeding van schade kan vorderen. Niet voor verletkosten vanwege een zitting nu artikel 8:75 Awb daar een mogelijkheid voor biedt (zie onder 4.7). Wel voor:

  • de behandelkosten van het verzoek, uitmondend in een besluit (4.10-4.12)
  • de werkzaamheden in bezwaar en beroep (4.13)
  • de werkzaamheden om de schade vast te stellen (4.14)
  • buitengerechtelijke kosten (4.15)

Update Rechtbank Midden-Nederland 4 september 2019; Onderzoeksplicht en milieu-informatie

Een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland met enkele nuttige aspecten voor de praktijk.

Gisteren volgde al een update over vormgeven en dat kunnen aantonen van onderzoek naar documenten. Deze uitspraak laat ook zien (onder 6 tot en met 8) dat het bestuursorgaan wel een goed verhaal moet hebben over de wijze waarop gezocht is en waarom dit alles is wat er dus is.

Vervolgens laat de rechtbank mooi zien hoe je vaststelt of sprake is van milieu-informatie en vervolgens emissie-gegevens:

Kijkend naar artikel 19.1a van de Wet milieubeheer merkt de rechtbank op dat het moet gaan om informatie die betrekking heeft op de toestand van milieu-elementen of informatie over factoren die de milieu-elementen aantasten of waarschijnlijk aantasten. Hierbij moet het wel gaan om documenten die daadwerkelijk die informatie bevatten. Documenten die slechts aan deze informatie refereren zonder zelf die informatie te bevatten, vallen hier dus niet onder. Ook maatregelen die uitwerking hebben of kunnen hebben op de milieu-elementen en factoren, en ook maatregelen of activiteiten ter bescherming van die elementen, moeten worden aangemerkt als milieu-informatie. Informatie over de toestand van de bodem is dus milieu-informatie is dus wel milieu-informatie, overzichtskaarten met enkel de afbakening van een gebied niet.

Informatie in een document over “bubbling wells”, over het vrijkomen van bepaalde stoffen is vervolgens mogelijk wel aan te merken als emissie-gegeven (zie over dit begrip ook deze update en deze annotatie). De andere informatie niet omdat dit geen betrekking heeft op het vrijkomen van bepaalde stoffen of producten in het milieu die het milieu mogelijk kunnen aantasten.

Update Rechtbank Overijssel 5 september 2019; Geloofwaardig stellen dat documenten er niet (meer) zijn

De discussie dat er meer stukken zijn dan het aantal dat is betrokken bij het WOB-besluit blijft lastig. Vooral de verzoeker moet kunnen ‘bewijzen’ dat de mededeling “er is niet meer” van het bestuursorgaan ongeloofwaardig is. Soms is de geloofwaardigheid erin gelegen dat een IT-project maakt dat documenten er niet meer zijn (zie deze update).

Een begin van geloofwaardigheid van de mededeling dat er niet meer is, is gelegen in de uiteenzetting van het bestuursorgaan van de wijze waarop is gezocht naar documenten (zie bijvoorbeeld deze uitspraak met annotatie over de onderzoeksplicht). In bepaalde gevallen wordt best veel gevraagd van het bestuursorgaan wat betreft die zoektocht naar documenten. Zo droeg de rechtbank Overijssel in een tussenuitspraak de gemeente Enschede op verder te gaan dan alleen het verwijzen naar archiefonderzoek en gesprekken met collega’s.

De opdracht was inzichtelijk te maken:

  • hoe er in de archieven is gezocht (digitaal en/of handmatig) en welke dossiers zijn doorzocht;
  • welke ambtenaren zijn benaderd;

En hierbij moest ook extern worden gezocht, waarbij bijvoorbeeld valt te denken aan het doorzoeken van dossiers van de notaris die betrokken is geweest bij de eigendomstransacties van de bewuste percelen waarop het voorkeursrecht is gevestigd of raadsleden uit de tijd waar het verzoek op zag. Het doet wat denken aan de opdracht aan BZK om de digitale nieuwsbrieven alsnog op te vragen bij degenen die deze nieuwsbrieven destijds ontvingen om zodoende de totale set aan documenten compleet te maken (zie deze annotatie).

In de kwestie in Enschede wordt de soep uiteindelijk wat minder heet gegeten. Hoewel niet duidelijk is wat de gemeente precies inzichtelijk heeft gemaakt qua onderzoek accepteert de rechtbank in de einduitspraak de weergave van die zoektocht en ook de motivering waarom niet extern (bij de notaris) is gezocht.

Update Rechtbank Noord-Holland 25 september 2019; Geheimhouding en een WOB-verzoek. Niet opheffen geen WOB-besluit?

Over de gevolgen van het opleggen van geheimhouding (en zo nodig bekrachtigen daarvan) voor een later ingediend WOB-verzoek is al het nodige te lezen op deze website (zie bijvoorbeeld dit blog). Kort en goed moet sinds november 2016 zo’n WOB-verzoek (ook) worden aangemerkt als verzoek tot opheffing van de geheimhouding. De rechtbank Noord-Holland bepaalt in deze tussenuitspraak dat ingeval de geheimhouding niet wordt opgeheven, het beroep in een WOB-procedure over die documenten geen bespreking meer hoeft “omdat openbaarmaking daarvan na het onherroepelijk worden van het niet opheffen van de geheimhouding achterwege moet blijven”. Die redenering roept wat vragen op nu de november 2016 uitspraak duidelijk maakt dat de behandeling van het WOB-verzoek wordt opgeschort in afwachting van de behandeling van het opheffingsverzoek. Hier maak ik uit op dat nog altijd ook beslist moet worden op het WOB-verzoek. Waarbij een eigen afweging dient te worden gemaakt of – ondanks de geheimhouding – de WOB aan openbaarmaking in de weg staat, waarbij de redenering dan moet zijn “ja”, nu de regeling omtrent geheimhouding nog altijd een uitputtende regeling is die voorgaat op de WOB.